Alle Bijbelcitaten zijn overgenomen uit de Naardense Bijbel, met schriftelijke toestemming van uitgeverij Skandalon. Alle teksten zijn genomen uit de nieuwe gewijzigde editie van mei 2024.
1, 1 Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft om aan zijn dienaars te tonen ‘wat spoedig moet geschieden’, en welke hij in tekenen bekendgemaakt heeft door die te zenden door zijn engel aan zijn dienaar Johannes,
1, 2 die getuigd van het woord Gods, en van het getuigenis van Jezus Christus: al wat hij heeft gezien.
Johannes – Ἰωάννης
1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
22, 8a En ík, Johannes, ben het die deze dingen hoort en bekijkt.
getuigen – μαρτυρεῖν
22,16 ík, Jezus, stuur mijn engel om u deze dingen te betuigen in de vergaderingen; ík, ik ben de wortel en de nieuwgeborene van David, de stralende morgenster!
22,18 Ik betuig, ík, aan ieder die de woor-den van de profetie van dit boek hoort: als iemand daaraan toevoegt, God zal hem toevoegen de slagen die in dit boek beschreven staan.
22,20 Hij die deze dingen betuigt zegt: ja, ik kom spoedig! Amen, kom Heer Jezus!
HET WOORD GODS
1. het woord Gods – τὸν λόγον τοῦ θεοῦ
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het ko-ningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
6, 9 En wanneer hij het vijfde zegel opent, zie ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht zijn vanwege het woord Gods en het getuigenis dat zij hebben gehad.
19,13 En hij is omworpen met een gewaad gedompeld in bloed, en als naam voor hem is uitgeroepen: ‘het woord van God’.
20, 4a-b En ik zie tronen. En zij gaan daarop zitten en hun wordt oordeelsmacht gegeven. En (ik zie) de zielen van hen die zijn onthoofd om het getuigenis van Jezus en het woord van God,
2. woorden van God; waarachtige woorden van God – λόγοι τοῦ θεοῦ; λόγοι ἀληθινοὶ τοῦ θεοῦ
17,17 want God geeft het hun in het hart zijn zin te doen en hen één van zin te doen zijn, en hun koningschap aan het beest te geven, totdat de woorden van God tot volein-ding zijn gebracht;
19, 9 En hij zegt tot mij: schrijf: zalig zij die geroepen zijn tot de bruiloftsmaaltijd van het lam! En hij zegt tot mij: dit zijn de waar-achtige woorden van God!
het getuigenis van Jezus Christus – τὴν μαρτυρίαν Ἰησοῦ Χριστοῦ [zie: 1,1]
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het ko-ningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
6, 9 En wanneer hij het vijfde zegel opent, zie ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht zijn vanwege het woord Gods en het getuigenis dat zij hebben gehad.
12,17 En de draak wordt toornig op de vrouw en gaat heen om oorlog te voeren met de overigen van haar zaad, die de geboden van God houden en het getuigenis van Jezus hebben.
19,10 En ik val voor zijn voeten neer om hem hulde te bewijzen. En hij zegt tot mij: zie toe, dat je dat niet doet!- ik ben een mededienaar van jou en van je broeders die het getuigenis van Jezus hebben; breng hulde aan God! Want het getuigenis van Jezus is de Geest van de profetie.
20, 4 En ik zie tronen. En zij gaan daarop zitten en hun wordt oordeelsmacht gege-ven. En (ik zie) de zielen van hen die zijn onthoofd om het getuigenis van Jezus en het woord van God, en wel zij die het beest geen hulde hebben gebracht, noch zijn beeld, en het merkteken niet op hun voorhoofd of hand hebben aangenomen. En zij begin-nen te leven en met de Gezalfde als koning te heersen, duizend jaren.
zien; zag, gezien
1,7. 12. 17. 19. 20; 4,1; 5,1. 2. 3. 4. 6. 11; 6,1. 2. 5. 8. 9. 12; 7,1. 2. 9; 8,2. 13; 9,1. 7. 17. 20; 10,1. 5; 12,1. 3. 13; 13,1. 2. 11; 14,1. 6. 14; 15,1. 2. 5; 16,13; 17,3. 6. 8. 12. 15. 16. 18; 18,1. 9. 18; 19,11. 17. 19; 20,1. 4. 11. 12; 21,1. 2. 22; 22,5
1, 3 Zalig die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie en onderhouden wat daarin geschreven is, want het moment is nabij.
ZALIG
1. zaligsprekingen
14,13 En ik hoor een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer ster-ven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrusten van hun moeiten, want hun wer-ken volgen hen na!
16,15 ‘Zie, ik kom als een dief; zalig is hij die waakt en zijn kleren bewaart, zodat hij niet naakt rondwandelt en men zijn schaamte ziet!’
19, 9 En hij zegt tot mij: schrijf: zalig zij die geroepen zijn tot de bruiloftsmaaltijd van het lam! En hij zegt tot mij: dit zijn de waar-achtige woorden van God!
20, 6 Zalig en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft het tweede sterven geen gezag, nee, zij zullen heiligdomsdienaars zijn van God en van zijn Gezalfde, en zij zullen met hem als koning heersen, duizend jaren.
20, 6 Zalig en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft het tweede sterven geen gezag, nee, zij zullen heiligdomsdienaars zijn van God en van zijn Gezalfde, en zij zullen met hem als koning heersen, duizend jaren.
22, 7 en zie [καὶ ἰδοὺ], ik kom spoedig [ἔρχομαι ταχύ]!- zalig hij [μακάριος ὁ] die de woorden van de profetie van dit boek onderhoudt [τηρῶν τοὺς λόγους τῆς προφητείας τοῦ βιβλίου τούτου]!
22,14 zalig zij die hun gewaden wassen, opdat hun gezag zal zijn over het geboomte des levens, en zij door de poorten de stad binnenkomen;
2. (zalig) die voorleest / die hoort
22,18-19 Ik betuig, ík, aan ieder die de woor-den van de profetie van dit boek hoort: als ie-mand daaraan toevoegt, God zal hem toevoegen de slagen die in dit boek beschre-ven staan. [19] En indien iemand afneemt van de woorden van het boek van deze profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte van het leven en uit de heilige stad, die beschreven staan in dit boek.
horen – ἀκουω
1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,
2, 7 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt; aan de overwinnaar: ik zal hem te eten geven van de boom des levens, die staat in het paradijs van God.
2,11 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt; wie overwint zal geenszins worden geschaad door het tweede sterven!
2,17 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt; aan de overwin- naar: geven zal ik hem van het verborgen manna en geven zal ik hem een witte steen, en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand weet dan die hem aanneemt!
2,29 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!
3, 3 gedenk dan hoe je het aangenomen en gehoord hebt en bewaar het en bekeer je; als je niet wakker wordt, zal ik komen als een dief, en je zult niet herkennen op welk uur
ik tot je zal komen;
3, 6 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!
3,13 wie een oor heeft, hore wat de Geest
tot de vergaderingen zegt!
3,20 zie, ik sta aan de deur en ik klop; indien iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik bij hem binnenkomen en ik zal met hem maaltijd houden en hij met mij;
3,22 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!
4, 1 Na deze dingen zag ik, en zie: in de hemel is een deur geopend! En de eerste stem, die ik als een trompet tot mij heb horen spreken, zegt: klim hierheen op, en ik zal je tonen ‘wat na deze dingen moet geschieden’ (Dan. 2,29)!
5,11 En ik zie, en ik hoor een stem van vele engelen rondom de troon en de levende we-zens en de oudsten, en hun aantal is geweest tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,
5,13 En ieder schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en op de zee, én alles wat daarin is, hoor ik zeggen: aan hem die op de troon zit en aan het lam, de zegening en de eer, de glorie en de kracht, tot in de eeuwen der eeuwen!
6, 1 En ik zie toe wanneer het lam één uit de zeven zegels opent en ik hoor het eerste van de vier levende wezens zeggen met een stem als van een donderslag: kom!
6, 3 En wanneer hij het tweede zegel opent, hoor ik het tweede levende wezen zeggen: kom!
6, 5 En toen wanneer hij het derde zegel opent, hoor ik het derde levende wezen zeggen: kom! En ik zie, en zie: een zwart paard, en die daarop gezeten is heeft een weegschaal in zijn hand.
6, 6 En ik hoor iets als een stem te midden van de vier levende wezens zeggen: een maat tarwe voor een dagloon en drie maten gerst voor een dagloon, en doe geen onrecht aan de olie en de wijn!
6, 7 En wanneer hij het vierde zegel opent, hoor ik de stem van het vierde levende wezen zeggen: kom!
7, 4 En ik hoor het aantal van de verzegel-den: honderdvierenveertigduizend verzegel-den uit alle stammen van zonen van Israël;
8,13 En ik zie, en ik hoor één adelaar vliegend in het midden van de hemel met grote stem zeggen: wee, wee!, wee degenen die op de aarde wonen, vanwege de overige trompet-stemmen van de drie engelen die nu gaan trompetten!
9,13 En de zesde engel trompettert, en ik hoor één stem uit de vier horens van het gouden altaar dat voor het aanschijn van God staat
9,16 En het aantal van de legers van de ruiterij is tweemaal tienduizendmaal tienduizend; ik hoor hun aantal.
9,20 En de overige mensen die niet omge-bracht worden door die slagen, bekeren zich toch niet van de werken van hun handen, om geen hulde meer te brengen aan de demoníe-ën en aan de afgoden van goud en zilver, koper, steen en hout, die niet vermogen te kijken of horen of voortbewegen.
10, 4 En toen de zeven donderslagen spraken, kwam ik op het punt van schrijven, en ik hoor een stem uit de hemel zeggen: verzegel wat de zeven donderslagen hebben gespro-ken, en schrijf die dingen níet op!
10, 8 En de stem die ik uit de hemel hoorde spreekt weer met mij en zegt: ga heen, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de engel die op de zee en op het land staat!
11,12 En zij horen een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: klimt óp, hierheen! En zij klimmen ten hemel op in de wolk, en hun vijanden aanschouwen hen.
12,10 En ik hoor een luide stem in de hemel zeggen: nú geschiedt de redding en de kracht, en het koningschap van onze God, en het ge-zag van zijn Gezalfde; want néérgeworpen wordt de aanklager van onze broeders, die hen aanklaagt voor het aanschijn van onze God, dag en nacht;
13, 9 Als iemand een oor heeft moet hij horen!
14, 2 En ik hoor een stem uit de hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grote donderslag, en de stem die ik hoor is als van citerzangers die citerspelen.
14,13 En ik hoor een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer ster-ven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!
16, 1 En ik hoor een grote stem uit de tempel zeggen tot de zeven engelen: gaat heen en giet de zeven schalen van de hartstocht van God uit over de aarde!
16, 5 En ik hoor de engel van de wateren zeggen: rechtvaardig zijt gij, die is en die was, de Heilige, omdat gij in dezen hebt geoordeeld;
16, 7 En ik hoor het altaar zeggen: ja, Heer God, albeheerser, waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen!
18, 4 En ik hoor een andere stem vanuit de hemel zeggen: gaat uit van haar, mijn ge-meente, om geen gemeenschap te hebben met haar zonden, en om van haar slagen niets over te nemen;
18,22 en de stem van citerzangers en musici en fluitspelers en trompettisten zal niet meer in jou worden gehoord; en elke kunstenaar van elke kunst zal in jou niet meer worden gevonden; de stem van een handmolen zal niet meer in jou worden gehoord;
18,23 het schijnsel van een kandelaar zal niet meer in jou schijnen; de stem van bruidegom en bruid zal niet meer in jou worden gehoord; omdat jouw kooplieden de groten van de aarde zijn geweest, omdat door jouw toverij alle volken worden misleid!
19, 1 Daarna hoor ik iets als de grote stem van een talrijke schare in de hemel, waar ze zeggen: halleluja!- de redding en de glorie en de macht zijn van onze God,
19, 6 En ik hoor iets als de stem van een talrijke schare, en als de stem van vele wateren, en als de stem van sterke donderslagen, zeggend: halleluja!, omdat de Heer onze God, de albe-heerser, als koning heerst!-
21, 3 En ik hoor een grote stem vanuit de troon zeggen: zie, de tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen zijn tent opslaan en zij zullen zijn gemeenten zijn en God zelf zal bij hen zijn;
22, 8 En ík, Johannes, ben het die deze dingen hoort en bekijkt. En als ik hoor en bekijk, val ik in hulde neer vóór de voeten van de engel die mij deze dingen toont.
22,17 En de Geest en de bruid zeggen: kom! En wie het hoort, laat hij zeggen: kom! En wie dorst heeft: laat hij komen; wie wil, laat hij water van leven aannemen als gift.
22,18 Ik betuig, ík, aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: als iemand daaraan toevoegt, God zal hem toevoegen de slagen die in dit boek beschreven staan.
woorden van de profetie – λόγους τῆς προφητείας
22,10 En hij zegt tot mij: verzegel níet de woorden van de profetie van dit boek, want het moment is nabij;
22,18 Ik betuig, ík, aan ieder die de woor-den van de profetie van dit boek hoort: als iemand daaraan toevoegt, God zal hem toevoegen de slagen die in dit boek beschreven staan.
onderhouden / bewaren – τηρεῖν
2,26 en wie overwint en wie mijn werken bewaart ten einde toe, hem zal ik volmacht geven over de volken,
3, 3 gedenk dan hoe je het aangenomen en gehoord hebt en bewaar het en bekeer je; als je niet wakker wordt, zal ik komen als een dief, en je zult niet herkennen op welk uur ik tot je zal komen;
3, 8 ik weet van je werken,- zie, ik heb voor je aanschijn een geopende deur gegeven, die niemand vermag te sluiten: omdat je met de geringe macht die je hebt én mijn woord bewaard hebt én mijn naam niet verloochend;
3,10 omdat je het woord van mijn volharding hebt bewaard, zal ook ík je bewaren uit het uur van de beproeving dat gaat komen over heel de bewoonde (wereld), om de bewoners van de aarde op de proef te stellen;
12,17 En de draak werd razend [ὀρίζω] op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren met de overigen van haar zaad [μετὰ τῶν λοιπῶν τοῦ σπέρματος], die de geboden van God bewaren [αὐτῆς τῶν τηρούντων τὰς ἐντολὰς τοῦ θεοῦ] en het getuigenis van Jezus hebben [καὶ ἐχόντων τὴν μαρτυρίαν Ἰησοῦ].
16,15 ‘Zie, ik kom als een dief; zalig is hij die waakt en zijn kleren bewaart, zodat hij niet naakt rondwandelt en men zijn schaamte ziet!’
bewaren / volharden – ὑπομονή
zie: 1,9
TIJD – ΚΑΙΡΟΣ / ΧΡΟΝΟΣ
1. moment (geschikt ogenblik) = καιρός
11,18 de volken worden vertoornd en uw toorn komt én het moment om de doden te oorde-len,- en het loon te geven aan uw dienaren de profeten en aan de heiligen en wie uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om te verderven die de aarde verderven!
12,12 daardoor: verheugt u, hemelen, en wie daarin hun tenten hebben; wee de aarde en de zee, omdat de uiteenwerper in grote woede bij u neerdaalt, wetend dat hij een gering mo-ment heeft! – εἰδὼς ὅτι ὀλίγον καιρὸν ἔχει!
12,14 En aan de vrouw worden gegeven de twee vleugels van de grote adelaar, om te vliegen naar de woestijn, naar haar plaats waar zij gevoed zal worden, een moment en momenten en de helft van een moment, weg van het aanschijn van de slang.
2. (tijd[sverloop] χρόνος)
2,21 en ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren, en zij wíl zich niet bekeren van haar hoererij;
6,11 En aan ieder van hen wordt een wit gewaad gegeven. En aan hen wordt gezegd nog een korte tijd te rusten, totdat ook het getal van hun mededienaren en broeders vol zal zijn, die omgebracht gaan worden evenals zijzelf.
10, 6 en zweert bij hem die leeft tot in de eeuwen der eeuwen,- die de hemel en wat erin is, en de aarde en wat erop is, en de zee en wat erin is, heeft geschapen: er zal geen tijd meer zijn;
20, 3 Hij werpt hem in de afgrond, en sluit die en verzegelt die boven hem, zodat hij de volkeren niet meer zal misleiden totdat de duizend jaren tot voleinding zijn gebracht.
Daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten.
3. want het moment is nabij
22,10 En hij zegt tot mij: verzegel níet de woorden van de profetie van dit boek, want het moment is nabij;
1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,
Johannes
zie: 1,1
ZEVEN – ἙΠΤΑ
1. zeven vergaderingen – ἑπτὰ ἐκκλησίαις
1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderingen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergade-ringen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
2. zeven kandelaren – ἑπτὰ λυχνίας
1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergade-ringen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
3. zeven sterren – ἀστέρας ἑπτὰ
1,16 in zijn rechterhand heeft hij zeven sterren; uit zijn mond trekt een tweemondig scherp zwaard uit en zijn aanschijn schijnt als de zon in zijn kracht.
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergade-ringen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
3, 1 En aan de engel van de vergadering in Sardes, schrijf: dit zegt hij die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren: ik weet van je werken, dat je de naam hebt dat je leeft, en je bent dood;
4. zeven geesten (Gods) – ἑπτὰ πνεύματα τοῦ θεοῦ
3, 1 En aan de engel van de vergadering in Sardes, schrijf: dit zegt hij die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren: ik weet van je werken, dat je de naam hebt dat je leeft, en je bent dood;
4, 5 En van de troon uit gaan bliksemstralen en stemmen en donderslagen. En zeven vuurfakkels brandend voor het aanschijn van de troon,- dat zijn de zeven geesten van God.
5, 6 En ik zie in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de oudsten een lammetje staan, geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten Gods uitgezonden over de hele aarde.
5. zeven vuurfakkels – ἑπτὰ λαμπάδες
4, 5 En van de troon uit gaan bliksemstralen en stemmen en donderslagen. En zeven vuurfakkels brandend voor het aanschijn van de troon,- dat zijn de zeven geesten van God.
6. zeven zegels – σφραγῖσιν ἑπτά
5, 1 En ik zie in de rechterhand van hem die op de troon zat ‘een boekrol vanbinnen en vanbuiten beschreven’ (Ez. 2,9), verzegeld met zeven zegels.
6, 1 En ik zie toe wanneer het lam één uit de zeven zegels opent en ik hoor het eerste van de vier levende wezens zeggen met een stem als van een donderslag: kom!
7. zeven horens – κέρατα ἑπτὰ
5, 6 En ik zie in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de oudsten een lammetje staan, geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten Gods uitgezonden over de hele aarde.
8. zeven ogen – ὀφθαλμοὺς ἑπτὰ
5, 6 En ik zie in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de oudsten een lammetje staan, geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten Gods uitgezonden over de hele aarde.
9. zeven engelen (met de bazuinen) – ἑπτὰ ἀγγέλους
8, 2 En ik zie de zeven engelen die voor het aanschijn van God zijn gaan staan, en hun worden gegeven: zeven trompetten.
10. zeven bazuinen – ἑπτὰ σάλπιγγες
8, 2 En ik zie de zeven engelen die voor het aanschijn van God zijn gaan staan, en hun worden gegeven: zeven trompetten.
11. zeven donderslagen – ἑπτὰ βρονταὶ
10, 3 En hij schreeuwt met grote stem zoals een leeuw brult. En als hij schreeuwt, spreken de zeven donderslagen met hun eigen stemmen.
12. zeven koppen – κεφαλὰς ἑπτὰ
12, 3 En er wordt een ander teken aan de hemel gezien; zie: een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen.
13, 1 En ik zie vanuit de zee een beest opklimmen met tien horens en zeven koppen, en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen lasterlijke namen.
17, 3 En hij draagt mij in de Geest weg naar een woestijn; en ik zie een vrouw, gezeten op een scharlakenrood beest vol lasterlijke namen, met zeven koppen en tien horens.
17, 9 hier komt het aan op verstand met wijsheid: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw gezeten is; en het zijn ze-ven koningen;
13. zeven diademen – ἑπτὰ διαδήματα
12, 3 En er wordt een ander teken aan de hemel gezien; zie: een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen.
14. zeven engelen (met de laatste slagen) – ἀγγέλους ἑπτὰ
15, 1 Ik zie een ander teken aan de hemel, groots en wonderbaar: zeven engelen met zeven slagen,- de laatste, omdat hierin de hartstocht van God voleindigd wordt.
15, 7 En een van de vier levende wezens geeft aan de zeven engelen zeven gouden schalen gevuld met de hartstocht van God, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen.
16, 1 En ik hoor een grote stem uit de tempel zeggen tot de zeven engelen: gaat heen en giet de zeven schalen van de hartstocht van God uit over de aarde!
15. zeven slagen – πληγὰς ἑπτὰ
15, 1 Ik zie een ander teken aan de hemel, groots en wonderbaar: zeven engelen met zeven slagen,- de laatste, omdat hierin de hartstocht van God voleindigd wordt.
16. zeven gouden schalen – ἑπτὰ φιάλας χρυσᾶς
15, 7 En een van de vier levende wezens geeft aan de zeven engelen zeven gouden schalen gevuld met de hartstocht van God, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen.
16, 1 En ik hoor een grote stem uit de tem-pel zeggen tot de zeven engelen: gaat heen en giet de zeven schalen van de hartstocht van God uit over de aarde!
17. zeven bergen – ἑπτὰ ὄρη
17, 9 hier komt het aan op verstand met wijsheid: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw gezeten is; en het zijn zeven koningen;
18. zeven koningen – βασιλεῖς ἑπτά
17, 9 hier komt het aan op verstand met wijsheid: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw gezeten is; en het zijn zeven koningen;
19. (het achtste beest uit de zeven beesten)
17,11 en het beest dat was en niet is, is zelf achtste en is toch een uit de zeven, en gaat weg ten ondergang;
20. (zevende – ἔβδομος)
8, 1 En wanneer hij het zevende zegel opent, geschiedt er een stilte in de hemel van ongeveer een half uur.
10, 7 echter, in de dagen van het stemge-luid van de zevende engel, wanneer hij op het punt staat te trompetteren, en het geheime-nis van God tot voleinding wordt gebracht, zoals hij verkondigd heeft aan zijn dienaren, de profeten!
11,15 En de zevende engel trompettert, en grote stemmen geschieden in de hemel, zeggend: nu geschiedt het koningschap over de wereld van onze Heer en zijn Gezalfde; en hij zal als koning heersen tot in de eeuwen der eeuwen!
16,17 En de zevende heeft zijn schaal uitgegoten in de lucht. En er komt een grote stem naar buiten uit de tempel, vanaf de troon, zeggend: het is geschied!
21,20c het zevende van chrysolíet,
vergaderingen – ἐκκλησίαις
1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderin-gen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergaderingen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
Azië – Ἀσίᾳ
alleen in 1,4
hij die is en die was en die komt – ὁ ὢν καὶ ὁ ἦν καὶ ὁ ἐρχόμενος
1,8 Ík ben de alfa en de oméga, zegt de Heer God, die is en die was en die komt, de albeheerser.
4, 8 En de vier levende wezens: ieder van hen heeft zes vleugels, rondom en vanbin-nen vol met ogen. En zonder rust zeggen zij dag en nacht: heilig, heilig, heilig de Heer God, (Jes. 6,3) de albeheerser die was en die is en die komt!
11,17 wij danken u, Heer God, albeheerser, die is en die was, dat gij uw grote macht op u neemt en uw koningschap begint;
genade – χάρις
22,21 De genade van de Heer Jezus (zij) met allen.
vrede – εἰρήνη
6, 4 En een ander paard, vuurrood, trekt uit. En aan hem die erop gezeten is, wordt het gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en opdat ze elkaar afslachten, en hem wordt een groot zwaard gegeven.
genade en vrede – χάρις καὶ εἰρήνη
alleen in 1, 4
TROON – ΘΡΟΝΟΣ
1. de troon (van God en van het Lam)
1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,
3,21 wie overwint, geven zal ik hem met mij te zitten op mijn troon, zoals ook ík heb overwonnen en met mijn Vader zit op zijn troon;
4, 2- 6 Meteen raak ik in geestvervoering. En zie: een troon is neergezet in de hemel, en op de troon iemand die zit. [3] En die daar zit, is van aanzien gelijk jaspissteen en sardius. En een regenboog rondom de troon van aanzien gelijk smaragd. [4] En ron-dom de troon vierentwintig tronen, en op de tronen vierentwintig oudsten geze-ten, omworpen met witte gewaden en op hun hoofden gouden kronen. [5] En van de troon uit gaan bliksemstralen en stemmen en donderslagen. En zeven vuurfakkels bran-dend voor het aanschijn van de troon,- dat zijn de zeven geesten van God. [6] En voor het aanschijn van de troon iets als een zee van glas, gelijkend op kristal. En te midden van de troon en rondom de troon, vier levende wezens vol ogen voor en achter.
4, 9-10 En telkens wanneer de levende wezens glorie en eer en dankzegging geven aan hem die zetelt op de troon, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen, [10] vallen de vierentwintig oudsten neer voor het aanschijn van hem die zetelt op de troon en brengen hulde aan hem die leeft tot in de eeuwen der eeuwen, en zij werpen hun kronen neer voor het aanschijn van de troon, zeggend:
5, 1 En ik zie in de rechterhand van hem die op de troon zat ‘een boekrol vanbinnen en vanbuiten beschreven’ (Ez. 2,9), verzegeld met zeven zegels.
5, 6 En ik zie in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de oudsten een lammetje staan, geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten Gods uitgezonden over de hele aarde.
5, 7 En het komt en heeft de rol aange-nomen uit de rechterhand van hem die op de troon zit.
5,11 En ik zie, en ik hoor een stem van vele engelen rondom de troon en de levende we-zens en de oudsten, en hun aantal is geweest tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,
5,13 En ieder schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en op de zee, én alles wat daarin is, hoor ik zeggen: aan hem die op de troon zit en aan het lam, de zegening en de eer, de glorie en de kracht, tot in de eeuwen der eeuwen!
6,16 En zij zeggen tot de bergen en de rotsen: valt op ons en verbergt ons voor het aanschijn van hem die zetelt op de troon en voor de toorn van het lam,
7, 9 Daarna zie ik, en zie: een grote schare die niemand heeft vermocht te tellen, uit alle volken en stammen, gemeenschappen en talen, staande voor het aanschijn van de troon en voor het aanschijn van het lam, omworpen met witte gewaden, met palm-takken in hun handen;
7,10-11 en zij krijten met grote stem, zeggend: de redding is aan onze God, die zetelt op de troon, en aan het lam! [11] En alle engelen zijn gaan staan rondom de troon met de oudsten en de vier levende wezens, en zij vallen voor het aanschijn van de troon op hun aanschijn; zij brengen God hulde en zeggen:
7,15 daarom zijn zij voor het aanschijn van de troon van God en vereren hem dag en nacht in zijn tempel; en die zetelt op de troon zal zijn tent over hen uitspannen;
7,17 want het lam in het midden van de troon zal hun herder zijn en hun de weg wijzen naar de waterbronnen van het leven; en God zal iedere traan uit hun ogen wegwissen!
8, 3 En er komt een andere engel die met een gouden wierookvat bij het altaar opge-steld wordt, en hem wordt veel reukwerk gegeven om aan de gebeden van alle heili-gen plaats te geven op het gouden altaar voor het aanschijn van de troon.
12, 5 En zij brengt voort een zoon, een mannetje, die alle volken met ijzeren scepter als herder zal gaan weiden. En haar kind wordt weggerukt naar God toe en naar zijn troon.
14, 3 En zij zingen een nieuwe zang voor het aanschijn van de troon, en voor het aan-schijn van de vier levende wezens en de oudsten, en niemand is bij machte geweest de zang te leren behalve de honderdvierenveertig duizendtallen, die van de aarde zijn vrijgekocht.
16,17 En de zevende heeft zijn schaal uit-gegoten in de lucht. En er komt een grote stem naar buiten uit de tempel, vanaf de troon, zeggend: het is geschied!
19, 4- 5 En de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens vallen neer en brengen hulde aan God, die gezeten is op de troon, zeggend: amen, halleluja! [5] En een stem trekt uit van de troon, zeggend: looft onze God, zijn naam vreest, de kleinen en de groten!
21, 3 En ik hoor een grote stem vanuit de troon zeggen: zie, de tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen zijn tent opslaan en zij zullen zijn gemeenten zijn en God zelf zal bij hen zijn;
21, 5 En die op de troon zit zegt: zie, ik maak alle dingen nieuw! En hij zegt: schrijf dat deze woorden betrouwbaar en waarachtig zijn!
22, 1 En hij toont mij een rivier met water van leven, helder als kristal, voortkomend uit de troon van God en van het lammetje.
22, 3 Er zal geen enkele vervloeking meer zijn. De troon van God en van het lammetje zal in haar zijn, en zijn dienaren zullen hem vereren;
2. de grote witte troon
20,11 En ik zie een grote witte troon, en die daarop gezeten is, voor wiens aanschijn de aarde wegvlucht, en de hemel, en voor hen geen plaats te vinden is.
20,12 En ik zie de doden, de grote en de kleine, staande voor het aanschijn van de troon. En boeken worden geopend. Ook een ander boek wordt geopend: dat van het leven. En de doden worden geoordeeld vanuit de dingen die geschreven staan in de boeken, naar hun werken.
3. de troon (van satan)
2,13 ik heb weet van waar je woont: daar waar de troon van de satan is; je houdt vast aan mijn naam en hebt het geloof in mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Ántipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die bij u werd omgebracht, daar waar de satan woont;
4. de troon van het beest
13, 2 En het beest dat ik zie lijkt op een panter, en zijn poten als van een beer en zijn mond als een leeuwenmond. De draak geeft hem zijn kracht en zijn troon en zijn grote gezag.
16,10 En de vijfde heeft zijn schaal uitgego-ten over de troon van het beest; en het ge-schiedt dat zijn koninkrijk verduisterd wordt; en zij hebben hun tongen stukgebeten van de pijn.
1, 5 en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden, en de overste van de koningen der aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons uit onze zonden heeft verlost door zijn bloed,
Jezus Christus – Ἰησοῦς Χριστός
zie: 1,1
getuige – μάρτυς
2,13 ik heb weet van waar je woont: daar waar de troon van de satan is; je houdt vast aan mijn naam en hebt het geloof in mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Ántipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die bij u werd omgebracht, daar waar de satan woont;
3,14 En aan de engel van de vergadering in Laodicéa, schrijf: dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het begin van de schepping Gods:
11, 3 en ik zal mijn twee getuigen opdracht geven en zij zullen profeteren twaalfhonderd-zestig dagen lang, omworpen met rouwzakken!
17, 6 En ik zie dat de vrouw dronken is van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik ben verwonderd als ik haar zie, met grote verwondering.
getrouw(e)(n) – πιστος
2,10 vrees niet voor wat je gaat lijden; zie, de uiteenwerper gaat er van u in bewaking werpen, om u op de proef te stellen, en ge zult een verdrukking hebben van tien dagen; wees getrouw tot stervens toe en ik zal je geven de kroon des levens;
2,13 ik heb weet van waar je woont: daar waar de troon van de satan is; je houdt vast aan mijn naam en hebt het geloof in mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Ántipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die bij u werd omgebracht, daar waar de satan woont;
3,14 En aan de engel van de vergadering in Laodicéa, schrijf: dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het begin van de schepping Gods:
17,14 dezen zullen oorlog voeren met het lammetje, en het lammetje zal hen overwinnen omdat hij de Heer der heren is en de Koning der koningen, en zij die met hem zijn: geroe-penen, uitverkorenen en gelovenden!
19,11 En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en die daarop zit wordt aange-roepen als getrouw en waarachtig, en in gerechtigheid oordeelt hij en voert hij oorlog.
21, 5 En die op de troon zit zegt: zie, ik maak alle dingen nieuw! En hij zegt: schrijf dat deze woorden betrouwbaar en waarachtig zijn!
22, 6 En hij zegt tot mij: deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig; de Heer, de God van de Geesten van de profeten heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te tonen ‘wat spoe-dig moet geschieden’ (Dan. 2,28);
eerstgeborene uit de doden – πρωτότοκος τῶν νεκρῶν
alleen in 1,5 en Kol. 1,18
de doden – νεκρῶν
1,17-18 En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend: vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste [18] en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen, en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades;
2, 8 En aan de engel van de vergadering in Smyrna, schrijf: dit zegt de eerste en de laatste, die een dode is geworden en leeft:
3, 1 En aan de engel van de vergadering in Sardes, schrijf: dit zegt hij die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren: ik weet van je werken, dat je de naam hebt dat je leeft, en je bent dood;
11,18 de volken worden vertoornd en uw toorn komt én het moment om de doden te oordelen,- en het loon te geven aan uw diena-ren de profeten en aan de heiligen en wie uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om te verderven die de aarde verderven!
14,13 En ik hoor een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer sterven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!
16, 3 En de tweede heeft zijn schaal uit-gegoten in de zee; en er geschiedt bloed als van een dode, en alle lijf-en-ziel vol leven in de zee, sterft.
20, 5 De overige van de doden leven niet op totdat de duizend jaren tot voleinding zijn gebracht. Dit is de eerste opstanding.
20,12-13 En ik zie de doden, de grote en de kleine, staande voor het aanschijn van de troon. En boeken worden geopend.
Ook een ander boek wordt geopend: dat van het leven. En de doden worden geoordeeld vanuit de dingen die geschreven staan in de boeken, naar hun werken. [13] En de zee geeft de doden die in haar zijn, en de gestor-ven staat en de hades geven de doden die in hen zijn, en zij worden geoordeeld, eenieder naar hun werken.
vorst – ἄρχων
alleen in 1,5
KONINGEN – ΒΑΣΙΛΕΩΝ
1. koning der koningen – βασιλεὺς βασιλέων
17,14 dezen zullen oorlog voeren met het lammetje, en het lammetje zal hen overwinnen omdat hij de Heer der heren is en de Koning der koningen, en zij die met hem zijn:
geroepenen, uitverkorenen en gelovenden!
19,16 En hij heeft op zijn gewaad en op zijn dij een naam geschreven staan: ‘KONING DER KONINGEN EN HEER DER HEREN’ – ΒΑΣΙΛΕΥΣ ΒΑΣΙΛΕΩΝ ΚΑΙ ΚΥΡΙΟΣ ΚΥΡΙΩΝ.
2. koningen (der aarde) – βασιλέων (τῆς γῆς)
6,15 En de koningen van de aarde en de grootheden en de oversten over duizend en de rijken en de sterken, en iedere dienstknecht en vrije, zij verbergen zich in de spelonken en de rotsen van de bergen.
10,11 En zij zeggen tot mij: jij moet weer profeteren over gemeenschappen en volkeren, talen en koningen vele!
16,12 En de zesde heeft zijn schaal uitgegoten in de grote rivier, de Eufraat; en zijn water droogt op, zodat de weg bereid wordt voor de koningen vanuit de opkomst van de zon.
16,14 dat zijn geesten van demoníeën, die tekenen doen,- die uittrekken naar de koningen van de hele bewoonde (wereld) om hen te verzamelen voor de oorlog op de grote dag van God, de albeheerser.
17, 2 met wie de koningen van de aarde hoereren en wie op de aarde huizen zich bedrinken vanuit de wijn van haar hoererij!
17, 9-10 hier komt het aan op verstand met wijsheid: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw gezeten is; en het zijn ze-ven koningen; [10] de vijf zijn gevallen, de ene is er, de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt moet hij korte tijd verblijven;
17,12-13 en de tien horens die je gezien hebt, zijn tien koningen die het koningschap nog niet aangenomen hebben, echter nemen zij gezag aan als koningen, voor één uur sa-men met het beest; [13] zij zijn één van zin en zij geven hun macht en gezag aan het beest;
17,18 en de vrouw die jij hebt gezien, is de grote stad die koningsmacht heeft over de koningen van de aarde!
18, 3 omdat van de wijn van de hartstocht van haar hoererij alle volken hebben gedron-ken, en de koningen van de aarde met haar hoereren, en de kooplieden van de aarde rijk worden vanuit de macht van haar weelde!
18, 9 En de koningen van de aarde die met haar hoereren en in weelde leven, zullen over haar wenen en weeklagen wanneer zij de rook van haar vuurdood aankijken;
19,18 om het vlees van koningen te eten en het vlees van oversten over duizend, het vlees van sterken, en het vlees van paarden en hen die daarop zitten, het vlees van alle vrijen en dienaars, van kleinen en groten!
19,19 En ik zie het beest en de koningen der aarde en hun legers, verzameld om de oorlog te voeren met hem die op het paard zit en met zijn leger.
21,24 En de volken zullen wandelen in haar licht, en de koningen van de aarde brengen in haar hun glorie.
22, 5 Nacht zal er niet meer zijn, en zij hebben licht van een luchter en licht van een zon niet nodig: de Heer God zal over hen lichten en zij zullen als koningen heersen tot in de eeuwen der eeuwen.
(die ons) liefheeft – ἀγαπᾶν
3, 9 zie, ik geef uit de samenkomst van de satan (mensen) die van zichzelf zeggen dat zij Judeeërs zijn, en het niet zijn, nee, ze liegen; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en zich zullen neerwerpen voor het aanschijn van je voeten en erkennen dat ík je heb liefgekregen;
3,19 ikzelf bestraf en kastijd zovelen als ik maar liefheb; wees dan ijverig en bekeer je;
zonden – ἁμαρτιῶν
18, 4 En ik hoor een andere stem vanuit de hemel zeggen: gaat uit van haar, mijn ge-meente, om geen gemeenschap te hebben met haar zonden, en om van haar slagen niets over te nemen;
18, 5 want haar zonden stapelen zich op tot aan de hemel, en God gedenkt haar ongerech-tigheden;
verlossen / losmaken – λύω
5, 2 En ik zie een sterke engel, met grote stem prekend: wie is waardig de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?
9,14 tot de zesde engel met de trompet zeggen: maak de vier engelen los die zijn vastge-bonden bij de grote rivier, de Eufraat!
9,15 En de vier engelen worden losgemaakt, die gereed gehouden zijn voor het uur en de dag en de maand en het jaar, om het derde deel van de mensen om te brengen.
20, 3 Hij werpt hem in de afgrond, en sluit die en verzegelt die boven hem, zodat hij de volkeren niet meer zal misleiden totdat de duizend jaren tot voleinding zijn gebracht. Daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten.
20, 7 En wanneer de duizend jaren tot voleinding zijn gebracht, zal de satan worden losge-laten uit zijn wachthok.
BLOED – ΑΙΜΑ
1. door zijn bloed
5, 9 En zij zingen een nieuw lied, en zeggen: waardig zijt gij de boekrol aan te nemen en zijn zegels te openen, want gij zijt geslacht en hebt vrijgekocht voor God met uw bloed mensen uit alle stam, taal, gemeenschap en volk;
7,14 En ik heb tot hem gezegd: mijn heer, gíj weet het! En hij zegt tot mij: dat zijn zij die uit de grote verdrukking komen; zij hebben hun gewaden gewassen en witgemaakt in het bloed van het lam;
12,11 en zíj overwinnen hem door het bloed van het lammetje en door het woord van hun getuigenis; zij hebben hun eigen lijf-en-ziel niet lief tot stervens toe;
2. bloed – αιμα
6,10 En zij krijten met grote stem, en zeggen: hoe lang nog, Meester, heilige en waarach-tige, voordat gij oordeelt en rechtens ons bloed wreekt aan hen die op de aarde wonen?
6,12 En ik zie, wanneer hij het zesde zegel opent: en er geschiedt een grote aardbeving en het geschiedt dat de zon zwart wordt als een haren rouwzak, en het geschiedt dat de gehele maan wordt als bloed.
8, 7 En de eerste trompetteert, en het geschiedt: hagel en vuur, met bloed vermengd,
en het wordt op de aarde geworpen, en het derde deel van de aarde brandt af; en het derde deel van de bomen brandt af, en al het groene gras werd afgebrand.
8, 8 En de tweede engel trompettert, en iets als een grote berg, brandend in vuur, wordt in de zee geworpen; en het geschiedt: het derde deel van de zee wordt bloed,
11, 6 Zíj hebben de volmacht de hemel te sluiten, zodat geen stortbui regent gedurende de dagen van hun profeteren. En zij zullen volmacht hebben over de wateren om die in bloed te veranderen, en om de aarde met allerlei plagen te slaan, zo dikwijls als zij maar willen.
14,20 De wijnpers wordt buiten de stad getreden en er komt bloed uit de perskuip tot aan de teugels van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.
16, 3 En de tweede heeft zijn schaal uitgegoten in de zee; en er geschiedt bloed als van een dode, en alle lijf-en-ziel vol leven in de zee, sterft.
16, 4 En de derde heeft zijn schaal uitgegoten in de rivieren en de waterbronnen; en er geschiedt bloed.
16, 6 want bloed van heiligen en profeten hebben zij uitgegoten; nu hebt gij aan hen bloed te drinken gegeven: zij zijn het waard!
17, 6 En ik zie dat de vrouw dronken is van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik ben verwon-derd als ik haar zie, met grote verwondering.
18,24 In haar wordt het bloed van profeten en heiligen gevonden, en van allen die op de aarde afgeslacht zijn.
19, 2 omdat zijn oordelen waarachtig en rechtvaardig zijn; omdat hij de grote hoer heeft geoordeeld, die de aarde met haar hoererij heeft verdorven; en het bloed van zijn dienaren eist hij rechtens op uit haar hand!
19,13 En hij is omworpen met een gewaad gedompeld in bloed, en als naam voor hem is uitgeroepen: ‘het woord van God’.
1, 6 -en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, heiligdomsdienaars voor zijn God en Vader,- aan hem de glorie en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.
16, 3 En de tweede heeft zijn schaal uit-gegoten in de zee; en er geschiedt bloed als van een dode, en alle lijf-en-ziel vol leven in de zee, sterft.
16, 4 En de derde heeft zijn schaal uitgegoten in de rivieren en de waterbronnen; en er geschiedt bloed.
16, 6 want bloed van heiligen en profeten hebben zij uitgegoten; nu hebt gij aan hen bloed te drinken gegeven: zij zijn het waard!
17, 6 En ik zie dat de vrouw dronken is van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik ben verwon-derd als ik haar zie, met grote verwondering.
18,24 In haar wordt het bloed van profeten en heiligen gevonden, en van allen die op de aarde afgeslacht zijn.
19, 2 omdat zijn oordelen waarachtig en rechtvaardig zijn; omdat hij de grote hoer heeft geoordeeld, die de aarde met haar hoererij heeft verdorven; en het bloed van zijn dienaren eist hij rechtens op uit haar hand!
19,13 En hij is omworpen met een gewaad gedompeld in bloed, en als naam voor hem is uitgeroepen: ‘het woord van God’.
17,14 dezen zullen oorlog voeren met het lammetje, en het lammetje zal hen overwinnen omdat hij de Heer der heren is en de Koning der koningen, en zij die met hem zijn:
geroepenen, uitverkorenen en gelovenden!
17,17-18 want God geeft het hun in het hart zijn zin te doen en hen één van zin te doen zijn, en hun koningschap aan het beest te ge-ven, totdat de woorden van God tot volein-ding zijn gebracht; [18] en de vrouw die jij hebt gezien, is de grote stad die koningsmacht heeft over de koningen van de aarde!
19, 6 En ik hoor iets als de stem van een talrijke schare, en als de stem van vele wateren, en als de stem van sterke donderslagen, zeggend: halleluja!, omdat de Heer onze God, de albeheerser, als koning heerst!-
20, 4 En ik zie tronen. En zij gaan daarop zitten en hun wordt oordeelsmacht gegeven. En (ik zie) de zielen van hen die zijn onthoofd om het getuigenis van Jezus en het woord van God, en wel zij die het beest geen hulde hebben gebracht, noch zijn beeld, en het merkte-ken niet op hun voorhoofd of hand hebben aangenomen. En zij beginnen te leven en met de Gezalfde als koning te heersen, duizend jaren.
20, 6 Zalig en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft het tweede sterven geen gezag, nee, zij zullen heiligdomsdienaars zijn van God en van zijn Gezalfde, en zij zullen met hem als koning heersen, duizend jaren.
22, 5 Nacht zal er niet meer zijn, en zij hebben licht van een luchter en licht van een zon niet nodig: de Heer God zal over hen lichten en zij zullen als koningen heersen tot in de eeuwen der eeuwen.
glorie – δόξα
4, 9 En telkens wanneer de levende we-zens glorie en eer en dankzegging geven aan hem die zetelt op de troon, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen,
4,11 waardig zijt gij, onze Heer en God, aan te nemen de glorie en de eer en de kracht, omdat gíj alle dingen hebt geschapen en door úw wil zijn ze geweest en werden zij gescha-pen!
5,12-13 zeggende met grote stem: waardig is het lam dat is geslacht om aan te nemen de kracht, rijkdom en wijsheid, sterkte, eer, glorie en zegening! [13] En ieder schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en op de zee, én alles wat daarin is, hoor ik zeggen: aan hem die op de troon zit en aan het lam, de zegening en de eer, de glorie en de kracht, tot in de eeuwen der eeuwen!
7,12 amen!- de zegen, de glorie en de wijsheid, de dankzegging en de eer, de kracht en de sterkte aan onze God, tot in de eeuwen der eeuwen; amen!
11,13 En op dat uur geschiedt een grote aardbeving en het tiende deel van de stad valt in, en zevenduizend namen van mensen worden in de beving omgebracht. En het geschiedt dat de overigen door vrees bevangen worden, en zij geven glorie aan de God van de hemel.
14, 7 zeggend met grote stem: vreest God en geeft hem glorie, want het uur van zijn oordeel is gekomen; brengt hem hulde die de hemel en de aarde, de zee en de waterbronnen heeft gemaakt!
15, 8 En de tempel wordt gevuld met rook vanuit de glorie van God en zijn macht, en niemand is bij machte geweest de tempel binnen te komen, totdat de zeven slagen van de zeven engelen tot voleinding zijn gebracht.
16, 9 En de mensen worden met grote zeng-ing verzengd, en zij lasteren de naam van God, die het gezag heeft over deze slagen, en zij bekeren zich niet om hem de glorie te geven.
18, 1 Daarna zie ik een andere engel met groot gezag neerdalen uit de hemel, en de aarde wordt verlicht vanuit zijn glorie.
19, 1 Daarna hoor ik iets als de grote stem van een talrijke schare in de hemel, waar ze zeg-gen: halleluja!- de redding en de glorie en de macht zijn van onze God,
19, 7 laten wij ons verheugen en juichen en hem de glorie geven, omdat de bruiloft van het lammetje komt, en zijn vrouw zich toebereidt!-
21,11 met de glorie van God. Haar licht-schijnsel is gelijk allerkostbaarst gesteente, zoals een kristalheldere jaspissteen.
21,23-24 En de stad heeft de zon of de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de glorie van God verlicht haar, en haar luchter is het lammetje. [24] En de volken zullen wan-delen in haar licht, en de koningen van de aarde brengen in haar hun glorie.
21,26 En zij zullen de glorie en de eer van de volken in haar brengen.
kracht – κράτος
5,13 En ieder schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en op de zee, én alles wat daarin is, hoor ik zeggen: aan hem die op de troon zit en aan het lam, de zegening en de eer, de glorie en de kracht, tot in de eeu-wen der eeuwen!
tot in de eeuwen der eeuwen – εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων
1,17b-18 vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste [18] en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen, en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades;
4, 9-10 En telkens wanneer de levende we-zens glorie en eer en dankzegging geven aan hem die zetelt op de troon, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen, [10] vallen de vieren-twintig oudsten neer voor het aanschijn van hem die zetelt op de troon en brengen hulde aan hem die leeft tot in de eeuwen der eeu-wen, en zij werpen hun kronen neer voor het aanschijn van de troon, zeggend:
5,13 En ieder schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en op de zee, én alles wat daarin is, hoor ik zeggen: aan hem die op de troon zit en aan het lam, de zegening en de eer, de glorie en de kracht, tot in de eeu-wen der eeuwen!
10, 6 en zweert bij hem die leeft tot in de eeuwen der eeuwen,- die de hemel en wat erin is, en de aarde en wat erop is, en de zee en wat erin is, heeft geschapen: er zal geen tijd meer zijn;
11,15 En de zevende engel trompettert, en grote stemmen geschieden in de hemel, zeg-gend: nu geschiedt het koningschap over de wereld van onze Heer en zijn Gezalfde; en hij zal als koning heersen tot in de eeuwen der eeuwen!
14,11 en de rook van hun kwelling blijft opstijgen tot in de eeuwen der eeuwen; dag en nacht hebben zij geen rust, die hulde brengen aan het beest en zijn beeld, en al wie het merkteken van zijn naam aanneemt!
15, 7 En een van de vier levende wezens geeft aan de zeven engelen zeven gouden schalen gevuld met de hartstocht van God, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen.
19, 3 En voor een tweede keer hebben ze gezegd: halleluja!- haar rook stijgt op tot in de eeuwen der eeuwen!
20,10 En de uiteenwerper, die hen misleidde, wordt geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest is, en de leugenprofeet, en zij zullen gekweld worden dag en nacht tot in de eeuwen der eeuwen.
22, 5 Nacht zal er niet meer zijn, en zij hebben licht van een luchter en licht van een zon niet nodig: de Heer God zal over hen lichten en zij zullen als koningen heersen tot in de eeu-wen der eeuwen.
amen
1, 7 ‘Zie, hij komt met de wolken’, en elk oog zal hem zien, ook diegenen die hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen!
3,14 En aan de engel van de vergadering in Laodicéa, schrijf: dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het begin van de schepping Gods:
5,14 En de vier levende wezens hebben gezegd: amen! En de oudsten vielen neer en brachten hem hulde.
7,11-12 En alle engelen zijn gaan staan rondom de troon met de oudsten en de vier levende wezens, en zij vallen voor het aanschijn van de troon op hun aanschijn; zij brengen God hulde en zeggen: [12] amen!- de zegen, de glorie en de wijsheid, de dankzegging en de eer, de kracht en de sterkte aan onze God, tot in de eeuwen der eeuwen; amen!
19, 4 En de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens vallen neer en brengen hulde aan God, die gezeten is op de troon, zeggend: amen, halleluja!
22,20 Hij die deze dingen betuigt zegt: ja, ik kom spoedig! Amen, kom Heer Jezus!
1, 7 ‘Zie, hij komt met de wolken’, en elk oog zal hem zien, ook diegenen die hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen!
zie – Ἰδοὺ / ὁρᾶν
2,22 zie, ik werp haar te bed, en degenen die met haar vreemdgegaan zijn in een grote verdrukking,- als zij zich niet bekeren van haar werken;
3, 9 zie, ik geef uit de samenkomst van de satan (mensen) die van zichzelf zeggen dat zij Judeeërs zijn, en het niet zijn, nee, ze liegen; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en zich zullen neerwerpen voor het aanschijn van je voeten en erkennen dat ík je heb lief-gekregen;
3,11 ik kom spoedig; houd vast wat je hebt, opdat niemand je kroon wegneemt;
3,20 zie, ik sta aan de deur en ik klop; indien iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik bij hem binnenkomen en ik zal met hem maaltijd houden en hij met mij;
4, 2 Meteen raak ik in geestvervoering. En zie: een troon is neergezet in de hemel, en op de troon iemand die zit.
5, 5 En een van de oudsten zegt tot mij: ween niet, zie, overwonnen heeft de leeuw, uit de stam van Juda, de wortel van David, om de boekrol te openen met zijn zeven zegels!
6, 2 En ik zie, en zie: een wit paard, en die daarop gezeten is, heeft een boog. En hem wordt een kroon gegeven en hij trekt uit als overwinnaar en om te overwinnen.
6, 5 En toen wanneer hij het derde zegel opent, hoor ik het derde levende wezen zeggen: kom! En ik zie, en zie: een zwart paard, en die daarop gezeten is heeft een weegschaal in zijn hand.
6, 8 En ik zie, en zie: een vaal paard, en die daarop gezeten is, diens naam is ‘gestorven staat’, en het schimmenrijk is het gevolgd; en hun wordt gezag gegeven over het vierde deel van de aarde om dat om te brengen met een zwaard en met honger en sterfte en door de beesten van de aarde.
7, 9 Daarna zie ik, en zie: een grote schare die niemand heeft vermocht te tellen, uit alle volken en stammen, gemeenschappen en talen, staande voor het aanschijn van de troon en voor het aanschijn van het lam, omworpen met witte gewaden, met palmtakken in hun handen;
9,12 Wee één gaat weg; zie, er komen na deze dingen nog twee weeën!
11,14 Het tweede ‘wee’ gaat weg; zie, het derde ‘wee’ komt weldra!
12, 3 En er wordt een ander teken aan de hemel gezien; zie: een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen.
14, 1 En ik zag, en zie: het lammetje staan-de op de berg Sion, en met hem honderdvier-enveertigduizend die zijn naam hebben, en de naam van zijn Vader geschreven op hun voorhoofden.
14,14 En ik zag, en zie: een witte wolk, en op de wolk is gezeten iemand als een mensen-zoon, met op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn hand een scherpe sikkel.
16,15 ‘Zie, ik kom als een dief; zalig is hij die waakt en zijn kleren bewaart, zodat hij niet naakt rondwandelt en men zijn schaamte ziet!’
19,10 En ik val voor zijn voeten neer om hem hulde te bewijzen. En hij zegt tot mij: zie toe, dat je dat niet doet!- ik ben een mededienaar van jou en van je broeders die het getuigenis van Jezus hebben; breng hulde aan God! Want het getuigenis van Jezus is de Geest van de profetie.
19,11 En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en die daarop zit wordt aange-roepen als getrouw en waarachtig, en in ge-rechtigheid oordeelt hij en voert hij oorlog.
21, 3 En ik hoor een grote stem vanuit de troon zeggen: zie, de tent van God is bij de men-sen, en hij zal bij hen zijn tent opslaan en zij zullen zijn gemeenten zijn en God zelf zal bij hen zijn;
21, 5 En die op de troon zit zegt: zie, ik maak alle dingen nieuw! En hij zegt: schrijf dat deze woorden betrouwbaar en waarachtig zijn!
22, 7 en zie, ik kom spoedig!- zalig hij die de woorden van de profetie van dit boek onder-houdt!
22, 8- 9 En ík, Johannes, ben het die deze dingen hoort en bekijkt. En als ik hoor en bekijk, val ik in hulde neer vóór de voeten van de engel die mij deze dingen toont. [9] En hij zegt tot mij: zie toe dat je dat niet (doet)!- ik ben een mededienaar van jou, en van jouw broeders, de profeten, en van hen die de woorden van dit boek onderhouden; breng hulde aan God!
22,12 zie, ik kom spoedig, en mijn loon is bij mij om aan een ieder terug te geven naar zijn werk;
hij komt – ἔρχεται
zie 1, 4 > ‘die is en die was en die komt”
wolk(en)
10, 1 En ik zie een andere sterke engel omworpen met een wolk neerdalen vanuit de he-mel; de regenboog is boven zijn hoofd, zijn aanschijn is als de zon, en zijn voeten als zuilen van vuur.
11,12 En zij horen een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: klimt óp, hierheen! En zij klimmen ten hemel op in de wolk, en hun vijanden aanschouwen hen.
14,14-16 En ik zag, en zie: een witte wolk, en op de wolk is gezeten iemand als een mensen-zoon, met op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn hand een scherpe sikkel. [15] En een andere engel komt uit de tempel, schreeuwend met grote stem tot hem die zetelt op de wolk: zend uw sikkel uit en oogst, want het uur om te oogsten is gekomen, want overrijp is de oogst van de aarde! [16] En die op de wolk zetelt werpt zijn sikkel over de aarde en de aar-de wordt geoogst.
elk oog zal hem zien – ὄψεται αὐτὸν πᾶς ὀφθαλμὸς
alleen in 1, 7
die Hem doorstoken hebben – οἵτινες αὐτὸν ἐξεκέντησαν
alleen in 1,7
ALLE STAMMEN
1. stammen van Israël
7, 4- 8 En ik hoor het aantal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verze-gelden uit alle stammen van zonen van Israël; [5] uit de stam Juda twaalfduizend verzegel-den, uit de stam Ruben twaalfduizend, uit de stam Gad twaalfduizend, [6] uit de stam Aser twaalfduizend, uit de stam Náftali twaalfduizend, uit de stam Manásse twaalfduizend, [7] uit de stam Símeon twaalfduizend, uit de stam Levi twaalfduizend, uit de stam Íssachar twaalf-duizend, [8] uit de stam Zébulon twaalfduizend, uit de stam Jozef twaalfduizend, uit de stam Bénjamin twaalf-duizend verzegelden.
21,12 Ze heeft een grote en hoge muur, ze heeft twaalf poorten, en op de poorten twaalf engelen; en daarop zijn namen geschreven, die zijn de namen van de twaalf stammen van de zonen Israëls.
2. alle stammen der aarde
5, 9 En zij zingen een nieuw lied, en zeg-gen: waardig zijt gij de boekrol aan te nemen en zijn zegels te openen, want gij zijt geslacht en hebt vrijgekocht voor God met uw bloed mensen uit alle stam, taal, gemeenschap en volk;
7, 9 Daarna zie ik, en zie: een grote schare die niemand heeft vermocht te tellen, uit alle volken en stammen, gemeenschappen en talen, staande voor het aanschijn van de troon en voor het aanschijn van het lam, omworpen met witte gewaden, met palmtakken in hun handen;
11, 9 En uit de gemeenschappen en stammen, en talen en volkeren, bekijken ze hun lijk drieëneenhalve dag lang en laten niet toe dat hun lijken in een gedenkplaats worden gelegd.
weeklagen – κόπτομαι
18, 9 En de koningen van de aarde die met haar hoereren en in weelde leven, zullen over haar wenen en weeklagen wanneer zij de rook van haar vuurdood aankijken;
ja (waarachtig!), amen – ναί, ἀμήν
alleen in 1, 7
vgl ook 1,6
13, 7 En hem wordt gegeven oorlog te voeren met de heiligen en hen te overwinnen; hem wordt gezag gegeven over iedere stam en gemeenschap, taal en volk.
14, 6 En ik zie een andere engel in het midden van de hemel vliegen, met een eeuwig-heidsverkondiging om te verkondigen aan hen die op aarde zijn gezeten, aan alle volk en stam, taal en gemeenschap,-
1, 8 Ík ben de alfa en de omega, zegt de Heer God, die is en die was en die komt, de albeheerser.
ik ben de Αlfa en de Omega – ἐγώ ἐιμι τὸ Α καὶ ὁ Ω
ἄλφα – LXX: 0 / Apocalyps: 3
ὦ – LXX: O / Apocalyps: 3
1,11 Zeggende [λεγούσης]: Ik ben de Alfa en de Oméga [ἐγώ ἐιμι τὸ α καὶ ὁ ω], de Eerste en de Laatste [ὁ πρῶτος καὶ ὁ ἔσχατος]; en hetgeen gij ziet [καὶ ὁ βλέπεις], schrijf dat in een boek [γράψον εἰς βιβλίον], en zend het aan de zeven gemeenten [καὶ πέμψον ταῖς ἐκκλησίαις], die in Azië zijn [ταῖς ἐν ἀσία], namelijk naar Éfeze [εἰς Ἔφεσον], en naar Smyrna [καὶ εἰς Σμύρναν], en naar Pérgamus [καὶ εἰς Φέργαμον], en naar Thyatíre [καὶ εἰς Θυάτειρα], en naar Sardis [καὶ εἰς Σάρδεις], en naar Filadelfía [καὶ εἰς Φιλαδέλφειαν], en naar Laodicéa [καὶ εἰς Λαοδίκειαν]. [SV, Griekse tekst volgens de Textus Receptus]
21, 6 En hij zegt tot mij: ze zijn geschied; ík, ik ben de alfa en de oméga, het begin en het einde; ík, ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens, om niet *);
*) of: te geef
22,13 ík, ik ben de alfa en de oméga, de eerste en de laatste, het begin en het einde;
de eerste en de laatste
1,17 En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend: vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste
2, 8 En aan de engel van de vergadering in Smyrna, schrijf: dit zegt de eerste en de laatste, die een dode is geworden en leeft:
22,13 ík, ik ben de alfa en de oméga, de eerste en de laatste, het begin en het einde;
ΚΥΡΙΟΣ Ο ΘΕΟΣ – GOD DE HEER
1. Heer – κύριος / God – θεός
11, 4 Zij zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren die vóór het aanschijn van de Heer van de aarde staan’ (Zach. 4,3 en 11-14)
11,15 En de zevende engel trompettert, en grote stemmen geschieden in de hemel, zeggend: nu geschiedt het koningschap over de wereld van onze Heer en zijn Gezalfde; en hij zal als koning heersen tot in de eeuwen der eeuwen!
11,17 wij danken u, Heer God, albeheerser, die is en die was, dat gij uw grote macht op u neemt en uw koningschap begint;
15, 3 en zij zingen de zang van Mozes, de dienaar van God, en de zang van het lam, met de woorden: groot en wonderbaar zijn uw werken, Heer God, albeheerser; recht-vaardig en waarachtig zijn uw wegen, koning van de volkeren!-
15, 4 wie zou (u) niet vrezen, Heer, en uw naam niet verheerlijken?- want gij alleen zijt heilig; omdat alle volkeren zullen komen en hulde brengen aan uw aanschijn, omdat uw gerechtigheden zijn verschenen!
16, 7 En ik hoor het altaar zeggen: ja, Heer God, albeheerser, waarachtig en rechtvaar-dig zijn uw oordelen!
18, 8 daarom zullen haar slagen op één dag komen, sterfte en rouw en honger, en zal zij in het vuur worden verbrand, omdat de Heer God die haar oordeelt sterk is!
19, 6 En ik hoor iets als de stem van een talrijke schare, en als de stem van vele wate-ren, en als de stem van sterke donderslagen, zeggend: halleluja!, omdat de Heer onze God, de albeheerser, als koning heerst!-
21,22 En een tempel zie ik in haar niet: want de Heer God, de albeheerser, is haar tempel en het lammetje.
22, 5 Nacht zal er niet meer zijn, en zij hebben licht van een luchter en licht van een zon niet nodig: de Heer God zal over hen lichten en zij zullen als koningen heersen tot in de eeuwen der eeuwen.
22, 6 En hij zegt tot mij: deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig; de Heer, de God van de Geesten van de profeten heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te tonen ‘wat spoedig moet geschieden’ (Dan. 2,28);
2. Heer – κύριος / Jezus Christus
11, 8 En hun lijk zal blijven liggen op de straat van de grote stad die geestelijk ‘Sodom’ en ‘Egypte’ als roepnaam heeft, waar ook hun Heer is gekruisigd.
14,13 En ik hoor een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer sterven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrus-ten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!
17,14 dezen zullen oorlog voeren met het lammetje, en het lammetje zal hen overwin-nen omdat hij de Heer der heren is en de Koning der koningen, en zij die met hem zijn: geroepenen, uitverkorenen en gelovenden!
19,16 En hij heeft op zijn gewaad en op zijn dij een naam geschreven staan: ‘KONING DER KONINGEN EN HEER DER HEREN’ – ΒΑΣΙΛΕΥΣ ΒΑΣΙΛΕΩΝ ΚΑΙ ΚΥΡΙΟΣ ΚΥΡΙΩΝ.
22,20-21 Hij die deze dingen betuigt zegt: ja, ik kom spoedig! Amen, kom Heer Jezus! [21] De genade van de Heer Jezus (zij) met allen.
hij die is en die was en die komt – ὁ ὢν καὶ ὁ ἦν καὶ ὁ ἐρχόμενος
zie: 1, 4
de albeheerser – παντοκράτωρ
4, 8 En de vier levende wezens: ieder van hen heeft zes vleugels, rondom en vanbin-nen vol met ogen. En zonder rust zeggen zij dag en nacht: heilig, heilig, heilig de Heer God, (Jes. 6,3) de albeheerser die was en die is en die komt!
11,17 wij danken u, Heer God, albeheerser, die is en die was, dat gij uw grote macht op u neemt en uw koningschap begint;
15, 3 en zij zingen de zang van Mozes, de dienaar van God, en de zang van het lam, met de woorden: groot en wonderbaar zijn uw werken, Heer God, albeheerser; rechtvaar-dig en waarachtig zijn uw wegen, koning van de volkeren!-
16, 7 En ik hoor het altaar zeggen: ja, Heer God, albeheerser, waarachtig en rechtvaar-dig zijn uw oordelen!
16,14 dat zijn geesten van demoníeën, die tekenen doen,- die uittrekken naar de koningen van de hele bewoonde (wereld) om hen te verzamelen voor de oorlog op de grote dag van God, de albeheerser.
19, 6 En ik hoor iets als de stem van een talrijke schare, en als de stem van vele wate-ren, en als de stem van sterke donderslagen, zeggend: halleluja!, omdat de Heer onze God, de albeheerser, als koning heerst!-
19,15 En uit zijn mond gaat voort een scherp zwaard, om daarmee de volkeren te slaan. Zelf zal hij als herder hen weiden met een ijzeren scepter, en zelf treedt hij de perskuip van de wijn van de hartstocht van de toorn van God, de albeheerser.
21,22 En een tempel zie ik in haar niet: want de Heer God, de albeheerser, is haar tempel en het lammetje.
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
ik, Johannes – Ἐγὼ Ἰωάννης
zie: 1,1
broeder – ἀδελφὸς
12,10 En ik hoor een luide stem in de hemel zeggen: nú geschiedt de redding en de kracht, en het koningschap van onze God, en het ge-zag van zijn Gezalfde; want néérgeworpen wordt de aanklager van onze broeders, die hen aanklaagt voor het aanschijn van onze God, dag en nacht;
19,10 En ik val voor zijn voeten neer om hem hulde te bewijzen. En hij zegt tot mij: zie toe, dat je dat niet doet!- ik ben een mededienaar van jou en van je broeders die het getuigenis van Jezus hebben; breng hulde aan God! Want het getuigenis van Jezus is de Geest van de profetie.
22, 9 En hij zegt tot mij: zie toe dat je dat niet (doet)!- ik ben een mededienaar van jou, en van jouw broeders, de profeten, en van hen die de woorden van dit boek onderhouden; breng hulde aan God!
deelgenoot – συγκοινωνὸς / deelhebben aan – συγκοινωνεῖν
18, 4 En ik hoor een andere stem vanuit de hemel zeggen: gaat uit van haar, mijn ge-meente, om geen gemeenschap te hebben met haar zonden, en om van haar slagen niets over te nemen;
verdrukking – θλίφις
2, 9 ik heb wéét van je verdrukking en ar-moede, echter, je bent rijk; ook van de laster van hen die zeggen dat zij Judeeërs zijn en het niet zijn, nee, een samenkomst van satan;
2,10 vrees niet voor wat je gaat lijden; zie, de uiteenwerper gaat er van u in bewaking werpen, om u op de proef te stellen, en ge zult een verdrukking hebben van tien dagen; wees getrouw tot stervens toe en ik zal je geven de kroon des levens;
2,22 zie, ik werp haar te bed, en degenen die met haar vreemdgegaan zijn in een grote verdrukking,- als zij zich niet bekeren van haar werken;
7,14 En ik heb tot hem gezegd: mijn heer, gíj weet het! En hij zegt tot mij: dat zijn zij die uit de grote verdrukking komen; zij heb-ben hun gewaden gewassen en witgemaakt in het bloed van het lam;
koninkrijk – βασιλείᾳ
zie: 1,6
volharding – ὑπομονή
2, 2- 3 ik weet van je werken en de moeite en je volharding, en dat je niet bij machte bent kwade (mensen) te verdragen; en je hebt degenen die zeggen dat ze apostelen zijn en het niet zijn, op de proef gesteld en je hebt hen leugenaars bevonden; [3] en je hebt volharding en je hebt verdragen omwille van mijn naam, en je bent het niet moe geworden;
2,19 ik weet van je werken, je liefde en trouw en dienstbetoon, en je volharding, en dat je laatste werken méér zijn dan de eerste;
3,10 omdat je het woord van mijn volharding hebt bewaard, zal ook ík je bewaren uit het uur van de beproeving dat gaat komen over heel de bewoonde (wereld), om de be-woners van de aarde op de proef te stellen;
13,10 Als iemand in krijgsgevangenschap moet, láát hij in krijgsgevangenschap gaan.
Als iemand door het zwaard moet worden omgebracht, láát hij door het zwaard wor-den omgebracht. Hier komt het aan op de volharding en het geloof van de heiligen.
14,12 Hier komt het aan op de volharding van de heiligen, die de geboden van God en het geloof van Jezus bewaren.
vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus – διὰ τὸν λόγον τοῦ θεοῦ καὶ τὴν μαρτυρίαν Ἰησοῦ
zie: 1,2
geraakte = geschieden = γίνεσθαι / γίνομαι
zie: 1,1
eiland – νήσος
6,14 En de hemel wijkt terug zoals een boekrol die wordt opgerold, en alle berg en eiland,- uit hun plaatsen bewegen ze.
16,20 En elk eiland vlucht weg, en er zijn geen bergen meer te vinden.
Patmos
12,18 En hij gaat staan op het strand van de zee.
1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,
in geestvervoering – εν πνευματι
4, 2 Meteen raak ik in geestvervoering. En zie: een troon is neergezet in de hemel, en op de troon iemand die zit.
17, 3 En hij draagt mij in de Geest weg naar een woestijn; en ik zie een vrouw, gezeten op een scharlakenrood beest vol lasterlijke na-men, met zeven koppen en tien horens.
21,10 En hij brengt mij in geestesadem weg naar een grote en hoge berg, en toont me de heilige stad Jeruzalem, neerdalend uit de hemel van bij God,
Heer – κύριος / Jezus Christus
Heer – κύριος / God – θεός
zie: 1,8
ik hoor een stem
5,11 En ik zie, en ik hoor een stem van vele engelen rondom de troon en de levende we-zens en de oudsten, en hun aantal is geweest tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,
5,13 En ieder schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en op de zee, én alles wat daarin is, hoor ik zeggen: aan hem die op de troon zit en aan het lam, de zegening en de eer, de glorie en de kracht, tot in de eeuwen der eeuwen!
6, 1 En ik zie toe wanneer het lam één uit de zeven zegels opent en ik hoor het eerste van de vier levende wezens zeggen met een stem als van een donderslag: kom!
6, 3 En wanneer hij het tweede zegel opent, hoor ik het tweede levende wezen zeggen: kom!
6, 5 En toen wanneer hij het derde zegel opent, hoor ik het derde levende wezen zeggen: kom! En ik zie, en zie: een zwart paard, en die daarop gezeten is heeft een weegschaal in zijn hand.
6, 6 En ik hoor iets als een stem te midden van de vier levende wezens zeggen: een maat tarwe voor een dagloon en drie maten gerst voor een dagloon, en doe geen onrecht aan de olie en de wijn!
6, 7 En wanneer hij het vierde zegel opent, hoor ik de stem van het vierde levende wezen zeggen: kom!
7, 4 En ik hoor het aantal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verze-gelden uit alle stammen van zonen van Israël;
8,13 En ik zie, en ik hoor één adelaar vliegend in het midden van de hemel met grote stem zeggen: wee, wee!, wee degenen die op de aarde wonen, vanwege de overige trompetstemmen van de drie engelen die nu gaan trompetten!
9,13 En de zesde engel trompettert, en ik hoor één stem uit de vier horens van het gou-den altaar dat voor het aanschijn van God staat
9,16 En het aantal van de legers van de ruiterij is tweemaal tienduizendmaal tiendui-zend; ik hoor hun aantal.
10, 4 En toen de zeven donderslagen spraken, kwam ik op het punt van schrijven, en ik hoor een stem uit de hemel zeggen: verzegel wat de zeven donderslagen hebben gesproken, en schrijf die dingen níet op!
10, 8 En de stem die ik uit de hemel hoorde spreekt weer met mij en zegt: ga heen, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de engel die op de zee en op het land staat!
12,10 En ik hoor een luide stem in de hemel zeggen: nú geschiedt de redding en de kracht, en het koningschap van onze God, en het gezag van zijn Gezalfde; want néérgeworpen wordt de aanklager van onze broeders, die hen aanklaagt voor het aanschijn van onze God, dag en nacht;
14, 2 En ik hoor een stem uit de hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grote donderslag, en de stem die ik hoor is als van citerzangers die citer-spelen.
14,13 En ik hoor een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer sterven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!
16, 1 En ik hoor een grote stem uit de tempel zeggen tot de zeven engelen: gaat heen en giet de zeven schalen van de hartstocht van God uit over de aarde!
16, 5 En ik hoor de engel van de wateren zeggen: rechtvaardig zijt gij, die is en die was, de Heilige, omdat gij in dezen hebt geoordeeld;
16, 7 En ik hoor het altaar zeggen: ja, Heer God, albeheerser, waarachtig en rechtvaar-dig zijn uw oordelen!
18, 4 En ik hoor een andere stem vanuit de hemel zeggen: gaat uit van haar, mijn ge-meente, om geen gemeenschap te hebben met haar zonden, en om van haar slagen niets over te nemen;
19, 1 Daarna hoor ik iets als de grote stem van een talrijke schare in de hemel, waar ze zeggen: halleluja!- de redding en de glorie en de macht zijn van onze God,
19, 6 En ik hoor iets als de stem van een talrijke schare, en als de stem van vele wate-ren, en als de stem van sterke donderslagen, zeggend: halleluja!, omdat de Heer onze God, de albeheerser, als koning heerst!-
21, 3 En ik hoor een grote stem vanuit de troon zeggen: zie, de tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen zijn tent opslaan en zij zullen zijn gemeenten zijn en God zelf zal bij hen zijn;
22, 8 En ík, Johannes, ben het die deze dingen hoort en bekijkt. En als ik hoor en bekijk, val ik in hulde neer vóór de voeten van de engel die mij deze dingen toont.
achter (mij) – ὀπίσω (μου)
12,15 En de slang werpt uit zijn mond water als een rivier achter de vrouw aan, om haar door-de-rivier-meegesleurd te maken.
φωνῇ μεγάλῃ – grote stem; luide stem
1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,
5, 2 En ik zie een sterke engel, met grote stem prekend: wie is waardig de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?
5,12 zeggende met grote stem: waardig is het lam dat is geslacht om aan te nemen de kracht, rijkdom en wijsheid, sterkte, eer, glorie en zegening!
6,10 En zij krijten met grote stem, en zeggen: hoe lang nog, Meester, heilige en waarachtige, voordat gij oordeelt en rechtens ons bloed wreekt aan hen die op de aarde wonen?
7,10 en zij krijten met grote stem, zeggend: de redding is aan onze God, die zetelt op de troon, en aan het lam!
8,13 En ik zie, en ik hoor één adelaar vliegend in het midden van de hemel met grote stem zeggen: wee, wee!, wee degenen die op de aarde wonen, vanwege de overige trompetstemmen van de drie engelen die nu gaan trompetten!
10, 3 En hij schreeuwt met grote stem zoals een leeuw brult. En als hij schreeuwt, spreken de zeven donderslagen met hun eigen stemmen.
11,12 En zij horen een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: klimt óp, hierheen! En zij klimmen ten hemel op in de wolk, en hun vijanden aanschouwen hen.
11,15 En de zevende engel trompettert, en grote stemmen geschieden in de hemel, zeggend: nu geschiedt het koningschap over de wereld van onze Heer en zijn Gezalfde; en hij zal als koning heersen tot in de eeuwen der eeuwen!
12,10 En ik hoor een luide stem in de hemel zeggen: nú geschiedt de redding en de kracht, en het koningschap van onze God, en het ge-zag van zijn Gezalfde; want néér-geworpen wordt de aanklager van onze broeders, die hen aanklaagt voor het aanschijn van onze God, dag en nacht;
14, 7 zeggend met grote stem: vreest God en geeft hem glorie, want het uur van zijn oordeel is gekomen; brengt hem hulde die de hemel en de aarde, de zee en de water-bronnen heeft gemaakt!
14, 9 En een andere, derde, engel volgt hen, zeggend met grote stem: als iemand hul-de brengt aan het beest en zijn beeld, en het merkteken aanneemt op zijn voorhoofd of op zijn hand,
14,15 En een andere engel komt uit de tem-pel, schreeuwend met grote stem tot hem die zetelt op de wolk: zend uw sikkel uit en oogst, want het uur om te oogsten is geko-men, want overrijp is de oogst van de aarde!
14,18 En een andere engel die gezag heeft over het vuur komt uit het altaar, en verheft zijn stem met grote stem tot hem die de scherpe sikkel heeft, zeggend: zwaai jouw scherpe sikkel en zamel de trossen van de wijnstok van de aarde in, want haar druiven zijn rijp!
16, 1 En ik hoor een grote stem uit de tempel zeggen tot de zeven engelen: gaat heen en giet de zeven schalen van de hartstocht van God uit over de aarde!
16,17 En de zevende heeft zijn schaal uitgegoten in de lucht. En er komt een grote stem naar buiten uit de tempel, vanaf de troon, zeggend: het is geschied!
19, 1 Daarna hoor ik iets als de grote stem van een talrijke schare in de hemel, waar ze zeggen: halleluja!- de redding en de glorie en de macht zijn van onze God,
19,17 En ik zie één engel staan in de zon en hij schreeuwt met grote stem, zeggend tot alle vogels die in het hemelmidden vliegen: hierheen!- verzamelt u tot de grote maal-tijd van God,
21, 3 En ik hoor een grote stem vanuit de troon zeggen: zie, de tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen zijn tent opslaan en zij zullen zijn gemeenten zijn en God zelf zal bij hen zijn;
φωνὴ – geluid; klank; stem (excl: grote stem; luide stem.
1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,
1,15b en zijn stem als een stem van vele wateren;
3,20 zie, ik sta aan de deur en ik klop; indien iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik bij hem binnenkomen en ik zal met hem maaltijd houden en hij met mij;
4, 1b En de eerste stem, die ik als een trompet tot mij heb horen spreken, zegt:
4, 5a En van de troon uit gaan bliksemstra-len en stemmen en donderslagen.
5,11a En ik zie, en ik hoor een stem van vele engelen rondom de troon en de levende we-zens en de oudsten,
6, 1b en ik hoor het eerste van de vier levende wezens zeggen met een stem als van een donderslag: kom!
6, 6a En ik hoor iets als een stem te midden van de vier levende wezens zeggen:
6, 7 En wanneer hij het vierde zegel opent, hoor ik de stem van het vierde levende wezen zeggen: kom!
7, 2 En ik zie een andere engel opklimmen vanwaar de zon opgaat: hij heeft het zegel van de levende God en krijt met grote stem tot de vier engelen aan wie het gegeven is om onrecht te doen aan de aarde en de zee,
8, 5 En de engel heeft het wierookvat genomen, en vult het met vuur van het altaar en werpt het op de aarde, en er geschieden donderslagen en stemmen, bliksemstralen en een beving.
9, 9b en het gedruis van hun vleugels is als gedruis van wagens van paarden, vele, die oprukken ten oorlog;
9,13 En de zesde engel trompettert, en ik hoor één stem uit de vier horens van het gouden altaar dat voor het aanschijn van God staat
10, 4 En toen de zeven donderslagen spra-ken, kwam ik op het punt van schrijven, en ik hoor een stem uit de hemel zeggen: verzegel wat de zeven donderslagen hebben gesproken, en schrijf die dingen níet op!
10, 7 echter, in de dagen van het stemge-luid van de zevende engel, wanneer hij op het punt staat te trompetteren, en het geheime-nis van God tot voleinding wordt gebracht, zoals hij verkondigd heeft aan zijn dienaren, de profeten!
10, 8 En de stem die ik uit de hemel hoorde spreekt weer met mij en zegt: ga heen, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de engel die op de zee en op het land staat!
11,19 En geopend wordt de tempel van God in de hemel, en zichtbaar wordt de ark van zijn verbond in zijn tempel; en er geschieden bliksemstralen en stemmen en donder-slagen en een aardbeving en zware hagel.
14,13 En ik hoor een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer sterven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrus-ten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!
16,18 En er geschieden bliksemstralen en stemmen en donderslagen, en er geschiedt een grote beving zoals er niet geschied is sinds er een mens op de aarde is geschied, zo hevig is die beving, zó groot.
18, 2a En met sterke stem schreeuwt hij, zeggend: ten val, ten val komt het grote Bábylon, en het wordt: een behuizing van demoníeën,
18, 4 En ik hoor een andere stem vanuit de hemel zeggen: gaat uit van haar, mijn ge-meente, om geen gemeenschap te hebben met haar zonden, en om van haar slagen niets over te nemen;
18,22 en de stem van citerzangers en musici en fluitspelers en trompettisten zal niet meer in jou worden gehoord; en elke kunstenaar van elke kunst zal in jou niet meer worden gevonden; de stem van een handmolen zal niet meer in jou worden gehoord;
18,23 het schijnsel van een kandelaar zal niet meer in jou schijnen; de stem van brui-degom en bruid zal niet meer in jou worden gehoord; omdat jouw kooplieden de gro-ten van de aarde zijn geweest, omdat door jouw toverij alle volken worden misleid!
19, 5 En een stem trekt uit van de troon, zeggend: looft onze God, zijn naam vreest, de kleinen en de groten!
19, 6 En ik hoor iets als de stem van een talrijke schare, en als de stem van vele wate-ren, en als de stem van sterke donderslagen, zeggend: halleluja!, omdat de Heer onze God, de albeheerser, als koning heerst!-
als een bazuin – ὡς σάλπιγγος
4, 1 Na deze dingen zag ik, en zie: in de hemel is een deur geopend! En de eerste stem, die ik als een trompet tot mij heb horen spreken, zegt: klim hierheen op, en ik zal je tonen ‘wat na deze dingen moet geschieden’ (Dan. 2,29)!
bazuin(en) – σάλπιγγος
8, 2 En ik zie de zeven engelen die voor het aanschijn van God zijn gaan staan, en hun worden gegeven: zeven trompetten.
8, 6- 8 En de zeven engelen met de zeven trompetten maken zich gereed om te trom-petteren. [7] En de eerste trompetteert, en het geschiedt: hagel en vuur, met bloed ver-mengd, en het wordt op de aarde geworpen, en het derde deel van de aarde brandt af; en het derde deel van de bomen brandt af, en al het groene gras werd afgebrand. [8] En de tweede engel trompettert, en iets als een grote berg, brandend in vuur, wordt in de zee geworpen; en het geschiedt: het derde deel van de zee wordt bloed,
8,10 En de derde engel trompettert, en uit de hemel valt een grote ster, brandend als een fakkel; en hij valt op het derde deel van de rivieren en de waterbronnen;
8,12-13 En de vierde engel trompettert, en het derde deel van de zon en het derde deel van de maan en het derde deel van de sterren wordt geslagen, zodat het derde deel van hen verduisterd wordt en de dag niet beschenen wordt voor het derde deel van haar en de nacht evenzo. [13] En ik zie, en ik hoor één adelaar vliegend in het midden van de hemel met grote stem zeggen: wee, wee!, wee degenen die op de aarde wonen, vanwege de overige trompetstemmen van de drie engelen die nu gaan trompetten!
9, 1 En de vijfde engel trompettert, en ik zie een ster, uit de hemel op de aarde geval-len; en hem wordt gegeven de sleutel van de put van de afgrond.
9,13-14 En de zesde engel trompettert, en ik hoor één stem uit de vier horens van het gouden altaar dat voor het aanschijn van God staat [14] tot de zesde engel met de trompet zeggen: maak de vier engelen los die zijn vastgebonden bij de grote rivier, de Eufraat!
10, 7 echter, in de dagen van het stemge-luid van de zevende engel, wanneer hij op het punt staat te trompetteren, en het geheimenis van God tot voleinding wordt gebracht, zoals hij verkondigd heeft aan zijn dienaren, de profeten!
11,15 En de zevende engel trompettert, en grote stemmen geschieden in de hemel, zeggend: nu geschiedt het koningschap over de wereld van onze Heer en zijn Gezalfde; en hij zal als koning heersen tot in de eeuwen der eeuwen!
1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderin-gen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!
1,11 Zeggende [λεγούσης]: Ik ben de Alfa en de Oméga [ἐγώ ἐιμι τὸ α καὶ ὁ ω], de Eerste en de Laatste [ὁ πρῶτος καὶ ὁ ἔσχατος]; en hetgeen gij ziet [καὶ ὁ βλέπεις], schrijf dat in een boek [γράφον εἰς βιβλίον], en zend het aan de zeven gemeenten [καὶ πέμψον ταῖς ἐκκλησίαις], die in Azië zijn [ταῖς ἐν ἀσία], namelijk naar Éfeze [εἰς Ἔφεσον], en naar Smyrna [καὶ εἰς Σμύρναν], en naar Pérgamus [καὶ εἰς Φέργαμον], en naar Thyatíre [καὶ εἰς Θυάτειρα], en naar Sardis [καὶ εἰς Σάρδεις], en naar Filadelfía [καὶ εἰς Φιλαδέλφειαν], en naar Laodicéa [καὶ εἰς Λαοδίκειαν]. [Statenvertaling, vanuit Textus Receptus]
(die) zei – λέγω
4,1; 5,5. 9. 14; 6,16; 7,3. 11. 14; 10,8. 9.11; 17,1. 7. 15; 19,3; 21,5. 6. 9; 22,6
schrijf – γράφω
1,19 schrijf dus op wat je gezien hebt, én wat is én wat op het punt staat te geschieden hierna;
2, 1a Aan de engel van de vergadering in Éfeze,
2, 8a En aan de engel van de vergadering in Smyrna, schrijf:
2,12a En aan de engel van de vergadering in Pérgamum, schrijf:
2,18a En aan de engel van de vergadering in Tyatíra, schrijf:
3, 1a En aan de engel van de vergadering in Sardes, schrijf:
3, 7a En aan de engel van de vergadering in Filadélfia, schrijf:
3,14a En aan de engel van de vergadering in Laodicéa, schrijf:
10, 4 En toen de zeven donderslagen spraken, kwam ik op het punt van schrijven, en ik hoor een stem uit de hemel zeggen: verzegel wat de zeven donderslagen hebben gesproken, en schrijf die dingen níet op!
14,13 En ik hoor een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer sterven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!
19, 9 En hij zegt tot mij: schrijf: zalig zij die geroepen zijn tot de bruiloftsmaaltijd van het lam! En hij zegt tot mij: dit zijn de waar-achtige woorden van God!
21, 5 En die op de troon zit zegt: zie, ik maak alle dingen nieuw! En hij zegt: schrijf dat deze woorden betrouwbaar en waarachtig zijn!
zeven – ἑπτά
zie: 1, 4
vergaderingen – ἐκκλησίαις
zie: 1, 4
zien; zag, gezien
zie: 1,2
(in een) boek – (εἰς) βιβλίον / βίβλος
3, 5 wie overwint, zal zó met witte gewaden worden omworpen, en ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, en ik zal zijn naam belijden voor het aan-schijn van mijn Vader en voor het aanschijn van zijn engelen;
5, 1 En ik zie in de rechterhand van hem die op de troon zat ‘een boekrol vanbinnen en vanbuiten beschreven’ (Ez. 2,9), verzegeld met zeven zegels.
5, 2 En ik zie een sterke engel, met grote stem prekend: wie is waardig de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?
6,14 En de hemel wijkt terug zoals een boekrol die wordt opgerold, en alle berg en eiland,- uit hun plaatsen bewegen ze.
10, 8 En de stem die ik uit de hemel hoorde spreekt weer met mij en zegt: ga heen, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de engel die op de zee en op het land staat!
13, 8 En allen die op de aarde huizen zullen hem hulde brengen, hij wiens naam niet is geschreven in het boek des levens van het lam dat geslacht is vanaf de grondlegging der wereld.
20,12 En ik zie de doden, de grote en de kleine, staande voor het aanschijn van de troon. En boeken worden geopend. Ook een ander boek wordt geopend: dat van het leven. En de doden worden geoordeeld vanuit de dingen die geschreven staan in de boeken, naar hun werken.
20,15 En indien iemand niet gevonden wordt ‘opgeschreven in het boek des levens’, wordt hij geworpen in de poel van het vuur.
22, 7 en zie, ik kom spoedig!- zalig hij die de woorden van de profetie van dit boek onderhoudt!
22,18 Ik betuig, ík, aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: als iemand daaraan toevoegt, God zal hem toevoegen de slagen die in dit boek beschreven staan.
1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,
omkeren – ἐπιστρέφω
alleen in 1,12
22, 8a En ík, Johannes, ben het die deze dingen hoort en bekijkt.
de/een stem zien – βλέπειν τὴν φωνὴν
5,11 En ik zie, en ik hoor een stem van vele engelen rondom de troon en de levende we-zens en de oudsten, en hun aantal is geweest tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,
zien; zag, gezien
zie: 1,2
1. spreken – λαλέω
4, 1 Na deze dingen zag ik, en zie: in de hemel is een deur geopend! En de eerste stem, die ik als een trompet tot mij heb horen spreken, zegt: klim hierheen op, en ik zal je tonen ‘wat na deze dingen moet geschieden’ (Dan. 2,29)!
10, 3- 4 En hij schreeuwt met grote stem zoals een leeuw brult. En als hij schreeuwt, spreken de zeven donderslagen met hun eigen stemmen. [4] En toen de zeven donderslagen spraken, kwam ik op het punt van schrijven, en ik hoor een stem uit de hemel zeggen: verzegel wat de zeven donderslagen hebben gesproken, en schrijf die dingen níet op!
10, 8 En de stem die ik uit de hemel hoorde spreekt weer met mij en zegt: ga heen, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de engel die op de zee en op het land staat!
13, 5 En hem wordt een mond gegeven vol grootspraak en lastering; hem werd gezag gegeven om het tweeënveertig maanden ‘te maken’.
13,11 En ik zie een ander beest opklimmen uit de aarde, en het heeft twee horens gehad, aan een lammetje gelijk, en het heeft gesproken als een draak.
13,15 En hem wordt gegeven het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zal spreken en volvoeren dat zovelen als het beeld van het beest geen hulde brengen, worden omgebracht.
17, 1 Eén van de zeven engelen met de ze-ven schalen komt en spreekt met mij, en zegt: hierheen, ik zal je tonen: het oordeel over de grote hoer, die gezeten is bij vele wateren,
21, 9 Dan komt een van de zeven engelen die de zeven schalen hebben, die vol zijn met de zeven laatste slagen, en spreekt met mij en zegt: hierheen, ik zal je tonen de bruid, de vrouw van het lammetje!
21,15 En hij die met mij sprak had een gouden rietmeetstok bij zich, om de stad en haar poorten en haar muur te meten.
2. spreken, zeggen – λέγω
1,17 En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend: vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste
2, 1 Aan de engel van de vergadering in Éfeze, schrijf: dit zegt hij die de zeven sterren vastheeft in zijn rechterhand, die rondwandelt te midden van de zeven gouden kandelaren:
2, 2 ik weet van je werken en de moeite en je volharding, en dat je niet bij machte bent kwade (mensen) te verdragen; en je hebt degenen die zeggen dat ze apostelen zijn en het niet zijn, op de proef gesteld en je hebt hen leugenaars bevonden;
2, 7 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt; aan de overwin-naar: ik zal hem te eten geven van de boom des levens, die staat in het paradijs van God.
2, 8 En aan de engel van de vergadering in Smyrna, schrijf: dit zegt de eerste en de laatste, die een dode is geworden en leeft:
2, 9 ik heb wéét van je verdrukking en ar-moede, echter, je bent rijk; ook van de laster van hen die zeggen dat zij Judeeërs zijn en het niet zijn, nee, een samenkomst van satan;
2,11 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt; wie overwint zal geenszins worden geschaad door het tweede sterven!
2,12 En aan de engel van de vergadering in Pérgamum, schrijf: dit zegt hij die het tweemondige scherpe zwaard heeft:
2,17 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt; aan de overwin- naar: geven zal ik hem van het verborgen manna en geven zal ik hem een witte steen, en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand weet dan die hem aanneemt!
2,18 En aan de engel van de vergadering in Tyatíra, schrijf: dit zegt de zoon van God, die ogen heeft als een vuurvlam en voeten gelijk geelkoper:
2,20 echter, ik heb tegen je, dat je die vrouw Izébel laat begaan, die van zichzelf zegt dat ze een profetes is, en zij onderricht en misleidt mijn dienaars om te hoereren en afgodenvlees te eten;
2,24-25 maar tot u zeg ik, de overigen in Tyatíra, zovelen als dat onderricht niet aan-hangen, al wie ‘de diepten van satan’, zoals zij zeggen, niet kennen: geen andere last zal ik over u werpen [25] dan vast te houden wat ge hebt totdat ik zal komen;
2,29 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!
3, 1 En aan de engel van de vergadering in Sardes, schrijf: dit zegt hij die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren: ik weet van je werken, dat je de naam hebt dat je leeft, en je bent dood;
3, 6 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!
3, 7 En aan de engel van de vergadering in Filadélfia, schrijf: dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en hij sluit en niemand opent:
3, 9 zie, ik geef uit de samenkomst van de satan (mensen) die van zichzelf zeggen dat zij Judeeërs zijn, en het niet zijn, nee, ze lie-gen; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en zich zullen neerwerpen voor het aanschijn van je voeten en erkennen dat ík je heb liefgekregen;
3,13 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!
3,14 En aan de engel van de vergadering in Laodicéa, schrijf: dit zegt de Amen, de trou-we en waarachtige getuige, het begin van de schepping Gods:
3,17 omdat je zegt: ‘ik ben rijk en heb me rijk gemaakt en heb niets nodig’, en je weet niet dat jij bent: de ellendige en deerniswekkende, en arme en blinde en naakte;
3,22 wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!
7,14 En ik heb tot hem gezegd: mijn heer, gíj weet het! En hij zegt tot mij: dat zijn zij die uit de grote verdrukking komen; zij hebben hun gewaden gewassen en witgemaakt in het bloed van het lam;
15, 3 en zij zingen de zang van Mozes, de dienaar van God, en de zang van het lam, met de woorden: groot en wonderbaar zijn uw werken, Heer God, albeheerser; rechtvaar-dig en waarachtig zijn uw wegen, koning van de volkeren!-
16, 5 En ik hoor de engel van de wateren zeggen: rechtvaardig zijt gij, die is en die was, de Heilige, omdat gij in dezen hebt geoordeeld;
16, 7 En ik hoor het altaar zeggen: ja, Heer God, albeheerser, waarachtig en rechtvaar-dig zijn uw oordelen!
17, 7 En de engel zegt tot mij: door wat ben je verwonderd?- ík zal je het geheim van de vrouw vertellen en van het beest dat haar torst, met de zeven koppen en de tien horens:
19, 3 En voor een tweede keer hebben ze gezegd: halleluja!- haar rook stijgt op tot in de eeuwen der eeuwen!
22,10 En hij zegt tot mij: verzegel níet de woorden van de profetie van dit boek, want het moment is nabij;
22,17 En de Geest en de bruid zeggen: kom! En wie het hoort, laat hij zeggen: kom! En wie dorst heeft: laat hij komen; wie wil, laat hij water van leven aannemen als gift.
22,20 Hij die de-ze dingen betuigt zegt: ja, ik kom spoedig! Amen, kom Heer Jezus!
zeven – ἑπτά
zie: 1,4
kandelaar – λυχνία
1,13 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel;
zeven gouden kandelaren – ἑπτὰ λυχνίας χρυσᾶς
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergade-ringen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
2, 1 Aan de engel van de vergadering in Éfeze, schrijf: dit zegt hij die de zeven sterren vastheeft in zijn rechterhand, die rondwandelt te midden van de zeven gouden kande-laren:
2, 5 gedenk dan vanwaar je bent gevallen en bekeer je en doe je eerste werken; maar zo niet, dan kom ik tot jou en zal ik je kande-laar uit haar plaats bewegen als je je niet bekeert;
11, 4 Zij zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren die vóór het aanschijn van de Heer van de aarde staan’ (Zach. 4,3 en 11-14)
1. goud – χρυσοῦς
1,13 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel;
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergade-ringen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
2, 1 Aan de engel van de vergadering in Éfeze, schrijf: dit zegt hij die de zeven sterren vastheeft in zijn rechterhand, die rondwandelt te midden van de zeven gouden kandelaren:
4, 4 En rondom de troon vierentwintig tronen, en op de tronen vierentwintig oudsten gezeten, omworpen met witte gewaden en op hun hoofden gouden kronen.
5, 8 En als het de boekrol aanneemt, allen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten neer voor het aanschijn van het lam, ieder met een citer en gouden schalen vol reukwerk,- dat zijn de gebeden van de heiligen.
8, 3 En er komt een andere engel die met een gouden wierookvat bij het altaar opge-steld wordt, en hem wordt veel reukwerk gegeven om aan de gebeden van alle heili-gen plaats te geven op het gouden altaar voor het aanschijn van de troon.
9,13 En de zesde engel trompettert, en ik hoor één stem uit de vier horens van het gou-den altaar dat voor het aanschijn van God staat
9,20 En de overige mensen die niet omgebracht worden door die slagen, bekeren zich toch niet van de werken van hun handen, om geen hulde meer te brengen aan de demoníeën en aan de afgoden van goud en zilver, koper, steen en hout, die niet vermo-gen te kijken of horen of voortbewegen.
14,14 En ik zag, en zie: een witte wolk, en op de wolk is gezeten iemand als een mensenzoon, met op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn hand een scherpe sikkel.
15, 6 en de zeven engelen met de zeven slagen komen de tempel uit, bekleed met rein, schitterend linnen, en de borst omgord met gouden gordels.
15, 7 En een van de vier levende wezens geeft aan de zeven engelen zeven gouden schalen gevuld met de hartstocht van God, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen.
17, 4 En de vrouw is omworpen met purper en scharlaken, en rijk versierd met goud en kostbare edelstenen en parels; in haar hand houdt ze een gouden beker vol gruwelijkhe-den, en de onreinheden van haar hoererij.
21,15 En hij die met mij sprak had een gouden rietmeetstok bij zich, om de stad en haar poorten en haar muur te meten.
2. goud – χρυσίον
3,18 ik raad je aan van mij te kopen goud uit vuur doorvuurd, om rijk te worden, en witte gewaden om om te werpen, opdat zo de schande van je naaktheid niet openbaar wordt, en een deegpapje om je ogen te zal-ven, opdat je kunt kijken;
17, 4 En de vrouw is omworpen met purper en scharlaken, en rijk versierd met goud en kostbare edelstenen en parels; in haar hand houdt ze een gouden beker vol gruwelijkhe-den, en de onreinheden van haar hoererij.
18,16 zeggend: wee, wee, de grote stad, omworpen met fijn linnen en purper en scharlaken, en rijk verguld met goud en kost-baar gesteente en parels:
21,18 En haar muur is gebouwd van jaspis; en de stad is puur goud, aan zuiver kristal gelijk.
1,13 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel;
in het midden – ἐν μέσω
2, 1 Aan de engel van de vergadering in Éfeze, schrijf: dit zegt hij die de zeven sterren vastheeft in zijn rechterhand, die rondwandelt te midden van de zeven gouden kande-laren:
4, 6 En voor het aanschijn van de troon iets als een zee van glas, gelijkend op kristal. En te midden van de troon en rondom de troon, vier levende wezens vol ogen voor en achter.
5, 6 En ik zie in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de oudsten een lammetje staan, geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten Gods uitgezonden over de hele aarde.
6, 6 En ik hoor iets als een stem te midden van de vier levende wezens zeggen: een maat tarwe voor een dagloon en drie maten gerst voor een dagloon, en doe geen on-recht aan de olie en de wijn!
7,17 want het lam in het midden van de troon zal hun herder zijn en hun de weg wijzen naar de waterbronnen van het leven; en God zal iedere traan uit hun ogen wegwissen!
22, 2 Midden op haar plein en aan weerszij-den van de rivier geboomte van leven, twaalfmaal vruchtdragend, iedere maand zijn vrucht gevend; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing van de volkeren.
kandelaren – λυχνίας
zie: 1,12
als / gelijk (aan) / lijkt (op) – ὅμοιος
1,15 en zijn voeten gelijk geelkoper, als in een oven vuur-doorgloeid gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;
2,18 En aan de engel van de vergadering in Tyatíra, schrijf: dit zegt de zoon van God, die ogen heeft als een vuurvlam en voeten gelijk geelkoper:
4, 3 En die daar zit, is van aanzien gelijk jaspissteen en sardius. En een regenboog rondom de troon van aanzien gelijk smaragd.
4, 6 En voor het aanschijn van de troon iets als een zee van glas, gelijkend op kristal. En te midden van de troon en rondom de troon, vier levende wezens vol ogen voor en achter.
4, 7 En het eerste levende wezen is gelijk een leeuw, en het tweede levende wezen is gelijk een jonge stier, en het derde levende wezen heeft het aanschijn als van een mens, en het vierde levende wezen is gelijk een adelaar die vliegt.
9, 7 De gelijkenissen van de sprinkhanen zijn gelijkend op paarden, toegerust ten oor-log, op hun koppen iets als kronen gelijkend op goud en hun gelaten zijn als gelaten van mensen;
9,10 zij hebben staarten die lijken op schorpioenen en ook angels, en in hun staarten het gezag de mensen vijf maanden lang schade toe te brengen.
9,19 Want de volmacht van de paarden zit in hun bek en in hun staarten, want hun staarten lijken op slangen met koppen, en daarmee richten zij onrecht aan.
11, 1 En mij wordt een rietstengel gegeven een scepter gelijk, met de woorden: waak op en meet de tempel van God, én het altaar en hen die daarin hulde brengen:
13, 2 En het beest dat ik zie lijkt op een panter, en zijn poten als van een beer en zijn mond als een leeuwenmond. De draak geeft hem zijn kracht en zijn troon en zijn grote gezag.
13, 4 En ze huldigen de draak, omdat hij het gezag aan het beest geeft, en ze huldigen het beest en zeggen: wie is gelijk het beest, en wie vermag met hem oorlog te voeren?
13,11 En ik zie een ander beest opklimmen uit de aarde, en het heeft twee horens gehad, aan een lammetje gelijk, en het heeft gesproken als een draak.
14,14 En ik zag, en zie: een witte wolk, en op de wolk is gezeten iemand als een men-senzoon, met op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn hand een scherpe sikkel.
18,18 En zij schreeuwen als ze aankijken de rook van haar vuurdood, zeggend: wie is gelijk aan de grote stad?
21,11 met de glorie van God. Haar lichtschijnsel is gelijk allerkostbaarst gesteente, zoals een kristalheldere jaspissteen.
21,18 En haar muur is gebouwd van jaspis; en de stad is puur goud, aan zuiver kristal gelijk.
mensenzoon – υἱός ἀνθρώπος
14,14 En ik zag, en zie: een witte wolk, en op de wolk is gezeten iemand als een men-senzoon, met op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn hand een scherpe sikkel.
1. (be)kleden / omworpen – ἐνδύω
15, 6 en de zeven engelen met de zeven slagen komen de tempel uit, bekleed met rein, schitterend linnen, en de borst omgord met gouden gordels.
19,14 En de legers in de hemel volgen hem op witte paarden, omworpen met wit, rein, fijn linnen.
2. (be)kleden / omworpen – περιβάλλω
3, 5 wie overwint, zal zó met witte gewaden worden omworpen, en ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, en ik zal zijn naam belijden voor het aan-schijn van mijn Vader en voor het aanschijn van zijn engelen;
3,18 ik raad je aan van mij te kopen goud uit vuur doorvuurd, om rijk te worden, en witte gewaden om om te werpen, opdat zo de schande van je naaktheid niet openbaar wordt, en een deegpapje om je ogen te zal-ven, opdat je kunt kijken;
4, 4 En rondom de troon vierentwintig tronen, en op de tronen vierentwintig oudsten gezeten, omworpen met witte gewaden en op hun hoofden gouden kronen.
7, 9 Daarna zie ik, en zie: een grote schare die niemand heeft vermocht te tellen, uit alle volken en stammen, gemeenschappen en ta-len, staande voor het aanschijn van de troon en voor het aanschijn van het lam, omworpen met witte gewaden, met palmtakken in hun handen;
7,13 En een van de oudsten antwoordt mij met de woorden: dezen, met de witte gewa-den omworpen, wie zijn zij en waar komen zij vandaan?
10, 1 En ik zie een andere sterke engel omworpen met een wolk neerdalen vanuit de hemel; de regenboog is boven zijn hoofd, zijn aanschijn is als de zon, en zijn voeten als zuilen van vuur.
11, 3 en ik zal mijn twee getuigen opdracht geven en zij zullen profeteren twaalfhon-derdzestig dagen lang, omworpen met rouwzakken!
12, 1 Er wordt een groot teken gezien aan de hemel: een vrouw, omworpen met de zon, en de maan is onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren;
17, 4 En de vrouw is omworpen met purper en scharlaken, en rijk versierd met goud en kostbare edelstenen en parels; in haar hand houdt ze een gouden beker vol gru-welijkheden, en de onreinheden van haar hoererij.
18,16 zeggend: wee, wee, de grote stad, omworpen met fijn linnen en purper en scharlaken, en rijk verguld met goud en kostbaar gesteente en parels:
19, 8 en haar gegeven wordt zich te omwer-pen met schitterend, rein, fijn linnen! Want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.
19,13 En hij is omworpen met een gewaad gedompeld in bloed, en als naam voor hem is uitgeroepen: ‘het woord van God’.
1. gewaad dat tot de voeten reikt – ποδήρης
alleen in 1,13
2. gewaad – ἱμάτιον
3, 4 echter, je hebt in Sardes enkele namen die hun gewaden niet bezoedeld hebben; en zij zullen met mij in witte (gewaden) wande-len, omdat zij het waardig zijn;
3, 5 wie overwint, zal zó met witte gewaden worden omworpen, en ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, en ik zal zijn naam belijden voor het aan-schijn van mijn Vader en voor het aanschijn van zijn engelen;
3,18 ik raad je aan van mij te kopen goud uit vuur doorvuurd, om rijk te worden, en witte gewaden om om te werpen, opdat zo de schande van je naaktheid niet openbaar wordt, en een deegpapje om je ogen te zal-ven, opdat je kunt kijken;
4, 4 En rondom de troon vierentwintig tronen, en op de tronen vierentwintig oudsten gezeten, omworpen met witte gewaden en op hun hoofden gouden kronen.
16,15 ‘Zie, ik kom als een dief; zalig is hij die waakt en zijn kleren bewaart, zodat hij niet naakt rondwandelt en men zijn schaamte ziet!’
19,13 En hij is omworpen met een gewaad gedompeld in bloed, en als naam voor hem is uitgeroepen: ‘het woord van God’.
19,16 En hij heeft op zijn gewaad en op zijn dij een naam geschreven staan: ‘KONING DER KONINGEN EN HEER DER HEREN’ – ΒΑΣΙΛΕΥΣ ΒΑΣΙΛΕΩΝ ΚΑΙ ΚΥΡΙΟΣ ΚΥΡΙΩΝ.
22,14 zalig zij die hun gewaden wassen, opdat hun gezag zal zijn over het geboomte des levens, en zij door de poorten de stad binnenkomen;
3. gewaad – στολή
6,11 En aan ieder van hen wordt een wit gewaad gegeven. En aan hen wordt gezegd nog een korte tijd te rusten, totdat ook het getal van hun mededienaren en broeders vol zal zijn, die omgebracht gaan worden evenals zijzelf.
7, 9 Daarna zie ik, en zie: een grote schare die niemand heeft vermocht te tellen, uit alle volken en stammen, gemeenschappen en ta-len, staande voor het aanschijn van de troon en voor het aanschijn van het lam, omworpen met witte gewaden, met palm-takken in hun handen;
7,13-14 En een van de oudsten antwoordt mij met de woorden: dezen, met de witte gewaden omworpen, wie zijn zij en waar komen zij vandaan? [14] En ik heb tot hem gezegd: mijn heer, gíj weet het! En hij zegt tot mij: dat zijn zij die uit de grote verdrukking komen; zij hebben hun gewaden gewassen en witge-maakt in het bloed van het lam;
22,14 zalig zij die hun gewaden wassen, opdat hun gezag zal zijn over het geboomte des levens, en zij door de poorten de stad binnenkomen;
4. rein schitterend linnen – λίνον καθαρὸν λαμπρὸν
15, 6a en de zeven engelen met de zeven slagen komen de tempel uit, bekleed met rein, schitterend linnen,
omgord met een gouden gordel
15, 6b en de borst omgord met gouden gordels.
tot aan de borst omgord – περιεζωσμένον πρὸς τοῖς μαστοῖς
9, 9 en zij hebben borstpantsers als ijzeren borstpantsers, en het gedruis van hun vleugels is als gedruis van wagens van paarden, vele, die oprukken ten oorlog;
9,17 En zó zie ik dat de paarden eruitzien en die daarop gezeten zijn: met vuurrode, paarse en zwavelgele borstpantsers, en de koppen van de paarden als koppen van leeuwen, en uit hun bekken trekt weg vuur en rook en zwavel.
15, 6 en de zeven engelen met de zeven slagen komen de tempel uit, bekleed met rein, schitterend linnen, en de borst omgord met gouden gordels.
1,14 maar zijn hoofd en haren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vlam van vuur,
zijn hoofd en zijn haren als witte wol – κεφαλὴ αὐτοῦ καὶ αἱ τρίχες λευκαὶ ὡς ἔριον λευκὸν
alleen in 1,14
als sneeuw – ὡς χιὼν
alleen in 1,14
zijn ogen als een vlam van vuur – οἱ ὀφθαλμοὶ αὐ-τοῦ ὡς φλὸξ πυρὸς
2,18 En aan de engel van de vergadering in Tyatíra, schrijf: dit zegt de zoon van God, die ogen heeft als een vuurvlam en voeten gelijk geelkoper:
19,12 Zijn ogen zijn als een vuurvlam, en op zijn hoofd heeft hij vele diademen, met een naam erop geschreven die niemand weet dan hijzelf.
1,15 en zijn voeten gelijk geelkoper, als in een oven vuur-doorgloeid gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;
zijn voeten gelijk koperbrons / geelkoper – οἱ πόδες αὐτοῦ ὅμοιοι χαλκολιβάνῳ
χαλκολίβανον – LXX: 0 maal / Opb: 2 maal
2,18 En aan de engel van de vergadering in Tyatíra, schrijf: dit zegt de zoon van God, die ogen heeft als een vuurvlam en voeten gelijk geelkoper:
als in een oven gloeiend gemaakt – ὡς ἐν κα-μίνῳ πεπυρωμένης
alleen in 1,15
vele wateren – ὑδάτων πολλῶν
14, 2 En ik hoor een stem uit de hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grote donderslag, en de stem die ik hoor is als van citerzangers die citerspelen.
17, 1 Eén van de zeven engelen met de zeven schalen komt en spreekt met mij, en zegt: hierheen, ik zal je tonen: het oordeel over de grote hoer, die gezeten is bij vele wateren,
1,16 in zijn rechterhand heeft hij zeven sterren; uit zijn mond trekt een tweemondig scherp zwaard uit en zijn aanschijn schijnt als de zon in zijn kracht.
In ontwerp
1,17a En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechter-hand op mij, zeggend:
In ontwerp
1,17b-18a vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste [18a] en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen,
In ontwerp
1,18b en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades;
In ontwerp
1,19 schrijf dus op wat je gezien hebt, én wat is én wat op het punt staat te geschieden hierna;
In ontwerp
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergade-ringen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
In ontwerp