De Bijbelcitaten zijn overgenomen uit de Naardense Bijbel, met schriftelijke toestemming van uitgeverij Skandalon. Voorlopig is alleen de tekst van Openbaring genomen uit de nieuwe gewijzigde editie van februari 2024. De overige Bijbelcitaten zullen nog worden aangepast aan die editie.
1, 1 Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft om aan zijn dienaars te tonen ‘wat spoedig moet geschieden’, en welke hij in tekenen bekendgemaakt heeft door die te zenden door zijn engel aan zijn dienaar Johannes,
openbaring – Ἀποκάλυψις // openbaren – ἀποκαλυπτω
Matthéus 10,26 vreest hen dan niet; want niets is verhuld – καλύπτω – dat niet zal worden ónthuld – ἀποκαλυπτω – en verborgen dat niet bekend zal worden;
Matthéus 11,25 Op dat moment geeft Jezus zijn oordeel: ik dank u, Vader, Heer van de hemel en het aardland, dat gij deze dingen hebt verborgen – κρύπτω – voor wijzen en verstandigen en ze hebt onthuld – ἀποκαλυπτω – aan onmondigen;
Matthéus 11,27 Alles is aan mij overgegeven door mijn Vader, en niemand behalve de Vader kent de Zoon, en behalve de Zoon en aan wie de Zoon het wil onthullen – ἀποκαλυπτω – kent niemand de Vader!
Matthéus 16,17 Ten antwoord zegt Jezus tot hem: zalig ben je, Simon Barjona!, omdat vlees of bloed jou dat niet heeft onthuld – ἀποκαλυπτω – nee, mijn Vader in de hemelen!-
Lukas 2,32 licht tot ontsluiering – ἀποκαλυψις – van volkeren – Jes. 25,7 -, en de glorie van Israël, uw gemeenschap!
Lukas 2,35 maar ook door je eigen ziel zal een zwaard gaan; zó zullen uit vele harten overleggingen worden ontsluierd – ἀποκαλυπτω -!
Lukas 10,21 Dit eigen uur jubelt hij het uit,
door de heilige geestesadem, en zegt: ik be-lijd van u, Vader, Heer van de hemel en de aarde, dat gij dit hebt verborgen – ἀποκρύπτω – voor wijzen en verstandigen en hebt onthuld – ἀποκαλυπτω – aan onmondigen; ja, Vader, dat zó welbehagen is geschied ten overstaan van u!-
Lukas 10,22 alles wordt mij in handen gegeven door mijn Vader; en niemand herkent wie de Zoon is,- alleen de Vader; en wie de Vader is,- alleen de Zoon én elk aan wie de Zoon het wil onthullen – ἀποκαλυπτω -!
Lukas 12, 2 maar er is niets, hoezeer ook verhuld – συγκαλύπτω – dat niet zal worden onthuld – ἀποκαλυπτω -, of verborgen – κρυπτός – dat niet gekend zal worden;
Lukas 17,25-30 maar eerst moet hij vele dingen lijden, en vanuit deze generatie wor-den versmaad; 26 zoals geschiedde in de dagen van Noach, zó zal het ook zijn in de dagen van de mensenzoon: 27 ze aten, dronken, huwden en werden gehuwd tot op de dag dat Noach in de ark kwam en de watervloed kwam en hij allen verloren liet gaan; 28 evenzo zoals geschiedde in de dagen van Lot: ze aten, dronken, kochten en verkochten, plant-ten aan en bouwden op, 29 maar op de dag dat Lot uit Sodom uittoog ‘regende het vuur en zwavel van de hemel’ (Gen. 19,15) en liet dat allen verloren gaan; 30 als deze dingen zal het zijn op de dag dat de mensenzoon wordt geopenbaard – ἀποκαλυπτω -;
Johannes 12,36-38 zolang ge het licht hebt:
gelooft in het licht opdat ge zonen-en-dochters van het licht wordt! Als Jezus dat heeft uitgesproken gaat hij weg en verbergt hij zich voor hen. 37 Maar hoewel hij zovele tekenen – σημεῖα – heeft gedaan voor hun aanschijn zijn ze niet in hem gaan geloven. 38 Zo gaat in vervulling het woord van de profeet Jesaja waar hij zegt ‘Heer, wie hecht geloof aan wat hij van ons hoort?- de arm des Heren,- aan wie wordt hij onthuld – ἀποκαλυπτω -?’ (Jes. 53,1).
WOORDSTUDIES
CONTRAST: Openbaren van wat verborgen is.
1. verbergen; verborgen houden; verloochenen; uit het gezicht verliezen – ἀποκρύπτω
Lukas 10,21 Dit eigen uur jubelt hij het uit, door de heilige geestesadem, en zegt: ik belijd van u, Vader, Heer van de hemel en de aarde, dat gij dit hebt verborgen – ἀποκρύπτω – voor wijzen en verstandigen en hebt onthuld – ἀποκαλυπτω – aan onmondigen; ja, Vader, dat zó welbehagen is geschied ten overstaan van u!-
2. verbergen; bedekken, schuil houden; verzwijgen; geheim houden – κρύπτω
Matthéus 5,14 gíj zijt het licht der wereld; een stad die bovenop een berg ligt is niet bij machte verborgen te blijven;
Matthéus 11,25 Op dat moment geeft Jezus zijn oordeel: ik dank u, Vader, Heer van de hemel en het aardland, dat gij deze dingen hebt verborgen – κρύπτω – voor wijzen en verstandigen en ze hebt onthuld – ἀποκαλυπτω – aan onmondigen;
Matthéus 13,35 opdat in vervulling gaat wat is gesproken door de profeet die zegt ‘ik zal mijn mond openen in zinnebeelden, ik zal uitbrengen wat verborgen was vanaf de grond-legging’ (Ps. 78,2).
Matthéus 13,44 Het koninkrijk der hemelen lijkt op een schat, verborgen in de akker; een mens vindt die en verbergt hem; door de vreugde daarover gaat hij terug, verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker!
Matthéus 25,18 maar die het ene heeft aangenomen gaat ver weg, graaft een gat in de grond en verbergt het zilverstuk van zijn heer.
Matthéus 25,25 ik ben bevreesd geworden, ben weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond: zie, ge hebt het uwe!
Lukas 13,21 een vrouw neemt dat en verbergt het in drie maten meel, totdat het in z’n geheel doorzuurd is.
Lukas 18,34 En zíj begrijpen niets van deze dingen: dit woord is voor hen verborgen geweest, de dingen die gezegd werden hebben ze niet herkend.
Lukas 19,42 en zegt: áls je maar herkent op deze dag, ja jíj!, wat tot vrede is!- nú wordt dat nog verborgen voor je ogen:
Johannes 8,59 Dan rapen ze stenen op om op hem te werpen, maar Jezus verbergt zich en komt weg uit het heiligdom.
Johannes 12,36-38 zolang ge het licht hebt: gelooft in het licht opdat ge zonen-en-dochters van het licht wordt! Als Jezus dat heeft uitgesproken gaat hij weg en verbergt hij zich voor hen. 37 Maar hoewel hij zovele tekenen – σημεῖα – heeft gedaan voor hun aanschijn zijn ze niet in hem gaan geloven. 38 Zo gaat in vervulling het woord van de profeet Jesaja waar hij zegt ‘Heer, wie hecht geloof aan wat hij van ons hoort?- de arm des Heren,- aan wie wordt hij onthuld – ἀποκαλυπτω -?’ (Jes. 53,1).
Johannes 19,38 Daarna vraagt Jozef van Arimatea, die een leerling van Jezus is, -maar in het verborgene, uit vrees voor de Judeeërs- aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mag weghalen; en Pilatus staat dat toe; dan komt hij en haalt hij zijn lichaam weg.
3. verbergen; versluieren; omhullen; bedekken – καλύπτω
Matthéus 8,24 En zie, er geschiedt een groot beven in de zee, zodat het schip overdekt wordt door de golven. Maar hij is ingeslapen.
Matthéus 10,26 vreest hen dan niet; want niets is verhuld – καλύπτω – dat niet zal wor-den ónthuld – ἀποκαλυπτω – en verborgen dat niet bekend zal worden;
Lukas 8,16 maar niemand die een lamp aansteekt verstopt die in een kruik of zet hem onder een rustbank; nee, hij zet hem op een lampvoet, opdat wie binnentreden het licht kunnen bekijken;
Lukas 23,30 dán zullen ze beginnen te zeggen tot de bergen: valt op ons!, en tot de heuvels: verhult ons! (Hos. 10,8)–
4. totaal verborgen – συγκαλύπτω
Lukas 12, 2 maar er is niets, hoezeer ook verhuld – συγκαλύπτω – dat niet zal worden onthuld – ἀποκαλυπτω -, of verborgen – κρυπτός – dat niet gekend zal worden;
geven – δίδωμι [speciaal: als gave van God]
Matthéus 28,18 Jezus komt naderbij en spreekt tot hen; hij zegt: mij is gegeven alle gezag in hemel en op aarde;
Johannes 3,35 de Vader heeft de zoon lief en heeft alles hem in de hand gegeven;
Johannes 5,27 en heeft hij hem volmacht gegeven om een beoordeling te doen omdat hij mensenzoon is (Dan. 7,10-14)!-
Johannes 13, 3 en hij weet dat de Vader hem alles in de handen heeft gegeven en dat hij van bij God gekomen is en tot God heen gaat,
Johannes 17, 2 en, zoals gij hem zeggenschap hebt gegeven over alle vlees, dat hij aan hen mag geven al wat gij gegeven hebt aan hem: eeuwig leven!
WOORDSTUDIE
TONEN – δεικνύναι
1. de diabolos / uiteenwerper / duivel – die zijn macht toont
Matthéus 4, 8 Weer neemt de uiteenwerper hem mee, naar een zeer hoge berg; hij toont hem alle koninkrijken van de wereld-op-orde en hun glorie,
Lukas 4, 5 Hij leidt hem omhoog en toont hem alle koninkrijken van de bewoonde (wereld), in een punt des tijds.
2. zich tonen aan de heiligdomsdienaar
Matthéus 8, 4 Jezus zegt tot hem: zie toe dat je niemand iets zegt, maar ga heen,
‘toon jezelf aan de heiligdomsdienaar’ (Lev. 13,19) en offer de gave die Mozes heeft opgedragen; dat is voor hen een getuigenis!
Markus 1,44 en zegt tot hem: zie toe dat je aan niemand iets zegt, nee: scheer je weg,
‘toon je aan de priester’ (Lev. 13,49) en offer voor je reiniging wat Mozes heeft opgedragen, hun tot getuigenis!
Lukas 5,14 Hij kondigt aan hem af: aan niemand iets zeggen!- nee, ga weg en ‘toon jezelf aan de heiligdomsdienaar’ (Lev. 13,49) en offer voor je reiniging, zoals Mozes heeft opgedragen tot een getuigenis voor hen!
3. Jezus toont zijn toekomstig lijden
Matthéus 16,21 Van dán af begint Jezus aan zijn leerlingen te tonen dat hij moet afgaan op Jeruzalem en vele dingen lijden van de oudsten, heiligdomsoversten en schriftgeleerden, ja gedood zal worden,- en ‘ten derden dage’ (Hos. 6,2) zal worden opgewekt.
4. Jezus voorzegd het tonen van de bovenzaal voor het vieren van het Pesachmaal
Markus 14,15 dan zal híj u een grote bovenzaal tonen, gespreid, gereed; maakt het dáár voor ons gereed!
Lukas 22,12 en hij zal u een grote bovenzaal wijzen die ingericht wordt; maakt het dáár gereed!
4. Jezus vraagt om de munt met het beeld van de keizer te tonen
Lukas 20,24 toont mij een dinar: wiens beeld en opschrift hij heeft? Zij zeggen: van Caesar…
5. Jezus toont zijn handen en zijn voeten; zijn handen en zijde
Lukas 24,40 Terwijl hij dat zegt toont hij hun de handen en de voeten.
Johannes 20,20 Als hij dat gezegd heeft, toont hij aan hen én de handen én de zijde.
Vol vreugde zijn dan de leerlingen bij het zien van de Heer.
6. Jezus toont de Vader
Johannes 2,18 Dan geven de Judeeërs antwoord; ze zeggen tot hem: met welk teken toont u ons aan dat u deze dingen mag doen?
Johannes 5,20 want de vader die de zoon liefheeft toont hem alle dingen die hij zelf maakt en zal hem grotere werkstukken dan deze tonen; gíj zult u nog verwonderen!-
Johannes 10,32 Jezus antwoordt hun: véle goede werken heb ik u getoond,- uit (de hand van) de Vader; om wat voor werk daarvan stenigt ge mij?
Johannes 14, 8- 9 Filippus zegt tot hem: heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg! [9] Jezus zegt tot hem: zo lange tijd ben ik bij u en toch heb je me niet leren kennen,
Filippus?- wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien!- hoe kun jíj zeggen ‘toon ons de Vader’?-
7. God heeft zich getoond aan Abraham
Handelingen 7, 3 Maar hij verklaart: man-nen, broeders en vaders, hoort!- ‘de God der ere’ (Ps. 29,3) heeft zich laten zien aan onze vader Abraham, toen die in Mesopotamië was, voordat hij verhuisde naar Haran,
8. God heeft getoond dat niemand onrein mag worden genoemd
Handelingen 10,28 Hij brengt tot hen uit: ú weet dat het een joodse man niet is toe- gestaan zich te voegen of binnen te komen bij iemand van andere stam; en aan míj heeft God getoond dat ik geen enkele mens ongewijd of onrein mag noemen;
WOORDSTUDIE
SPOEDIG
1. spoedig; snel – ταχα
komt niet voor in Evangeliën & Handelingen
2. spoedig; snel – ταχεως
Lukas 14,21 als de dienaar aanlandt doet hij zijn heer van deze dingen kond; dán zegt de huiseigenaar woedend tot zijn dienaar: ga met haast uit naar de pleinen en straten van de stad,-en de armen, kreupelen, blinden en lammen, leid die hier binnen!-
Lukas 16, 6 Maar hij zegt: honderd vaten olijfolie. Maar hij zegt tot hem: pak je papieren, ga zitten en schrijf vlug vijftig!
Johannes 11,31 Als dan de Judeeërs die bij haar in het huis zijn en haar vertroosten, zien dat Maria haastig opstaat en naar buiten gaat, volgen ze haar, menend dat zij weggaat naar de gedenkplaats om daar te weeklagen.
Johannes 13,27 En ná dat brokje dán komt de satan bij hem binnen; dan zegt Jezus tot hem: wat je doet, doe het snel!
Johannes 20, 4 Maar de twee zijn tegelijk erheen gerend, en de andere leerling rent sneller dan Petrus en komt als eerste aan bij de gedenkplaats;
Handelingen 17,15 Maar zij die (hem) ter-zijde staan leiden Paulus naar Athene. Ze nemen een gebod mee voor Silas en Timoteüs om zo snel mogelijk bij hem te komen en gaan dan weg.
3. spoedig; snel – ταχινος
komt niet voor in Evangeliën & Handelingen
4. spoedig; snel – ταχος / ἐν τάχει
Lukas 18, 8 ik zeg u dat hij het met haast zal doen, hun recht verschaffen!- alleen: als de mensenzoon komt, zal hij dan dit geloof wel vinden op het aardland?
Handelingen 12, 7 En zie, een engel van de Heer komt bij hem staan en er straalt licht in de behuizing. Maar met een por in de zijde van Petrus maakt hij hem wakker en zegt: sta haastig op! En zijn kettingen vallen van zijn handen.
Handelingen 22,18 ik zag Hem tot mij zeg-gen: haast je en trek snel uit Jeruzalem weg, omdat ze jouw getuigenis over mij niet zullen aanvaarden!-
Handelingen 25, 4 Dus antwoordt Festus dat Paulus in Caesarea wordt gehouden, maar dat hijzelf er weldra naar zal afreizen.
5. spoedig; snel – ταχυς
Matthéus 5,25 wees je tegenpartij welge-zind, met haast en terwijl je met hem onderweg bent,- opdat je tegenpartij je niet overgeeft aan de oordelaar en de oorde-laar aan de helper, en jij in bewaring wordt geworpen;
Matthéus 28, 7 maakt snel voort en zegt
aan zijn leerlingen dat hij is opgewekt uit de doden, en zie, hij gaat u vóór naar Galilea,-
dáár zult ge hem zien; zie, dit had ik u te zeggen!
Matthéus 28, 8 Snel gaan ze weg van de gedenkplaats, in vreze en grote vreugde, en
haasten zich om het aan zijn leerlingen te verkondigen.
Markus 9,39 Maar Jezus zegt: houdt hem niet tegen, want er is niemand die (met een beroep) op mijn naam een (daad van) macht zal doen en bij machte zal zijn onmiddellijk daarna kwalijk van mij te spreken;
Lukas 15,22 Maar de vader zegt tot zijn dienaars: brengt haastig de eerste mantel
en bekleedt hem!- geeft hem een vingerring aan de hand en schoenen aan de voeten;
Johannes 11,29 Maar zíj, zodra ze dat hoort, ontwaakt haastig,- en is bij hem gekomen.
6. spoedig; snel / (want het tijdstip is nabij -ὁ καιρὸς γὰρ ἐγγύς ἐστιν) καιρὸς … ἐγγύς
Matthéus 26,18 Hij zegt: gaat heen, de stad in, naar die-en-die, en zegt tot hem: de leermeester zegt: mijn moment is nabij, ik houd (lett: ‘ik doe’) met mijn leerlingen het Pesach bij ú!
WOORDSTUDIE
MOETEN (noodzakelijk) – δεῖ
Matthéus 16,21
Matthéus 17,10-12
Matthéus 18,31-33
Matthéus 23,23
Matthéus 24, 6
Matthéus 25,27
Matthéus 26,35
Matthéus 26,54
Markus 8,31
Markus 9,11-13
Markus 13, 7
Markus 13,10
Markus 13,14
Markus 14,31
Lukas 2,49
Lukas 4,42-43
Lukas 9,22
Lukas 11,42
Lukas 12,12
Lukas 13,14-16
Lukas 13,33
Lukas 15,32
Lukas 17,25
Lukas 18, 1
Lukas 19, 5
Lukas 21, 9
Lukas 22, 7
Lukas 22,37
Lukas 24, 7
Lukas 24,26
Lukas 24,44
Johannes 3, 7
Johannes 3,14
Johannes 3,30
Johannes 4, 4
Johannes 4,20
Johannes 4,24
Johannes 9, 4
Johannes 10,16
Johannes 12,34
Johannes 20, 9
Handelingen 1,16
Handelingen 1,21
Handelingen 3,21
Handelingen 4,12
Handelingen 5,29
Handelingen 9, 6
Handelingen 9,16
Handelingen 14,22
Handelingen 15, 5
Handelingen 16,30
Handelingen 17, 3
Handelingen 19,21
Handelingen 19,36
Handelingen 20,35
Handelingen 23,11
Handelingen 24,19
Handelingen 25,10
Handelingen 25,24
Handelingen 26, 9
Handelingen 27,21
Handelingen 27,24
Handelingen 27,26
NOG UITWERKEN
in tekenen bekendmaken – σημαινω
Johannes 12,33 Maar dit heeft hij gezegd om in tekentaal – σημαίνων – aan te duiden met wat voor dood hij zou gaan sterven.
Johannes 12,36-38 zolang ge het licht hebt: gelooft in het licht opdat ge zonen-en-dochters van het licht wordt! Als Jezus dat heeft uitgesproken gaat hij weg en verbergt hij zich voor hen. 37 Maar hoewel hij zovele tekenen – σημεῖα – heeft gedaan voor hun aanschijn zijn ze niet in hem gaan geloven. 38 Zo gaat in vervulling het woord van de profeet Jesaja waar hij zegt ‘Heer, wie hecht geloof aan wat hij van ons hoort?- de arm des Heren,- aan wie wordt hij onthuld – ἀποκαλυπτω -?’ (Jes. 53,1).
Johannes 18,32 Zo wordt vervuld het woord van Jezus dat hij heeft gezegd om aan te dui-den – σημαίνων – wat voor dood hij zou gaan sterven.
Johannes 21,18-19 amen, amen, zeg ik jou:
toen je jonger was omgordde je jezelf en heb je gewandeld waar je wilde; maar wanneer je oud wordt zul je je handen uitstrekken en een ander zal je gorden en brengen waar je niet wilt! 19 Maar daarmee zegt hij in tekentaal – σημαίνων – met wat voor dood hij God verheerlijken zal. Als hij dat gezegd heeft zegt hij tot hem: volg mij!
Handelingen 11,28 Maar een van hen, met de naam Agabus, is opgestaan en heeft door de geest een teken gegeven – ἐσήμανεν διὰ τοῦ πνεύματος – dat er een grote honger op handen was over heel het bewoonde, en die tijdens Claudius is geschied.
Handelingen 25,27 want het lijkt me onzinnig om een gevangene te sturen zonder ook de strafgrond tegen hem te vermelden!
WOORDSTUDIE
teken – σημειον
Matthéus 12,38
Matthéus 12,39
Matthéus 16, 1
Matthéus 16, 3
Matthéus 16, 4
Matthéus 24, 3
Matthéus 24,24
Matthéus 24,30
Matthéus 26,48
Markus 8,11
Markus 8,12
Markus 13, 4
Markus 13,22
Markus 16,17
Markus 16,20
Lukas 2,12 dit is u ten teken [καὶ τοῦτο ὑμῖν τὸ σημεῖον]: ge zult vinden een zuigeling in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe!
Lukas 2,34
Lukas 11,16
Lukas 11,29
Lukas 11,30
Lukas 21, 7
Lukas 21,11
Lukas 21,25
Lukas 23, 8
Johannes 2,11
Johannes 2,18
Johannes 2,23
Johannes 3, 2
Johannes 4,48
Johannes 4,54
Johannes 6, 2
Johannes 6,14
Johannes 6,26
Johannes 6,30
Johannes 7,31
Johannes 9,16
Johannes 10,41
Johannes 11,47
Johannes 12,18
Johannes 12,37
Johannes 20,30
Handelingen 2,19
Handelingen 2,22
Handelingen 2,43
Handelingen 4,16
Handelingen 4,22
Handelingen 4,30
Handelingen 5,12
Handelingen 6, 8
Handelingen 7,36
Handelingen 8, 6
Handelingen 8,13
Handelingen 14, 3
Handelingen 15,12
NOG UITWERKEN
WOORDSTUDIE
zinnebeeld – παραβολη
Matthéus 13, 3
Matthéus 13,10
Matthéus 13,13
Matthéus 13,18
Matthéus 13,24
Matthéus 13,31-36
Matthéus 13,53
Matthéus 15,15
Matthéus 21,33
Matthéus 21,45
Matthéus 22, 1
Matthéus 24,32
Markus 3,23
Markus 4, 2
Markus 4,10-13
Markus 4,30-34
Markus 7,17
Markus 12, 1
Markus 12,12
Markus 13,28
Lukas 4,23
Lukas 5,36
Lukas 6,39
Lukas 8, 4
Lukas 8, 9-11
Lukas 12,16
Lukas 12,41
Lukas 13, 6
Lukas 14, 7
Lukas 15, 3
Lukas 18, 1
Lukas 18, 9
Lukas 19,11
Lukas 20, 9
Lukas 20,19
Lukas 21,29
NOG UITWERKEN
zenden – ἀποστελλω
Mattheús 10, 5 Deze twaalf zendt Jezus uit met een afkondiging aan hen waarin hij zegt: de weg naar* volkeren, slaat die niet in en een stad van Samaritanen komt die niet binnen;
Mattheús 10,16 zie, ík zend u uit als schapen midden van wolven; wordt dus slim als de slangen en simpel als de duiven!-
Mattheús 10,40 wie u verwelkomt, verwelkomt mij, en wie mij verwelkomt verwel-komt hem die mij heeft uitgezonden;
Matthéus 11,10 híj is het over wie geschreven is ‘zie, ik zend mijn aankondig-engel voor je aanschijn uit die jouw weg bereiden zal voor jou uit’ (Mal. 3,1);
Mattheús 21, 1 Wanneer ze Jeruzalem naderen en aankomen bij Betfage bij de
Olijfberg, dán zendt Jezus twee leerlingen uit,
Matthéus 22, 3- 4 hij zendt zijn dienaars uit om de geroepenen te roepen tot de bruiloftsdagen,- en ze hebben niet willen komen! 4 Weer zendt hij de dienaars uit, andere, zeggend: zegt tot de geroepenen: zie, mijn middagmaal heb ik bereid, mijn stieren en het mestvee zijn geslacht,- alles is bereid!- welaan, op naar de bruilofts-dagen!
Markus 1, 2 Zoals geschreven staat in de profeet Jesaja: ‘zie, ik zend mijn aankondiger voor je aanschijn uit, die je weg bereiden zal;
Markus 3,14 Hij maakt een twaalftal,- dat zij bij hem zullen zijn, en hij hen zal uitzen-den om te prediken
Markus 6, 7 Hij roept de twaalf tot zich en begint ze uit te zenden, twee aan twee, nadat hij hun gezag heeft gegeven over de onreine geesten.
Lukas 4,43 Maar hij zegt tot hen: ‘ook aan de overige steden moet ik het koningschap van God aankondigen,- omdat ik dáárvoor ben uitgezonden!’,
Lukas 7,27 hij is het over wie geschreven staat: ‘zie, ik zend mijn aankondiger voor je aanschijn uit; hij zal voor jou je weg bereiden!’ (Ex. 23,20; Mal. 3,1)–
Lukas 9, 2 Hij zendt hen uit om het koningschap van God te prediken en (de zieken) te helen.
Lukas 10, 1- 3 Na dit alles wijst de Heer tweeënzeventig anderen aan en zendt hen per twee voor zijn aanschijn uit naar elke stad en plek waar hij zou gaan komen. 2 Maar hij heeft tot hen gezegd: de oogst is overvloedig maar de werkers zijn met weinig; bidt daarom de heer van de oogst dat hij werkers uitwerpt naar zijn oogst; 3 gaat heen!- zie, ik zend u uit als lammeren te midden van wolven;
Lukas 11,49 daarom zegt ook de wijsheid van God: zenden zal ik tot hen profeten en afgezanten, en uit hen zullen ze er doden en vervolgen,-
Lukas 22,35 Dan zegt hij tot hen: toen ik u uitzond zonder inwerpkist, reiszak en sandalen, zijt ge toen iets tekortgekomen? En zij zeggen: niets!
Johannes 5,38 ook zijn spreken hebt ge niet als iets dat in u blijft, want die híj heeft uitgezonden, hem schenkt gíj geen geloof;
Johannes 20,21 Dan zegt Jezus weer tot hen: vrede voor u!- zoals de Vader mij heeft uitgezonden zo stuur ook ík u uit!
Handelingen 28,28 laat u dan bekend zijn dat deze redding door God naar de volkeren wordt uitgezonden; die zullen ook horen!
1, 2 die getuigt van het woord Gods, en van het getuigenis van Jezus Christus: al wat hij heeft gezien.
het Woord Gods – τὸν λόγον τοῦ θεοῦ
Johannes 1, 1- 5 Bij begin (Gen. 1,1) is er het spreken geweest; het spreken is God nabij geweest, ja God is het spreken geweest; 2 het is geweest bij begin, God nabij (Spr. 8,22 vv; Sirach 24,9); 3 alle dingen zijn daardoor geworden en buiten dat om is niet één ding geworden dat geworden is. 4 Daarin is leven geweest en dat leven is het licht der mensen geweest; 5 het licht schijnt in de duisternis: de duisternis heeft het niet opgenomen.
Johannes 1, 6-10 Er geschiedt een mens, uit-gezonden van bij God, Johannes is zijn naam. 7 Deze komt tot getuigenis: om te getuigen van het licht,- opdat allen door hem gaan geloven. 8 Niet hijzelf is het licht geweest, nee,- om te getuigen van het licht: 9 het waarachtige licht dat iedere mens verlicht, is geweest komende tot de wereld. 10 In de wereld is het geweest en de wereld is erdoor geworden, en de wereld heeft hem niet herkend;
Johannes 1,11-15 tot het zijne is hij geko-men en de zijnen hebben hem niet aangenomen; 12 maar zovelen hem hebben aangenomen, hun heeft hij de volmacht gegeven kinderen van God te worden,- zij die geloven in zijn naam; 13 die niet uit stuwingen van bloed, niet uit de wil van menselijk vlees en niet uit de wil van een man, nee, uit God geboren zijn. 14 Het spreken is vlees-en-bloed geworden en heeft bij ons zijn tent opgeslagen; wij hebben zijn glorie aanschouwd, een glorie van een eniggeborene van bij een Vader,- vol van genade en waarheid. 15 Johannes getuigt van hem, en wat hij te zeggen had heeft hij uitgeschreeuwd: hij is het geweest van wie ik gezegd heb: die na mij komt is voor mij geworden, omdat hij eerder was dan ik!-
Johannes 1,16-18 ja, uit zijn volheid hebben wíj allen aangenomen, en wel genade op genade; 17 ja, de Wet is door Mozes gegeven ‘de genade en de waarheid’ (Ps. 85,11) is door Jezus Christus geschied. 18 God: niemand heeft hem ooit gezien; de eniggebo-ren God, die is in de schoot des Vaders, hij heeft (hem) uitgelegd!
getuigenis – μαρτυρια
Johannes 1, 7 Deze komt tot getuigenis: om te getuigen van het licht,- opdat allen door hem gaan geloven.
Johannes 1,19-23 En dit is het getuigenis van Johannes, wanneer de Judeeërs vanuit Jeruzalem tot hem heiligdomsdienaren en Levieten zenden om hem de vraag te stellen: u, wie bent u? 20 Hij belijdt,- hij loochent het niet en belijdt: ík ben de Gezalfde niet! 21 Ze vragen hem: wat dan wél?- bent u Elia? Hij zegt: dat ben ik niet De profeet,- bent u dat? En hij antwoordt: nee! 22 Dan zeggen ze tot hem: wie bent u, zodat wij een antwoord kunnen geven aan wie ons hebben gestuurd?- wat zegt u over uzelf? 23 Hij verklaart: ik, ik ben ‘de stem van een roepende in de woestijn: maakt recht de weg van de Heer!’ (Jes. 40,3), zoals Jesaja, de profeet, gezegd heeft.
Johannes 19,35 Hiervan heeft getuigd hij die het heeft gezien en zijn getuigenis is waarachtig; híj weet dat het waar is wat hij zegt,- opdat ook gíj zult geloven.
Johannes 21,24 Híj is de leerling die van deze dingen getuigt en deze dingen heeft beschreven, en we weten dat zijn getuigenis waar is.
1, 3 Zalig die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie en onderhouden wat daarin geschreven is, want het moment is nabij.
zaligspreking
Mattheús 5, 3-12 zalig wie arm zijn aan de geestesadem (Ps. 34,19), omdat van hen is het koninkrijk der hemelen; [4] zalig wie treuren, omdat hun troost zal worden toegeroepen (Jes. 61,2-3); [5] zalig de zachtmoedigen, omdat zij de aarde zullen beërven (Ps. 37,11); [6] zalig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, omdat zij zullen worden verzadigd; [7] zalig de ontfermers, omdat zij ontferming zullen ervaren, [8] zalig de reinen van hart (Ps. 24,4; 51,12), omdat zij God zullen zien; [9] zalig wie vrede stichten, omdat zij zullen worden uitgeroepen tot zonen van God; [10] zalig wie worden vervolgd vanwege gerechtigheid, omdat van hen is het koninkrijk der hemelen;
[11] zalig zijt ge wanneer ze u zullen be-schimpen en vervolgen en al wat boos is zullen zeggen, tegen u vals getuigend vanwege mij; [12] verheugt u en jubelt, omdat uw loon overvloedig is in de hemelen; zó immers hebben ze de profeten vóór u vervolgd!
Mattheús 7,24-27 Ieder dan die deze woorden van mij hoort en ze doet, zal te vergelijken zijn met een bezonnen man, die zijn huis bouwt op de rots: [25] de regen daalt neer, de rivieren komen, de winden ademen-en-waaien en vallen op dat huis aan, en het valt niet: het is immers gegrondvest op de rots; [26] en ieder die deze woorden van mij hoort en ze niet doet zal te vergelijken zijn met een dwaas man, die zijn huis bouwt op zand: [27] de regen daalt neer, de rivieren komen, de winden ademen-en-waaien en slaan tegen dat huis, en het valt,- en zijn val is groot geweest!
Mattheús 11, 7-15 Als zij voortgaan be-gint Jezus ermee tot de scharen over Johannes te spreken: toen ge zijt uitgetrok-ken naar de woestijn, wat zijt ge gaan aanschouwen?-, een rietstengel, heen en weer geslingerd door de wind?- [8] nee; wat zijt ge gaan zien toen ge zijt uitgetrokken?- een mens gehuld in zachtheden?- zie, zachtheden dragen ze in de huizen van de koningen!- [9] nee; toen ge zijt uitge-trokken, wat zijt ge gaan zien?- een profeet?- ja, zeg ik u, ook veel méér dan een profeet; [10] híj is het over wie geschreven is ‘zie, ik zend mijn aankondig-engel voor je aanschijn uit die jouw weg bereiden zal voor jou uit’ (Mal. 3,1); [11] amen is het, zeg ik u: onder wie uit vrouwen zijn geboren is er geen ontwaakt groter dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk der hemelen is de kleinste groter dan hij; [12] vanaf de dagen van Johannes de Doper tot nu toe wordt het koninkrijk der hemelen overweldigd, en geweldenaars grijpen het; [13] want alle profeten en de Wet profeteren tot aan Johannes,- [14] en als ge het wilt verwelkomen: híj is Elia die op het punt staat te komen; [15] wie oren heeft moet horen!
Markus 9,37 wie één van zulke jongetjes ontvangt, (met een beroep) op mijn naam, ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt níet mij, nee: hem die mij heeft gezonden!
Lukas 6,20b-23 Zalig de armen, omdat voor u het koninkrijk van God is! [21] Zalig wie nu honger lijden,- omdat ge zult worden verza-digd! Zalig wie nu weeklagen,- omdat ge zult lachen! [22] Zalig zijt ge wanneer de mensen u haten, wanneer ze u bannen, smaden en uw naam als iets boosaardigs uitwerpen vanwege de mensenzoon! [23] Verheugt u te dien dage en danst, want zie, groot is uw loon in de he-mel: hetzelfde immers hebben hun vaderen gedaan aan de profeten!
Lukas 6,47-49 Al wie tot mij komt en mijn woorden hoort en ze dóet,- ik zal u tonen op wie hij gelijkt! [48] Hij gelijkt op een mens die bij het bouwen van een huis graaft, uitdiept en het fundament legt op de rots; er geschiedt een overstroming en de rivier beukt tegen dat huis aan, maar is niet sterk genoeg om het te doen wankelen,- doordat het zo degelijk is gebouwd. [49] Maar wie hoort en niet doet gelijkt op een mens die een huis bouwt op de aarde, zonder fundament: de rivier beukt er tegenaan en meteen valt het in elkaar; zó geschiedt het: de puinhoop van dat huis is groot!
Lukas 8,21 Maar ten antwoord zegt hij tot hen: mijn moeder en mijn zusters-en-broeders, dat zijn zij die het spreken van God horen en doen!
Lukas 11,20 maar als ik één met de vinger Gods de demonieën uitwerp, dan is bij u het koningschap van God verschenen;
Lukas 11,28 Maar hij zegt: jazeker, zalig die het woord van God horen en erover wa-ken!
Johannes 13,16-17 amen, amen, ik zeg u: geen dienaar is groter dan zijn heer en geen afgezant groter dan wie hem stuurt; [17] als ge deze dingen weet, zalig zijt ge als ge ze doet!-
1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,
1, 5 en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden, en de overste van de koningen der aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons uit onze zonden heeft verlost door zijn bloed,
1, 6 -en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, heiligdomsdienaars voor zijn God en Vader,- aan hem de glorie en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.
1, 7 ‘Zie, hij komt met de wolken’, en elk oog zal hem zien, ook diegenen die hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen!
1, 8 Ík ben de alfa en de omega, zegt de Heer God, die is en die was en die komt, de albeheerser.
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,
1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderingen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!
1,11 Zeggende [λεγούσης]: Ik ben de Alfa en de Oméga [ἐγώ ἐιμι τὸ α καὶ ὁ ω], de Eerste en de Laatste [ὁ πρῶτος καὶ ὁ ἔσχατος]; en hetgeen gij ziet [καὶ ὁ βλέπεις], schrijf dat in een boek [γράφον εἰς βιβλίον], en zend het aan de zeven gemeenten [καὶ πέμψον ταῖς ἐκκλησίαις], die in Azië zijn [ταῖς ἐν ἀσία], namelijk naar Éfeze [εἰς Ἔφεσον], en naar Smyrna [καὶ εἰς Σμύρναν], en naar Pérgamus [καὶ εἰς Φέργαμον], en naar Thyatíre [καὶ εἰς Θυάτειρα], en naar Sardis [καὶ εἰς Σάρδεις], en naar Filadelfía [καὶ εἰς Φιλαδέλφειαν], en naar Laodicéa [καὶ εἰς Λαοδίκειαν]. [Statenvertaling, vanuit Textus Receptus]
1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,
1,13 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel;
1,14 maar zijn hoofd en haren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vlam van vuur,
1,15 en zijn voeten gelijk geelkoper, als in een oven vuur-doorgloeid gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;
1,16 in zijn rechterhand heeft hij zeven sterren; uit zijn mond trekt een tweemondig scherp zwaard uit en zijn aanschijn schijnt als de zon in zijn kracht.
1,17a En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend:
1,17b-18a vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste [18a] en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen,
1,18b en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades;
1,19 schrijf dus op wat je gezien hebt, én wat is én wat op het punt staat te geschieden hierna;
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergaderingen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!