Opb 1 – Tekstvergelijkingen met het NT – Brief aan de Hebreeën; Brieven van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas

De Bijbelcitaten zijn overgenomen uit de Naardense Bijbel, met schriftelijke toestemming van uitgeverij Skandalon. Voorlopig is alleen de tekst van Openbaring genomen uit de nieuwe gewijzigde editie van februari 2024. De overige Bijbelcitaten zullen nog worden aangepast aan die editie.

1, 1 Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft om aan zijn dienaars te tonen ‘wat spoedig moet geschieden’, en welke hij in tekenen bekendgemaakt heeft door die te zenden door zijn engel aan zijn dienaar Johannes,

openbaring – Ἀποκάλυψις // openbaren – ἀποκαλυπτω
1 Petrus 1, 3- 5 Gezegend zij de God en Vader van onze Heer, Jezus Christus, die naar de overvloed van zijn ontferming ons opnieuw geboren heeft laten worden tot levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, 4 tot een onbederfelijke, onbesmeurde en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen weggelegd voor u die 5 in kracht van God door geloof wordt bewaard voor een redding die gereed is om geopenbaard – ἀποκαλυπτω – te worden in een laatste tijdsgewricht.

1 Petrus 1, 7 opdat de loutering van uw geloof – die het veel eervoller maakt dan vergankelijk goud dat ook door vuur gelouterd wordt – blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer, in de openbaring – ἀποκαλυψις – van Jezus Christus.

1 Petrus 1,12 Aan hen is geopenbaard – ἀποκαλυπτω – dat zij niet zichzelf maar ú dienden met diezelfde dingen die u nu zijn aangekondigd door wie u – door heilige geestesadem die is uitgezonden uit de hemel – het evangelie hebben verkondigd; dingen waarin engelen begeren een blik te slaan.

1 Petrus 1,13 Omgordt daarom de lendenen van uw denken; weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u wordt gebracht in de openbaring – ἀποκαλυψις – van Jezus Christus.1 Petrus 4,13 nee, verheugt u naarmate ge deel hebt aan al het lijden van de Gezalfde, dan zult ge ook in de openbaring – ἀποκαλυψις – van zijn heerlijkheid u jubelend verheugen!

1 Petrus 5, 1 Oudsten die er onder u zijn roep ik op, als mede-oudste en getuige van alle lijden van de Gezalfde en ook deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard – ἀποκαλυπτω – gaat worden:”[/su_spoiler]

openbaring – Ἀποκάλυψις // openbaren – ἀποκαλυπτω
1 Petrus 1, 3- 5 Gezegend zij de God en Vader van onze Heer, Jezus Christus, die naar de overvloed van zijn ontferming ons opnieuw geboren heeft laten worden tot levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, 4 tot een onbederfelijke, onbesmeurde en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen weggelegd voor u die 5 in kracht van God door geloof wordt bewaard voor een redding die gereed is om geopenbaard – ἀποκαλυπτω – te worden in een laatste tijdsgewricht.

1 Petrus 1, 7 opdat de loutering van uw geloof – die het veel eervoller maakt dan vergankelijk goud dat ook door vuur gelouterd wordt – blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer, in de openbaring – ἀποκαλυψις – van Jezus Christus.

1 Petrus 1,12 Aan hen is geopenbaard – ἀποκαλυπτω – dat zij niet zichzelf maar ú dienden met diezelfde dingen die u nu zijn aangekondigd door wie u – door heilige geestesadem die is uitgezonden uit de hemel – het evangelie hebben verkondigd; dingen waarin engelen begeren een blik te slaan.

1 Petrus 1,13 Omgordt daarom de lendenen van uw denken; weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u wordt gebracht in de openbaring – ἀποκαλυψις – van Jezus Christus.

1 Petrus 4,13 nee, verheugt u naarmate ge deel hebt aan al het lijden van de Gezalfde, dan zult ge ook in de openbaring – ἀποκαλυψις – van zijn heerlijkheid u jubelend verheugen!

1 Petrus 5, 1 Oudsten die er onder u zijn roep ik op, als mede-oudste en getuige van alle lijden van de Gezalfde en ook deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard – ἀποκαλυπτω – gaat worden:

Contrast: Openbaren van wat verborgen is.
1. verbergen; versluieren; omhullen; bedekken – καλύπτω
Jakobus 5,20 die mag weten: wie een zondaar beweegt tot omkeer van zijn dwaalweg zal zijn ziel redden uit de dood en ‘een menigte zonden bedekken’ (Spr. 10,12).

1 Petrus 4, 8 Houdt vóór alle dingen de liefde tot elkander innig, omdat ‘liefde een menigte zonden bedekt’ (Spr. 10,12).

2. verbergen; bedekken, schuil houden; verzwijgen; geheim houden – κρύπτω
Hebreeën 11,23 In geloof is Mozes toen hij was geboren door zijn ouders drie maanden verborgen, omdat zij de schoonheid van het kind hadden gezien, en het bevel van de koning niet vreesden.

Die God hem gegeven heeft
geven – δίδωμι – speciaal: als gave van God
Hebreeën 2,13
en vervolgens: ‘ik zal vaststaan in vertrouwen op hem’ (Jes. 8,17), en vervolgens: ‘ziehier, ik en de kinderen die God mij heeft gegeven’ (Jes. 8,18).

Hebreeën 8,10 omdat dit het verbond is waarmee ik mij aan het huis Israël na die dagen zal verbinden, zegt de Heer: ik zal mijn wetten een plaats geven in hun denken en ze schrijven op hun harten; ik zal hun tot God zijn en zij zullen mij tot gemeente zijn;

Hebreeën 10,16 ‘dit is het verbond waarin ik mij verbinden zal met hen, na die dagen’, zegt de Heer: ‘ik zal mijn wetten geven op hun harten en die ook schrijven op hun denken,

Jakobus 1, 5 En als het iemand van u ont-breekt aan wijsheid, moet hij erom vragen bij God die haar aan allen eenvoudigweg geeft en geen verwijt maakt, en ze zal hem gegeven worden.

Jakobus 4, 6 en nog grotere genade geeft hij; daarom zegt zij: ‘God weerstaat de hovaardigen maar de nederigen geeft hij genade!’ (Spr. 3,34).

Jakobus 5,18 en weer bad hij en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.

1 Petrus 1,21 door hem gelooft ge in God die hem heeft opgewekt uit de doden en hem glorie heeft gegeven, zodat uw geloof en hoop gericht zijn op God.

1 Petrus 5, 5 Evenzo, jongeren: onderschikt u aan ouderen; knoopt allen tegenover elkaar het schort van de nederige bescheidenheid om, omdat ‘God hoogmoedigen weerstaat maar nederigen genade geeft’ (Spr. 3,34).

2 Petrus 3,15 En beschouwt de lankmoedigheid van onze Heer als redding, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid aan u heeft geschreven,

1 Johannes 3, 1 Ziet welk een liefde de Vader ons heeft gegeven, opdat wij werden uitgeroepen tot kinderen Gods,- wat we ook zijn! Daarom erkent de wereld ons niet, omdat ze hem niet heeft leren kennen.

1 Johannes 3,23 En dit is zijn gebod: dat wij zullen geloven in de naam van zijn zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, zoals hij ons als gebod gegeven heeft.

1 Johannes 3,24 Wie zijn geboden houdt blijft in hem, en hij in zo iemand; en hieraan herkennen wij dat hij in ons blijft: uit de geestesadem die hij ons gegeven heeft.

1 Johannes 4,13 Hieraan herkennen wij dat wij in hem blijven en hij in ons: dat hij ons van zijn Geest gegeven heeft.

1 Johannes 5,11 en dit is het getuigenis, dat God ons eeuwig leven heeft gegeven, en dit leven te vinden is in zijn Zoon;

1 Johannes 5,16 Als iemand zijn broeder-of-zuster ziet zondigen,- een zonde die niet ten dode voert, zal hij God vragen en die zal hem leven geven,- voor wie niet ten dode zondigen. Er ís zonde die ten dode voert: niet dáárover zeg ik dat men moet bidden;

1 Johannes 5,20 we weten ook dat Gods Zoon gekomen is en ons verstand gegeven heeft om hem te kennen die de waarachtige is, en wij zijn geworteld in de waarachtige,
in zijn Zoon Jezus Christus; hij is de waarachtige God en het eeuwig leven;

dienaar / knecht – δοῦλος (van God en van Jezus Christus)
Jakobus 1, 1 Jakobus, dienstknecht van God en de Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: vrede-en-vreugde!

1 Petrus 2,16 als vrije mensen, en niet als wie de vrijheid hebben als dekmantel voor kwaadwilligheid, nee, als dienaren van God.

2 Petrus 1, 1 Simeon Petrus dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan hen die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben in de rechtvaardiging van onze God en redder Jezus Christus:

Judas 1, 1 Judas, van Jezus Christus een dienstknecht, en broer van Jakobus,- aan de geroepenen, in God de Vader geliefd en voor Jezus Christus bewaard:

dienaar / knecht – δοῦλος (van het verderf)
2 Petrus 2,19 door hun vrijheid aan te kondigen maar zelf dienstknechten te blijven van het verderf; want door wie men is overmees-terd diens dienstknecht is men geworden!

tonen – δεικνύναι
Hebreeën 8, 5 Zij vereren een aanduiding en schaduw van de hemelse dingen, zoals Mozes ingefluisterd kreeg toen hij op het punt stond de tent te voltooien; want hij verklaart: ‘zie toe dat je alles maakt naar het voorbeeld dat jou is getoond op de berg!’ (Ex. 25,40).

Jakobus 2,18 ‘Nee’, zal iemand zeggen: ‘jíj hebt het geloof en ík heb de werken!- toon míj jouw geloof zonder werken dan zal ík jou uit mijn werken tonen wat mijn geloof is!’

Jakobus 3,13 Wie is er wijs en verstandig bij u?- laat hij door zijn goede wandel
zijn werken tonen, in een zachtmoedigheid die bij wijsheid hoort;

SPOEDIG
1. spoedig; snel – ταχα

ko

2. spoedig; snel – ταχεως
Hebreeën 13,19 des te overvloediger roep ik u op om dat te doen, opdat ik des te sneller bij u word teruggebracht.

Hebreeën 13,23 Weet dat onze broeder Timoteüs is losgelaten; met hem zal ik, als hij snel komt, u zien.

3. spoedig; snel – ταχινος
2 Petrus 1,14 wetend dat de aflegging van mijn tent weldra is, zoals ook onze Heer, Jezus Christus, mij duidelijk heeft gemaakt.

2 Petrus 2, 1 Maar er zijn ook leugen-profeten in de gemeente geweest, zoals er ook bij u leugenleraren zullen zijn, die verderfelijke ketterijen zullen binnensmokkelen; zelfs de meester die hen gekocht heeft zullen ze verloochenen en zo een snel verderf over zich brengen.

4. spoedig; snel – ταχος / ἐν τάχει
niet in de brieven aan de Joodse gemeenten

5. spoedig; snel – ταχυς
Jakobus 1,19 Weet wél, beminde broeders-en-zusters van mij: elke mens moet snel zijn om iets te horen en langzaam om te spreken, langzaam tot toorn;

6. spoedig; snel / want het tijdstip is nabij -ὁ καιρὸς γὰρ ἐγγύς ἐστιν – καιρὸς … ἐγγύς
niet in de brieven aan de Joodse gemeenten

geschieden / zijn / worden / geraken – γίνεσθαι of γίνομαι

teken – σημειον
Hebreeën 2, 4 terwijl God het mede betuigt in tekenen en wonderen en velerlei krachten en uitdelingen van heilige geestesadem, overeenkomstig zijn wil.

1, 2 die getuigd van het woord Gods, en van het getuigenis van Jezus Christus: al wat hij heeft gezien.

1, 3 Zalig die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie en onderhouden wat daarin geschreven is, want het moment is nabij.

1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,

1, 5 en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden, en de overste van de koningen der aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons uit onze zonden heeft verlost door zijn bloed,

1, 6 -en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, heiligdomsdienaars voor zijn God en Vader,- aan hem de glorie en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.

1, 7 ‘Zie, hij komt met de wolken’, en elk oog zal hem zien, ook diegenen die hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen!

1, 8 Ík ben de alfa en de omega, zegt de Heer God, die is en die was en die komt, de albeheerser.

1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.

1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,

1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderingen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!

1,11 Zeggende [λεγούσης]: Ik ben de Alfa en de Oméga [ἐγώ ἐιμι τὸ α καὶ ὁ ω], de Eerste en de Laatste [ὁ πρῶτος καὶ ὁ ἔσχατος]; en hetgeen gij ziet [καὶ ὁ βλέπεις], schrijf dat in een boek [γράφον εἰς βιβλίον], en zend het aan de zeven gemeenten [καὶ πέμψον ταῖς ἐκκλησίαις], die in Azië zijn [ταῖς ἐν ἀσία], namelijk naar Éfeze [εἰς Ἔφεσον], en naar Smyrna [καὶ εἰς Σμύρναν], en naar Pérgamus [καὶ εἰς Φέργαμον], en naar Thyatíre [καὶ εἰς Θυάτειρα], en naar Sardis [καὶ εἰς Σάρδεις], en naar Filadelfía [καὶ εἰς Φιλαδέλφειαν], en naar Laodicéa [καὶ εἰς Λαοδίκειαν]. [Statenvertaling, vanuit Textus Receptus]

1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,

1,13 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel;

1,14 maar zijn hoofd en haren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vlam van vuur,

1,15 en zijn voeten gelijk geelkoper, als in een oven vuur-doorgloeid gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;

1,16 in zijn rechterhand heeft hij zeven sterren; uit zijn mond trekt een tweemondig scherp zwaard uit en zijn aanschijn schijnt als de zon in zijn kracht.

1,17a En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend:

1,17b-18a vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste [18a] en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen,

1,18b en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades;

1,19 schrijf dus op wat je gezien hebt, én wat is én wat op het punt staat te geschieden hierna;

1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergaderingen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!

Over dkaashoek

Bijbel & Theologie
Dit bericht is geplaatst in Hoofdstuk 1. Bookmark de permalink.

Geef een reactie