De Bijbelcitaten zijn voor het grootste deel door mijzelf vertaald [DK] en voor een belangrijk deel genomen uit de bundel: ‘Buiten de vesting’, een verzameling apokriefe teksten vertaald door P. Oussoren [PO] en Renate Dekker [RD]. Met schriftelijke toestemming van uitgeverij Skandalon. Een klein aantal vertalingen zijn genomen uit De pseudepigrafen; de delen 1 en 2, vertaald door M. de Goeij [MdG] en deel 3, vertaald door prof. dr. T. Baarda [TB] Een klein aantal teksten zijn genomen uit de Willibrordvertaling 1978 [Wv78] en de Statenvertaling [SV]. De tekst van Openbaring is genomen uit de Naardense Bijbel; de nieuwe gewijzigde editie van 2024, eveneens met schriftelijke toestemming van uitgeverij Skandalon.
1, 1 Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft om aan zijn dienaars te tonen ‘wat spoedig moet geschieden’, en welke hij in tekenen bekendgemaakt heeft door die te zenden door zijn engel aan zijn dienaar Johannes,
openbaring – Ἀποκάλυψις // openbaren – ἀποκαλυπτω
Sirach 11,27 Een uur vol kwaad doet weelde vergeten, en in het einde van een mens is er de onthulling – ὰποκάλυψις – van zijn werken. [PO]
Sirach 22,22 Als je tegen een vriend een mond opentrekt, trek het je niet aan, er is immers verzoening mogelijk; behalve met een scheldpartij, hoogmoed, onthulling – ὰποκάλυψις – van een geheim en een listige slag: bij die dingen zal elke vriend op de vlucht slaan. [PO]
Sirach 27,16-17 Wie geheimen – μυστήριον – onthult – ἀποκαλύπτω – verliest het vertrouwen en zal nooit een vriend vinden voor zijn ziel. 17 Houd van een vriend en wees vertrouwelijk met hem; maar als je zijn geheimen – μυστήριον – onthult – ἀποκαλύπτω -, jaag hem dan maar niet meer achterna. [PO]
Sirach 41,17a&26 Schaamt u tegenover vader en moeder voor…; 26 voor het verder-vertellen van een woord dat je ook maar gehoord hebt en voor de onthulling – ὰποκά-λυψις – van woorden die verborgen moeten blijven. [PO]
= ~ =
Sirach 42, 1 (Septuagint) Met het herhalen van een woord dat u hoorde en het blootleggen – ὰποκάλυψις – van een geheime raad, zult u werkelijk onbeschaamd handelen, maar gunst vinden in de ogen van alle levenden. Maar schaamt u niet voor deze dingen en zie geen persoon aan tot zonde. [DK]
1 Makkabeeën 7,31 Als het Nikanor bekend wordt dat onthuld – ἀποκαλύπτω – is wat hij wil, trekt hij uit om Judas te ontmoeten in een oorlogstreffen bij Kafar Salama. [PO]
Testament Ruben 3,15 En onmiddellijk onthulde – ἀποκαλύπτω – een engel van God het aan mijn vader. Hij kwam en klaagde over mij en raakte haar nooit meer aan. [DK]
Testament Jozef 6, 6 Merk dan op dat de God van mijn vader mij, door een engel, jullie slechtheid heeft geopenbaard – -, maar ik heb het om deze reden voor mij gehouden: om jullie te beschamen als jullie op de een of andere wijze het zouden inzien en berouw zouden tonen.
Aanhef apocalyptisch boek
2 Henoch – (Slav) Proloog Er was een wijs man, een groot genie, en de Heer kreeg hem lief en nam hem tot zich, opdat hij de allerhoogste woonplaatsen zal zien en een oog-getuige zal zijn van het wijze en grote en onbegrijpelijke en onveranderlijke koninkrijk van de Almachtige God; van de uiterst wonderlijke en heerlijke en blinkende en met vele ogen toegeruste standplaatsen van de knechten van God en van de ontoegankelijke troon van de Heer en van de rangorden en openbaringen van de onlichamelijke legerscharen en van de onuitsprekelijke heerschappij van de me-nigte der hemelse machten en van de veelzijdige verschijningsvormen en onuitsprekelijk gezang van de menigten der cherubim en van het onbegrensde licht. [DK]
3 Baruch (Grieks) – Proloog, 1- 2 Vertelling en Apocalyps – ὰποκάλυψις – van Baruch over de geheimenissen die hij zag op bevel van God. Heer, geef uw zegen! 2 Apocalyps – ὰποκάλυψις -van Baruch, wenend bij de rivier de Kedron over de ge-vangenschap van Jeruzalem, toen Abimelech door de hand van God werd beschermd in het landgoed van Agrippa, die gezeten was bij de schitterende poorten waar het Heilige der Heiligen was. [DK]
Openbaring Ezra proloog De openbaring die aan Ezra en de kinderen van Israël werd gedaan over de aard van het jaar tot begin januari. [DK]
Apocalyps Adam 1, 1- 2 De openbaring die Adam zijn zoon Seth leerde in het zeven-honderdste jaar, zeggende: “luister naar mijn woorden, mijn zoon Seth. 2 Toen God mij samen met Eva, je moeder, uit de aarde schiep, wandelde ik steeds met haar in een glorie die zij had gezien in de eeuwigheid waaruit we zijn voortgekomen. [DK]
Apocalyps Abraham proloog Het boek van de apocalyps van Abraham, zoon van Terah, zoon van Nahor, zoon van Serug, zoon van Arfaksad, zoon van Sem, zoon van Noach, zoon van Lamech, zoon van Methusalem, zoon van Henoch, zoon van Jered. [DK]
CONTRAST: Openbaren van wat verborgen is.
1. verbergen; verborgen houden; verloochenen; uit het gezicht verliezen – ἀποκρύπτω
3 Baruch (Grieks) 9, 7 En ten tijde van de overtreding van de eerste Adam, verlichte zij Samaël, toen hij de slang als kledingstuk nam en zich niet verborg – ἀποκρύπτω -, maar daarentegen groot maakte. En God was toornig op haar, en maakte haar klein en verkortte haar dagen. [DK]
1 Henoch 98, 6 Zondaars! Ik heb u bezworen bij de Heilige Allerhoogste, dat al uw wandaden in de hemelen geopenbaard zijn. En dat geen enkele onderdrukking, door u gepleegd, bedekt – καλύπτω – en verborgen – ἀποκρύπτω – is gebleven. [DK]
Testament Gad 2, 3 Om die reden verkochten Juda en ik hem voor dertig stukken goud aan de Ismaëlieten. Wij verborgen – ἀποκρύπτω -tien stukken en toonden – δείκνυμι – alleen de twintig aan onze broers. [DK]
Jozef & Aseneth 6, 2 Waar zal ik heengaan en waar mij voor zijn aangezicht verbergen – ἀποκρύπτω? Want hoe kan ik Jozef, de zoon van God, nog onder ogen ko-men, nu ik kwaad van hem heb gesproken. [MdG]
Jozef & Aseneth 24,21 Zij kwamen bij de beekbedding en verborgen – ἀποκρύπτω – zich in het riet; vijfhonderd man legerden zich vooraan, aan weerszijden van de grote weg. [MdG]
Sibyllijnse Orakels 4,74-75 Als de Nijl, die de mais voedt, 75 zijn duistere wateren elders onder de aarde verbergt – ἀποκρύπτω. [DK]
2. verbergen; bedekken, schuil houden; verzwijgen; geheim houden – verlooche-nen – κρύπτω
4 Baruch 9, 6 Ik smeek U, Almachtige Heer van de gehele schepping; ongeboren en niet te bevatten. In wie alle oordeel verborgen – κρύπτω – was, voor deze dingen bestonden. [DK]
Jozef & Aseneth 6, 3 Waar zal ik heenvluchten en waar mij verbergen – κρύπτω, want hij ziet elke schuilplaatsen niets van wat verborgen is ontgaat hem, dankzij het grote licht dat in hem is. [MdG]
Testament Job 23,11 Toen zij de broden ontving kwam ze en bracht ze bij mij. Satan volgde haar over de weg, terwijl hij zich schuil hield – κρύπτω – en misleidde haar hart. [DK]
Psalmen Salomo 9, 3 Want niemand die het kwade doet, zal verborgen – κρύπτω – blij-ven voor uw. En de gerechtigheid van de vrome is voor uw aangezicht – ἐνώπιόν, Heer. Waar zal een mens zich dan verbergen voor uw alwetendheid – γνώσεώς, o God! [DK]
3. verbergen; versluieren; omhullen; bedekken – καλύπτω
1 Henoch 14,13 En ik betrad het huis en het was heet als vuur en koud als ijs en er was geen vreugde noch leven in. Vuur overdekte – καλύπτω – mij en siddering greep mij aan. [DK]
1 Henoch 98, 6 Zondaars! Ik heb u bezworen bij de Heilige Allerhoogste, dat al uw wandaden in de hemelen geopenbaard zijn. En dat geen enkele onderdrukking, door u gepleegd bedekt – καλύπτω – en verborgen – ἀποκρύπτω – is gebleven. [DK]
Testament Levi 10, 3 En gij zult wetteloos handelen in Israël, zo dat Jeruzalem de aanwezigheid van uw slechtheid niet zal kunnen verdragen. Maar het voorhang van de tempel zal worden gescheurd, zodat het uw schandelijk gedrag niet meer zal verbergen – καλύπτω. [DK]
Testament Naftali 3, 2 Zon, maan en sterren verloochenen – καλύπτω – niet hun ordening – τάξις; zo zoudt gij de wet van God niet moeten veranderen door uw wanordelijke – ἀταξία – werken – πράξεων. [DK]
Jozef & Aseneth 14,17 Zij schudde de as van haar hoofd, waste haar gezicht met zui-ver water en verborg – καλύπτω – haar hoofd onder een prachtige en fijne sluier. [MdG]
Apocalyps Sadrach 1, 2 We begaan elk uur vele gebreken, dag en nacht. Maar laten wij daarom liefde verwerven, want dat bedekt – καλύπτω – een veelheid van zonden. [DK]
Brief Aristeas 87 De constructie van het altaar werd (in grootte) bepaald door de plaats en de brandoffers die daar plaatsvonden; de trap daarheen ging langzaam op-waarts – uit fatsoen – aangezien de dienstdoende priesters tot aan de enkels in linnen gewaden waren gehuld – καλύπτω. [DK]
Sibyllijnse Orakels 4,49-53 Eerst zullen de Assyriërs heersen over alle stervelingen 50 en de wereld in heerschappij houden gedurende zes geslachten.51 Vanaf de tijd dat de God des hemels toornde 52 evenzo de steden zelf en alle mensen, 53 en de zee bedekte – καλύπτω – de aarde toen de watervloed losbarstte. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,39b-46 Na hem zal heersen 40 met een initiaal van vier, een vervloekte man, maar daarna 41 een respectabel man, met het getal vijftig. Na hem 42 ie-mand die een initiaal, gemarkeerd, van driehonderd behaalde. 43 Een Keltische bergbeklimmer, zich haastend naar een oorlog in het oosten. 44 Hij zal een smadelijke vlucht niet kunnen voorkomen, maar sterven. 45 Stof van een vreemde, een dode, zal hem bedekken – καλύπτω -, 46 met de naam van Nemeïsche bloem. [DK]
4. totaal verborgen, bedekt – συγκαλύπτω
Testament Naftali 9, 2 En toen hij met opgewekte ziel (Ps.Sal 16,12; Test.Abr A20) had gege-ten en gedronken, bedekte – συγκαλύπτω – hij zijn gelaat (Richt 4,19; 1 Kon 21(20), 4; Jubileeën 23, 1; Test.Isaak 5) – πρόσωπον, en stierf. [DK]
Testament Salomo 25, 7- 8 Wij allen naderden de Rode Zee. Toen geschiedde het, op het mo-ment dat de kinderen Israëls overstaken, het water zich naar ons keerde en de menigte van de Egyptenaren bedekte – συγκαλύπτω – (Ex 14,21-31). Ook ik was daar! Ook ik werd overspoeld door het water en ik bleef in de zee, vastgehouden door de pilaar (!) tot de komst van Ephippas. 8 Daarop bezwoer ik, Salomo, hem om de pilaar tot het einde omhoog te houden. [DK]
die God hem gegeven heeft [zie Mt 11,25-27 = Lk 10,21-22 > Πάντα μοι παρεδόθη = ‘alles is aan mij overgegeven door mijn Vader’
1 Henoch 69,27 De zoon des mensen zat op de troon van zijn heerlijkheid. En hem werd gegeven – παραδίδωμι – het gehele gericht [πᾶσα ἡ κρίσις] te voltrekken. En Hij liet de zondaren verdrijven om van de oppervlakte der aarde te worden verdelgd. Evenals degenen die de wereld hebben misleid – οἱ ὁποῖοι ἀπεπλάνησαν τὸν κὀσμον. [DK]
geven – δίδωμι
Judith 14, 9 Als zij ophoudt met spreken juicht de gemeenschap met groot geluid en geeft – δίδωμι – men een vreugdevol geluid te horen in hun stad. [PO]
Wijsheid 14, 3 en uw voorzorg, Vader, bestuurt het, want ook in de zee hebt ge een weg gegeven – δίδωμι – en in de baren een veilig pad, [PO]
Wijsheid 18, 4 Zij immers waren het waard beroofd te worden van licht en bewaakt te worden in duisternis die hadden opgesloten en onder bewaking gesteld: uw zonen en dochters door wie het onverderfelijke licht van een Wet aan een wereldeeuw gegeven – δίδωμι – zou worden. [PO]
1 Makkabeeën 2, 6- 7 Als hij de lasteringen ziet die geschieden in Juda en Jeruzalem, 7 zegt hij: wee mij, waarom ben ik geboren om de verbrijzeling te zien van mijn gemeenschap en de verbrijzeling van de heilige stad?- en om daar neer te zitten terwijl zij vijanden in de hand gegeven – δίδωμι – wordt en het heiligdom in handen is van wie er vreemd aan zijn!- [PO]
1 Makkabeeën 2,50 nú, kinderen, moet ge ijveren voor de Wet en uw zielen geven – δίδωμι – voor het verbond van onze vaderen. [PO]
Testament Ruben 2, 2- 3 Want zeven geesten zijn gesteld tegenover de mensheid. En zij zijn de oorsprongen van de daden van de jeugd. 3 En zeven andere geesten werden bij de schepping aan de mens gegeven – δίδωμι, zodat door hen elke menselijke daad (wordt bedreven).[DK]
Testament Ruben 4, 1 Geef – δίδωμι – je aandacht niet aan de schoonheid van vrouwen, mijn kinderen, en houd je geest niet bezig met hun doen. Maar leef met een oprecht hart in de vreze des Heren en span je in tot goede daden, in leren en in de zorg voor de kudden, totdat de Heer je geeft de gezellin die Hij wil, zodat je niet hoeft te lijden zoals ik. [DK]
Testament Ruben 6, 7 aangezien God aan Levi het gezag heeft gegeven – δίδωμι – en aan Juda met hem. En ook aan mij en aan Dan en aan Jozef, om aanvoerders – ἄρχοντας – te zijn. [DK]
Testament Simeon 4, 5 Bewaar uzelf, mijn kinde-ren, voor alle jaloezie en afgunst. Leef in de oprechtheid van uw hart, zodat God u genade en glorie en zegen op uw hoofd kan geven – δίδωμι, juist zoals u gezien hebt bij Jozef. [DK]
Testament Levi 4, 4- 5 U en geheel uw nageslacht zal worden gezegend, totdat de Heer door het mededogen van zijn Zoon alle volken [πάντα τὰ ἔθνη] zal bezoeken voor eeuwig. 5 Daarom is u raadslag en inzicht gegeven – δίδωμι – zodat gij uw zonen hierin inzicht kunt verschaffen. [DK]
Testament Levi 5, 2- 3 En Hij sprak tot mij: ‘Levi, ik heb u de zegeningen van het priester-schap gegeven – δίδωμι – totdat ik kom en temidden van Israël zal wonen’. 3 Daarna nam de engel mij mee terug naar de aarde en gaf – δίδωμι – mij een schild en een zwaard en zei: ‘Oefen wraak op Sichem vanwege uw zuster Dina en ik zal met u zijn, want de Heer heeft mij gezonden.’ [DK]
Testament Levi 7, 1 En ik zei tegen mijn vader Jakob: ‘Door u zal de Heer de Kanaänieten teniet doen en hun land geven – δίδωμι – aan u en uw nageslacht. [DK]
Testament Levi 8, 4 ‘Weest voortaan priester, gij en uw gehele nageslacht.’ De eerste zalfde mij met heilige olie en gaf – δίδωμι – mij een staf. [DK]
Testament Levi 8, 8 De vijfde gaf – δίδωμι – mij een tak van vruchtbaar hout van een olijf. [DK]
Testament Levi 14, 4 Want wat zullen alle volken [πάντα τὰ ἔθνη] doen, als gij door overtre-dingen verduisterd wordt? Ja, gij zult een vloek over onze natie brengen, omdat het licht van de Thorah, die werd gegeven – δίδωμι – om allen te verlichten, u zal teniet doen gaan door leringen die in strijd zijn met de verordeningen van God. [DK]
Testament Levi 18, 8 Want hij zal de glorie van de Heer geven – δίδωμι – voor eeuwig aan zij die zijn zonen zijn. En er zal tot in eeuwigheid geen zijn die hem opvolgt, van geslacht tot geslacht. [DK]
Testament 18,11-12 Hij zal de heiligen van de boom des Levens te eten geven – δίδωμι -en de Heilige Geest zal op hen zijn. 12 En Belial zal door Hem gebonden worden en Hij zal Zijn kinderen macht geven – δίδωμι – om boze geesten te vertreden. [DK]
Testament 1, 3- 4 Ik was de vierde zoon van mijn vader, Jakob en Lea, mijn moeder noemde mij Juda, zeggende: [4] Dank de Heer, want Hij gaf – δίδωμι – mij een vierde zoon. [DK]
Testament Juda 2, 1 En de Heer schonk – δίδωμι – mij genade bij al mijn ondernemingen, in het veld en in huis. Ik weet dat ik met mijn hard heb gelopen, gevangen en bereid als voedsel voor mijn vader, en hij at het. [DK]
Testament Juda 3, 3 Achor, de koning, een reusachtig man, schoot pijlen, voor en achterwaarts, zittend op een paard; hij tolde een steen van zestig pond, slingerde – δίδωμι (α, β, S1; A: ἀκοντίζω) – die naar zijn paard en doodde het. Nadat ik twee uren gevochten had met Achor. [DK]
Testament Juda 6, 2 En nadat we met hen de strijd waren aangegaan, joegen wij hen op de vlucht, doodden hun bondgenoten uit Siloam en we lieten – δίδωμι – hen geen middelen meer om ons aan te vallen. [DK]
Sibyllijnse Orakels 3,785-788 Verheug je, jonkvrouw, en jubel; want vreugde 786 voor eeuwig heeft jou gegeven – δίδωμι – hij die hemel 787 en aarde heeft geschapen. In jou wil hij [788] wonen, en voor jou zal er het eeuwige licht zijn. [PO]
Psalmen Salomo 5, 9 Gij voedt de vogels en de vissen, zoals gij regen naar de woestijn zendt – δίδωμι, zodat het gras kan ontkiemen. [DK]
dienaar / knecht – δοῦλος
4 Baruch 6,19b Baruch, de knecht – δοῦλος – van God, schrijft aan Jeremia, die in gevangenschap is te Babylon: [DK]
Jubileeën 23,30 Dan zal de Heer zijn knechten – δοῦλος – genezen, en zij zullen opstaan en grote vrede zien. En zij zullen hun vijanden verdrijven, en de rechtvaardi-gen zullen zien en loven, en verheugen zich voor eeuwig en altijd met vreugde; en zij zullen alle oordelen en alle vervloekingen bij hun vijanden zien. [DK]
tonen – δεικνύναι / δείκνυμι
3 Makkabeeën 6,15 Laat het aan alle volken worde getoond, dat u bij ons bent, Here, en dat u uw gezicht niet van ons hebt afgewend, maar zoals u hebt gezegd: “zelfs toen ze in het land van hun vijanden waren, heb ik ze niet verwaarloosd.” Dus breng het tot stand, Here. [DK]
Epistula Ieremiae 66 Ze kunnen onder de volkeren geen tekenen vertonen aan de hemel, niet stralen als de zon en niet lichten als de maan. [PO]
Gr.Apocalyps Ezra 2,26-27 En de profeet zei: “Openbaar uw cherubim en laten we samen naar het gericht gaan. 27 En toon me de aard van de dag van het gericht [DK]
1 Henoch 1, 2 En hij hief zijn spreuk aan [ἀναλαβὼν τὴν παραβολήν] en zei: [Orakel van Henoch], een rechtvaardig man, wiens ogen door God geopend zijn, zag het visioen van de Heilige uit de hemel, dat hij mij toonde. Door het woord van de wachters en de heiligen hoorde ik alles. En toen ik alles van hen hoorde begreep ik ook wat ik zag. Niet tot deze generatie spreek ik maar tot wie ver zijn. [DK]
Testament Job 26, 6 “Zie je niet dat de duivel achter je staat en je redenering in de war brengt, zodat hij mij ook kan bedriegen? Want hij probeert je te laten zien als een van de dwaze vrouwen die de oprechtheid van hun echtgenoten misleiden.” [DK]
Testament Ruben 4, 4 En toch troostte mijn vader mij zeer en bad voor mij tot Adonai, zodat de woede van Adonai aan mij zou voorbijgaan. En zo heeft Adonai mij ook behandeld – δείκνυμι -. Vanaf die tijd tot nu heb ik nauw-lettend de wacht gehouden en heb niet gezondigd. [DK]
Testament Levi 3, 1 Luistert daarom naar de [ze-ven β, Αβ, S1] hemelen die u zijn getoond – δείκνυμι -. De laagste is om deze reden donker: hij ziet alle onrecht van de mensheid. [DK]
Testament Levi 9, 6 En Izaak bleef mij voortdu-rend roepen om mij de wet van de Heer in herinnering te brengen – ὑπόμνησις -, geheel zo-als de engel mij had getoond – δείκνυμι . [DK]
Testament Juda 13, 4 Want ik zei tegen mijn schoonvader: “Ik zal overleggen met mijn va-der en dan zal ik je dochter meenemen.” Maar omdat hij niet wilde wachten, toonde –
δείκνυμι – hij mij een onmetelijke massa goud, die op naam stond van zijn dochter. [DK]
Testament Juda 15, 5 En de engel van God toonde – δείκνυμι – mij dat vrouwen de heer-schappij hebben over zowel de koning als de arme man. [DK]
Testament Gad 2, 3 Om die reden verkochten Juda en ik hem voor dertig stukken goud aan de Ismaëlieten. Wij verborgen – ἀποκρύπτω -tien stukken en toonden – δείκνυμι – alleen de twintig aan onze broers. [DK]
Testament Aser 6, 4 Want het uiteindelijke doel van de mens toont zijn gerechtigheid, zodat het bekend wordt bij de engelen van de Heer en bij Belial. [DK]
Jozef & Aseneth 23, 6 ‘… Maar als jullie niet naar mij luisteren dan dood ik jullie met mijn zwaard.’ En meteen nadat hij dit gezegd had trok hij zijn zwaard en hield het hun voor. [MdG]
SPOEDIG
1. spoedig; snel; wellicht – τάχα
Wijsheid 13, 6 Maar evengoed is hun weinig te verwijten: immers, misschien – τάχα – zijn zij op een dwaalspoor geraakt hoewel zij God zoeken en hem willen vinden. [PO]
Wijsheid 14,19 want wie wellicht – τάχα – een heerser wilde behagen voerde met zijn vakmanschap de gelijkenis op naar het schoon-ste. [PO]
Apocalyps Sadrach 4, 2- 3 Het zou beter zijn voor de mens als hij niet geboren was. 3 Immers – τάχα -, wat hebt u gedaan, mijn Heer; om welke reden hebt u met uw vlekkeloze han- den gewerkt en de mens geschapen, en wilde hem niet genadig zijn?
2. spoedig; snel – ταχεως
Wijsheid 13, 9 vals zij immers in staat zijn dat zij bij machte zijn een vermoeden te heb-ben van de eeuwigheid (of: deze wereldtijd), waarom hebben zij dan niet eerder – ταχεως – de Meester daarvan gevonden? [PO]
Wijsheid 14,28 Immers, óf zij zijn dan met vreugde razend óf profeteren leugens óf leven van ongerechtigheid óf zweren vlotweg – ταχεως – valse eden. [PO]
1 Makkabeeën 2,40 en zegt men, een man tot zijn makker: als wij allen zullen doen zoals onze broeders hebben gedaan en tegen de volkeren geen oorlog voeren voor onze ziel en onze rechtsregels, zullen zij ons nu weldra van de aarde uitroeien! [PO]
3 Makkabeeën 1, 8 Toen de Joden een afvaardiging van de raad en de oudsten stuur-den om hem te begroeten en hem vriendelijk geschenken aan te bieden en hem te feliciteren met zijn prestaties, wilde hij hen des te meer zo snel mogelijk bezoeken. [DK]
1 Henoch 98,16 Daarom zullen zij geen vrede hebben, maar een spoedige dood sterven. [DK]
Testament Issaschar 6, 3 Vertel daarom deze dingen aan uw kinderen zodat ze, ook al zouden ze zondigen, spoedig tot hun Heer kunnen terugkeren. [DK]
Vitae Proph [Habakuk] 12, 7b- 8 Hij begreep dat het volk spoedig uit Babylon zou terugkeren 8 Hij stierf twee jaar voor de terugkeer. [DK]
Jozef & Aseneth 16, 1- 4 Aseneth haastte zich en dekte een nieuwe tafel voor hem en ging brood voor hem halen. En de man zei tegen haar: “Breng mij ook een honingraat.” 2 Aseneth stond stil en was bedroefd omdat ze geen honingraat in haar voorraadkamer had. 3 En de man zei tegen haar: “Waarom sta je stil?” 4 Aseneth zei: “Ik zal een jongen naar de buitenwijk sturen, omdat het veld, dat ons erfdeel is, gesloten is en hij zal snel een honingraat van daar brengen en ik zal het u voorzetten, Heer.” [DK]
Brief Aristeas 291 (De koning) gaf ook deze man zijn gelukwensen met een langdurig applaus en vroeg aan de allerlaatste gast: “Wat is het belangrijkste kenmerk van een koninkrijk?” Hierop antwoordde hij: “Om de onderdanen voortdurend in vrede te brengen en zekerheid te geven tot snelle rechtvaardigheid bij vonnissen.” [DK]
3. spoedig; snel – ταχινός
4. spoedig; snel – τάχος / ἐν τάχει
Sibyllijnse Orakels 1,205-209 Maar ga snel aan boord met je zonen en je vrouw 206 en schoondochters. Roep zoveel als ik u vraag om onder te brengen. 207 Soorten viervoetige dieren, slangen en vogels. 208 Ik zal vervolgens de borsten inbrengen 209 van zovelen als ik het leven gun zodat zij gewillig ingaan. [DK]
5. zich haasten – ταχύνο
Psalmen Salomo 17,45 Moge God over Israël zijn ontferming verhaasten, ons ontrukken aan het onreine gedoe van onheilige vijanden! [PO]
6. spoedig; snel – ταχύς
Jozef & Aseneth 26, 7 Maar Levi, de zoon van Lea, was van dit alles op de hoogte, omdat hij een profeet was, en hij vertelde zijn broers in wat voor een gevaarlijke situatie Aseneth zich bevond. Ieder van hen gespte zijn zwaard aan, bevestigde zijn schild aan zijn arm, nam zijn lans in zijn rechterhand en zo snelden zij Aseneth haastig achterna. [MdG]
Psalmen Salomo 4, 5 In de nacht en in het verborgene zondigt hij alsof niemand het zag. Met zijn ogen spreekt hij tot elke vrouw over wat niet geoorloofd is. Hij is er snel bij om elk huis binnen te gaan alsof hij onschuldig is. [DK]
7. spoedig; snel / want het tijdstip is nabij – wat spoedig moet geschieden – ὁ καιρὸς γὰρ ἐγγύς ἐστιν – καιρὸς … ἐγγύς
moet geschieden / (noodwendig)
Wijsheid 16, 4 Want over de eersten, de onderdrukkers, moest een onverbiddelijk gebrek komen, terwijl 2 Baruch aan de uwen alleen maar moest worden getoond, hoe hun vijanden gekweld werden. [WV78]
Sirach 28, 1 Wie zich wreekt zal van de Heer wraak ondervinden: zijn zonden zal hij bewaren en bewaren. [PO]
2 Baruch 10, 2- 3 ‘Zeg tot Jeremia dat hij naar Babel moet gaan om de gevangenen van het volk te bemoedigen. 3 Maar blijf gij hier op de ruïnes van Sion en na deze dagen zal Ik u bekendmaken wat er aan het einde der dagen zal gebeuren.’ [MdG]
4 Ezra 5,30 Ja, als Gij tóch op uw volk vertoornd zou zijn geworden had Gij het toch moeten tuchtigen met eigen hand! [MdG]
4 Ezra 9,12 en toen er voor hen nog een plaats voor berouw open was en zij dat niet
begrepen maar minachtten,- zij moeten na de dood onder foltering mij erkennen; [PO]
1 Henoch 1, 1- 3 De zegen van Henoch [λογος εὐλογιας Ἑνώχ], waarmee hij de uitverkoren rechtvaardigen heeft gezegend [καθὼς εὐλόγησεν ἐκ-λεκτοὺς δικαίους]: zij die zullen leven in de dag van geweld, als alle zondaren en boosdoeners verdelgd zullen worden en de rechtvaardigen gered zullen worden. 2 En hij hief zijn spreuk aan [ἀναλαβὼν τὴν παραβολήν] en zei: [Orakel van Henoch], een rechtvaardig man, wiens ogen door God geopend zijn, zag het visioen van de Heilige uit de hemel, dat hij mij toonde. Door het woord van de wachters en de heiligen hoorde ik alles. En toen ik alles van hen hoorde begreep ik ook wat ik zag. Niet tot deze generatie spreek ik maar tot wie ver zijn. 3 Ten behoeve van de uitverkorenen spreek ik en tot hen hef ik mijn spreuk aan: [DK]
1 Henoch 91,12-17 En daarna zal zijn een achtste week, die van de gerechtigheid. En er zal gegeven worden een zwaard om te voltrekken een rechtvaardig gericht over de verdrukkers. En zondaren zullen gegeven worden in de handen van de rechtvaardigen. 13 En aan het einde zullen zij huizen verwerven door hun gerechtigheid. En er zal gebouwd worden een huis voor de Grote Koning, in heerlijkheid en tot in eeuwigheid. 14a En daarna, in de negende week, zal het rechtvaardig gericht aan het licht komen voor de gehele wereld. 14b En alle goddeloze werken zullen verdwijnen uit de gehele wereld. 14c En de wereld zal ter vernietiging worden opgeschreven. 14d En de gehele mensheid zal acht geven op de paden van de gerechtigheid. 15 En hierna, in de tiende week, In het zevende deel, zal het grote en eeuwige oordeel uitgesproken worden, waarin Hij over de engelen wraak zal oefenen. 16 En de eerste hemel zal wijken en voorbijgaan; en er zal een nieuwe hemel zijn en alle machten van de hemel zullen zevenvoudig licht geven. 17 En daarna zullen er zijn vele weken, zonder tal en tot in eeuwigheid. En allen zullen wandelen in recht en gerechtigheid. En tot in eeuwigheid zal van zonde geen sprake meer zijn. [DK]
1 Henoch 91, 1 En roep nu al uw broeders bijeen, mijn zoon Methusalem. En verzamel alle zonen van uw moeder bij mij. Want het woord roept mij en de Geest is over mij uitgegoten opdat ik u alles zou tonen wat u tot in de eeuwigheid zal overkomen. [DK]
1 Henoch 93, 1- 4a En daarna gaf Henoch de boeken en somde er uit op. 2 En Henoch sprak: ‘Voor de kinderen der gerechtigheid en voor de uitverkorenen der wereld, En voor de plant van oprechtheid zal ik deze dingen spreken, Ja ik, Henoch, zal ze aan u bekend maken, mijn zonen: zoals met is geopenbaard in hemelse visioenen. En wat ik weet door het woord van heilige engelen. En geleerd van de hemelse schrijftafels.’ 3 En Henoch somde op uit het boek en sprak: ‘Ik ben geboren als de zevende, in de eerste week. Toen recht en gerech-tigheid nog heersten. 4 En na mij zal er, in de tweede week, grote goddeloosheid opkomen. Maar plotseling zal het bedrog tevoorschijn komen; En dan zal de eerste voleinding [τὸ πρῶτον τέλος] aanbreken. [DK]
1 Henoch 102, 6 Als ge sterft zeggen de zondaren over u: ‘het is het noodlot dat de
vromen heeft doen sterven’. Wat is de winst van hun daden? [DK]
1 Henoch 103, 1- 4 Daarom bezweer ik u, rechtvaardigen, bij de heerlijkheid van de grote, geëerde en machtige in heerschappij, en bij Zijn grootheid bezweer ik u. 2 Ik ken een geheimenis, en ik heb gelezen de hemelse schrijftabletten; en ik heb gezien de heilige boeken. En bij het zien ervan heb ik ontdekt wat daarin geschreven en gegraveerd was: 3 Dat al het goede, vreugde en heerlijkheid voor hen bereid zijn. En het staat geschreven over hen die in gerechtigheid gestorven zijn. Dat het goede u overvloedig zal worden gegeven als vergelding voor uw daden. En dat uw deel overvloediger is dan het deel van de levenden. 4 En uw geesten, die in gerechtigheid gestorven zijn, zullen leven en zich verheugen. En hun geesten zullen niet omkomen, nog hun gedachten voor het aangezicht van de Allerhoogste. Tot in alle geslachten der wereld; vreest daarom niet langer hun smaad! [DK]
2 Henoch 50, 4 en elk boos woord, indien het u overkomt ter wille van de HEER, verdraag het; en als je een weerwoord hebt, vergeld het dan niet aan je naaste, want het is de HEER die het vergeldt, en hij zal de wre-ker voor je zijn op de dag van het grote oordeel. [DK]
Testament Salomo 1, 5- 7 Toen ik, Salomo, deze dingen hoorde, ging ik de tempel van God binnen en prees hem dag en nacht, smeekte met heel mijn ziel dat de demon in mijn handen zou worden overgeleverd en dat ik gezag over hem zou mogen hebben. 6 Toen ik bad tot de God van hemel en aarde geschiedde het dat ik van Adonai Sebaoth door de aartsengel Michaël een ring kreeg met een zegel gegraveerd op kostbare steen. 7 Hij zei tot mij: ‘Salomo, zoon van David, neem de gave aan die Adonai Sebaoth je heeft gezonden; (hiermee) zult gij alle demonen, zowel vrouwelijke als mannelijke, gevangen nemen. En wanneer gij dit zegel van God draagt. moet gij met behulp daarvan Jeruzalem bouwen. [DK]
Martyrium Jesaja 1,11-13 En Jesaja zei tot hem (Hizkia) ‘Het plan van Sammaël tegen Manasse is voltooid. Er zal vanaf vandaag geen weldaad meer zijn voor u.’ 12 Hizkia overlegde in zijn hart dat hij zijn zoon Manasse zou doden. 13 Maar Jesaja zei tegen Hizkia: ‘De Geliefde heeft je plan vruchteloos gemaakt, en de overlegging van je hart zal niet geschieden, want met deze roep ben ik geroepen en de erfenis van de Geliefde zal ik erven. [DK]
Martyrium Jesaja 3,24-28 En er zullen veel ontaarde oudsten en herders zijn die hun schapen onrecht aandoen. [En dezen zullen roofzuchtig zijn omdat er geen heilige herders meer zijn.] 25 Velen zullen de heerlijkheid van de kledij der heiligen verwisselen met de mantels van hen die het geld liefhebben; en er zal in die dagen veel aanzien des persoons zijn en liefhebbers van de heerlijkheid die deze wereld biedt. 26 En er zullen tal van lasteraars zijn en (overvloedige) ijdelheid bij de verschijning van de Heer. En de Heilige Geest zal zich van velen terugtrekken. 27 En in die dagen zullen er vele profeten zijn, maar niet die betrouwbare woorden spreken, behalve hier en daar op verschillende plaatsen één. 28 Wegens de geest van dwaling en hoererij en van ijdelheid en liefde voor geld. Deze dingen zullen er zijn onder degenen van wie wordt gezegd dat ze dienaren zijn van de Heer en dat hun verwachting uitgaat naar de Heer. [DK]
Sibyllijnse Orakels 3,572 Een sterke noodzaak [ἀνάγκη] staat er garant voor dat alles zal worden uitgevoerd. [DK]
Sibyllijnse Orakels 8,90-91 Als hongersnood en burgeroorlog geschieden 91 zijn het einde van de wereld en de jongste dag nabij. [DK]
geschieden / zijn / worden / geraken – γίνεσθαι of γίνομαι
NOG UIT TE WERKEN
bekendmaken in tekenen
2 Baruch 25, 1- 4 Hij antwoordde mij: ‘Ook gij zult bewaard worden tot de tijd, tot dat teken, dat de Allerhoogste voor de bewoners der aarde zal doen in het einde der dagen. 2 En dit zal het teken zijn: 3 De bewoners der aarde zullen door een geweldige schrik bevangen worden. Zij zullen in vele benauwdheden vallen; ook zullen zij in geweldige pijnigingen terechtkomen. 4 En het zal geschieden dat zij als gevolg van hun grote verdrukking zullen denken: ‘De Almachtige gedenkt de aarde niet meer.’ En als zij dan de hoop zullen opgeven, dan zal de (nieuwe) tijd ontwaken.’ [MdG]
1 Henoch 106,13 En ik, Henoch, antwoord-de en sprak tot hem: ‘De Heer zal op aarde een nieuw gebeuren voltrekken en ik heb dat al gezien [τεθεαμαι εν ορασει]. En ik maak u bekend, door een teken [καὶ ἐσήμανά σοι], dat in het geslacht van [mijn vader] Jered [ἐν γὰρ τἦ γενεἆ Ἰάρεδ] sommigen van de hemelse engelen het woord van de Heer hebben overtreden. [DK]
1 Henoch 107, 2 Nu dan, mijn zoon, ga en maak uw zoon Lamech bekend met een teken [καὶ σήμανον Λάμεχ], dat de zoon die geboren is, werkelijk zijn zoon is, en dat is geen leugen. [DK]
Ezechiël Trag: Exagoge 83 Vriend van mij! God gaf dit aan jou als een teken [ὲσήμημην θεός] ten goede. [DK]
teken – σημειον
Psalmen Salomo 15, 9 Als door ervaren oorlogshelden zullen zij worden vastgeno-men; het teken van ondergang staat immers op hun voorhoofd. [PO]
door de zending van zijn engel / ‘angelus interpres’
1. *Uriël en Henoch
1 Henoch 21, 5-10 Toen sprak Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was en over hen gesteld was en hij zei: 6 ‘Henoch, waarom vraagt u dit en wilt u de waarheid weten? Dezen waren onder de sterren des hemels overtreders van het gebod van de Heer en zijn hier gebonden tot tienduizend jaar vol zullen zijn – de tijd van hun overtreding. 7 En vandaar ging ik naar een andere plaats die nog afschrikwekkender was dan de vorige; ik zag iets afschuwelijks, een groot vuur dat brandde en oplaaide en er was een nauwe kloof op die plaats die uitmondde in de afgrond. Ze was vol grote vuurzuilen. De afmeting en omvang kon ik niet zien of vermoeden. 8 Toen zei ik: ‘Wat een afschrikwekkende plaats en hoe vreeswekkend om te zien. 9 Toen sprak Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was, en hij zei tot mij: ‘Henoch, waarom bent u bevreesd en zo angstig?’ 10 En ik antwoordde: ‘vanwege deze vreselijke plaats en vanwege dit vreselijke schouwspel.’ En hij zei tot mij: ‘Deze plaats is de gevangenis van de engelen. En hier zullen zij gevangen zijn tot in de eeuwen der eeuwen. [DK]
2. *Rafaël en Henoch
1 Henoch 22, 1-14 Toen vertrok ik naar een andere plaats, en hij toonde mij in het wes-ten een grote en hoge berg van hard gesteente. 2 En daarin waren vier holle plaatsen diep en zeer glad: drie waren donker en één was helder met een fontein van water in het midden. [En ik zei: ‘hoe glad zijn deze holten en diep en donker van aanblik’.] 3 Op dat ogenblik antwoordde Rafaël, één van de heilige engelen, die mij vergezelde en hij zei tot mij: ‘Deze holle plaatsen zijn bestemd om daarin de geesten van de zielen van de doden te verzamelen. 4 En deze plaatsen zijn gemaakt om hen te bewaren tot de dag van het gericht en tot de tijd die hen bepaald is totdat het grote gericht over hen komt. 5 En ik zag de geest van een dode man die een klacht liet horen en zijn klacht steeg op naar de hemel en hij schreeuwde zijn klacht. 6 En ik vroeg Rafaël, de engel die bij mij was en ik zei tot hem: ‘Deze geest, wiens stem roept naar de hemel en een klacht doet horen, wiens geest is dat?’ 7 En hij antwoordde mij en zei: ‘Dit is de geest die uitging van Abel, die door zijn broeder Kain is gedood, en hij roept zijn klacht tegen hem tot zijn zaad van de oppervlakte van de aarde verdelgd is en tot zijn zaad van tussen het zaad der mensen uitgewist zal zijn. 8 Toen vroeg ik naar de holle plaatsen, waarom zij van elkaar afge-zonderd zijn. 9 En hij antwoordde, en zei: “Deze drie zijn gemaakt opdat de geesten van de doden gescheiden zullen worden. Een afzonderlijke plaats is er gemaakt opdat de geesten van de rechtvaardigen afgezonderd zullen zijn waar de verlichte fontein van water is. 10 En deze zijn gemaakt voor de geesten van de zondaars als zij sterven en in de aarde begraven worden en het gericht over hen niet tijdens hun leven heeft plaatsgevonden. 11 Hier zijn hun geesten afgezonderd in deze grote pijn tot de grote dag van het oordeel en over deze vervloekten zal wroeging van de Eeuw komen en smart tot vergelding aan hun geesten. Daar zal hij hen binden tot in de Eeuw. 12 Op deze wijze is er een afscheiding gemaakt voor de zielen die een klacht doen horen, die hun verwoesting kenbaar maakten toen ze werden gedood in de dagen van de overtreders.
13 En er is gemaakt voor de geesten der mensen die niet rechtvaardig waren, maar overtreders, goddelozen en zij waren handlangers van de wettelozen. En hun geesten zullen niet gestraft worden op de dag van het gericht. Ook zullen zij niet uit deze plaats opstaan. 14 Toen zegende ik de Heer der heerlijkheid en zei: ‘Gezegend zijt Gij, Heer der rechtvaardigheid, die de Heer is van de Eeuwigheid’. [DK]
1 Henoch 26, 1-27, 5 En van die plaats uit ging ik naar het midden van de aarde, en ik zag een gezegende plaats met bomen waar-van de takken weelderig bloeiden. 2 En daar zag ik een heilige berg; aan de voet van de oostelijke zijde van de berg bevond zich een beek die in noordelijke richting stroomde.
3 En ik zag aan de andere zijde een berg die nog hoger was. Daar tussen was een diepe, niet uitgestrekte vallei. 4 Langs deze berg stroomde een beek. In westelijke richting was nog een berg; kleiner en van geringe hoogte, met een vallei er onder en daar tussen nog een diepe en droge vallei. 5 De dalen waren smal en bestonden uit hard rotsgesteente en er groeide geen enkele boom. 6 En ik verbaasde mij over de rotsen, en ik verwonderde mij over de vallei. Ik verwonderde mij zeer. 27, 1 Toen zei ik: “wat is het doel van dit gezegende land dat geheel vol bomen is, met in het midden dit vervloekte dal?” 2 Toen ant-woordde Uriël, een van de heilige engelen, die bij mij was en zei: “Dit vervloekte dal is bestemd voor degenen die tot in de Eeuw vervloekt zijn: hier zullen allen verzameld worden, zij die met hun lippen smadelijke woorden tegen de Heer spreken en harde uit-spraken over Zijn heerlijkheid. Hier zullen zij verzameld worden en hier zal de plaats van hun oordeel zijn. 3 Aan het einde der tijden, tijdens de dagen van het van het rechtvaardige gericht voor de ogen van de recht-vaardigen, tot in de Eeuw. De verstandigen zullen de Heer der heerlijkheid, de Koning der Eeuwen, alle dagen prijzen. 4 Zij zullen Hem prijzen vanwege de genade die Hij over hen had uitgestort. 5 Toen zegende ik de Heer der heerlijkheid, en loofde Hem met een lofprijzing waarmee ik Zijn glorie erkende. [DK]
3. *Raguël en Henoch
1 Henoch 23, 1- 4 En van daar werd ik verplaatst naar een ander gebied in westelijke richting naar de einden van de aarde. 2 En ik zag een vuur dat rusteloos voortging en niet vertraagde, niet bij nacht noch bij dag, maar het bleef zich voortbewegen. 3 En ik vroeg: ‘Wat is dit rusteloos verschijnsel?’ 4 Daarop antwoordde Raguël, een van de heilige engelen, die bij mij was, en hij zei: “Dit pad van vuur dat dat naar het westen gaat is het vuur van alle hemelse lichten”. [DK]
4. *Michaël en Henoch
1 Henoch 24, 1 – 25, 7 En van daar ging ik naar een andere plaats op de aarde en hij toonde mij bergen van vuur dat dag en nacht brandde. 2 En ik ging verder en zag zeven schitterende bergen, die alle van elkaar verschilden, met kostbaar en prachtige stenen. Deze waren alle sierlijk van vorm en een prachtige aanblik. Drie in de richting van het oosten, de ene vast verankerd op de andere, en drie in zuidelijke richting, de een op de an-der en diepe, ruwe ravijnen. 3 Geen ervan was nabij de andere. En de zevende berg was in het midden en deze overtrof de andere in hoogte en leek op een troonzetel. 4 En geurige bomen stonden er omheen. En tussen hen was een boom, zoals ik tot nog toe nooit had geroken, geen enkele boom was aan deze boom gelijk. Deze had een alles doordringende geur van alle specerijen, en zijn bladeren en bloesem en de boom verwelken nooit : en zijn vruchten zijn schitterend en lijken op de dadels van een palm. 5 Toen zei ik: “Hoe schitterend is deze boom, en geurend, en haar bladeren zijn mooi en haar bloesem een lust voor het oog.” 6 Toen antwoordde Michaël, een van de heilige engelen die bij mij was, en die over hen gesteld was. 25,1 En hij zei tot mij: “Henoch, waarom vraagt u naar de geur van de boom, en waarom onderzoekt gij om dit te weten? 2 Toen antwoordde ik hem, en zei: “Alle dingen wil ik doorgronden maar boven alles deze boom.” 3 En hij antwoordde en zei: “deze hoge berg, die gij gezien hebt, waarvan de top is als de troon van God is Zijn troon, waarop de hoogste Heer, de Heilige der heerlijkheid, de Koning van de Eeuw, zal zitten, wanneer Hij zal neerdalen om de aarde met Zijn goedheid te bezoeken. 4 En wat deze geurige boom betreft; geen sterveling is het toegestaan haar aan te raken tot het grote gericht, als Hij over alle dingen recht zal doen. Dan zal alles tijdens de Eeuw tot voltooiïng komen en gegeven worden aan de rechtvaardigen en heiligen. 5 Haar vruchten zullen de uitverkorenen tot voedsel dienen; zij zal naar het heiligdom overgeplant worden, naar de tempel van God, de eeuwige Koning.” 6 Dan zullen zij zich zeer verheugen, en blij zijn. En zij zullen het heiligdom binnengaan; Haar geur zal hun gebeente doortrekken. Zij zullen lang leven op aarde, zoals uw vaderen leefden in hun dagen. En kwellingen, rampen en leed zullen hen niet treffen. 7 Toen zegende ik de God der heerlijkheid, de Koning der Eeuwen, die dit alles voor de rechtvaardigen had bereid, geschapen om het hen te geven. [DK]
5. Uriël en Ezra
4 Ezra 4, 1- 5,13
4 Ezra 5,31- 6,34
4 Ezra 8,37-9,25
6. ‘deus interpres’
2 Baruch 22, 1- 30, 5
2 Baruch 39, 1-43, 3
2 Baruch 50, 1-51,16
Apocalyps Abraham 20-31
*Apocalyps Abraham 20, 1- 7 En de Eeuwige, de Almachtige, zei tot mij: “Abraham, Abraham!” 2 En ik zei: “Hier ben ik!” 3 En Hij zei: “kijk van boven af naar de sterren die onder u zijn en tel ze voor mij en zeg mij hun aantal!” 4 En ik zei: “hoe zou ik dat kunnen, want ik ben een mens”. 5 En Hij zei tot mij: “zoals het getal van de sterren en hun menigte, zo zal ik voor uw zaad de volkeren en mensen stellen, apart gezet voor Mij in mijn lot tegen dat van Azazel. 6 En ik zei: “Eeuwige en Almachtige, laat uw dienaar spreken voor uw aangezicht en laat uw woede niet woeden tegen uw uitverkorene. 7 Zie, voor Gij mij naar boven leidde, werd ik door Azazel gehoond. Hoe is, nu hij niet meer voor u staat, uw beleid met hen? [DK]
*Apocalyps Abraham 21, 1- 7 En Hij sprak tot mij: “Zie dan onder uw voeten, naar het firmament, en versta hoe vanouds zowel de schepselen als de eeuw die sindsdien in haar is toebereid, overschaduwd zijn geweest door dit uitspansel. 2 En ik zag onder het uitspansel aan mijn voeten en ik zag de beeltenis van de hemel en de dingen daarin. 3 En daar (zag ik) de aarde en haar vrucht en haar en dat wat in haar beweegt. En dat wat in haar bezield is. En de menigte van mensen en de kwade neiging van hun zielen. En dat wat hen rechtvaardigt en het voortstuwen van hun werken en de afgrond met zijn kwellingen en zijn diepste diepten waarin verderf is. 4 En ik zag de zee en haar eilanden; zowel vee als vissen. En Leviathan en haar rijk en haar nest en haar holen en de bewoonde wereld die zich op haar neerlegt en haar woelingen en de verwoestingen die zij daarmee aanricht in de bewoonde wereld. 5 Daar zag ik de rivieren hun bovenloop (bereiken) met hun omloop. 6 En daar zag ik de tuin van Eden met zijn vruchten en de bron waarvandaan de rivier vloeit. En haar geboomte, vruchtdragend in hun bloei. En daarin zag ik mensen die met oprecht handelen, zowel in voedsel als in slaap. 7 En daar zag ik een grote menigte mannen en vrouwen en kinderen. De helft ter rechterzijde van het schaduwbeeld en de andere helft aan de linkerkant van het schaduwbeeld. [DK]
*Apocalyps Abraham 22, 1- 5 En ik zei, Eeuwige, Almachtige: “wat betekent dit beeld van de schepping?” 2 En Hij zei tot mij: “Dit is mijn wil aangaande wat in het licht staat en het was goed voor mijn aangezicht. En daarna gaf ik hen een bevel door mijn woord, en zij werden tot aanzijn geroepen. Hetgeen ik ook had bepaald, dat het zou bestaan, was daarmee al getekend en alle andere geschapen dingen die gij heb gezien stonden voor mij.” 3 En ik zei: “ O, gij, (die) soeverein (is), machtig en eeuwig! Waarom zijn de mensen op dit schaduwbeeld zowel aan deze als aan de andere zijde?” 4 En Hij zei tot mij: “Deze, aan de linkerzijde zijn een veelvoud van stammen die destijds bestonden… en na u waren het sommigen (die waren) bestemd tot oordeel en recht. Anderen op wraak en verderf aan het einde van de eeuw. 5 Degenen aan de rechterzijde van het schaduwbeeld zijn de mensen die voor Mij apart gezet zijn van de mensen (die) met Azazel (zijn). Deze zijn dege-nen die heb bestemd om uit u geboren te worden om Mijn volk genoemd te worden”. [DK]
*Apocalyps Abraham 23, 1-14 “Ziet nog eens naar het schouwspel: Wie is degene die Eva heeft verleid, en wat is de vrucht van de boom? 2 En je zult weten wat zal zijn en hoeveel zal zijn voor uw zaad in de laatste dagen. 3 En wat je niet kunt begrijpen, zal ik je bekendmaken omdat ik behagen in je heb voor mijn aangezicht en ik zal je vertellen wat ik in mijn hart heb bewaard.” 4 En ik keek naar het schouwspel en mijn ogen bewogen naar de zijde van de tuin van Eden. 5 En daar zag ik een man van zeer grote lengte en ontzagwekkend in breedte, onvergelijkbaar wat betreft aanblik, verstrengeld met een vrouw die in aanblik en omvang gelijk is aan de man. 6 Ze stonden onder een boom van Eden, en de vrucht van de boom leek op een tros drui-ven van de wijnstok. 7 En achter de boom stond (iets) in de gedaante van een draak, echter, met handen en voeten als die van een man, op zijn rug zes vleugels aan de rechterkant en zes aan de linkerkant. 8 Hij hield de druiven van de boom vast en voerde ze aan de twee die ik verstrengeld zag met elkaar. 9 En ik zei: “Wie zijn deze twee met elkaar verstrengeld, of wie is dit tussen hen, en wat is de vrucht die ze eten, Machtige, Eeuwige?”
10 En hij zei: “Dit is de wereld van de mens; dit is Adam en dit is hun denken op aarde, dit is Eva. 11 En hij die tussen hen in staat, is de goddeloosheid van hun gedrag tot de ondergang, Azazel zelf.” 12 En ik zei: ‘Eeuwige, Machtige, waarom hebt gij hem dan zo’n heerschappij toegekend zodat hij door zijn werken de mensheid op aarde in het verderf zou kunnen storten?’ 13 En hij zei tegen mij: “Hoor Abraham! Zij, die het kwaad begeren, en al-len die ik heb gehaat terwijl ze kwaad bedrijven, hen – over hen gaf ik hem heerschappij, en hij zou van hen bemind worden.” 14 En ik antwoordde: en zei: Eeuwige, Machtige! Waarom behaagde het U om het te laten komen tot de begeerte van het kwaad in het hart van de mensen? Met als gevolg dat U toornig zou worden vanwege wat besloten is door uzelf… hem die vruchteloze werken doet in uw licht (?)”. [DK]
*Apocalyps Abraham 24, 1- 9 En aldus sprak Hij tot mij: “Dichtbij de naties… omwille van u en ter wille van degenen die na u zijn afgezonderd, de mensen van uw stam, zoals u zag in het schaduwbeeld, dat zal uw last zijn. 2 En Ik zal u verklaren wat zijn zal en gebeuren in de laatste dagen. 3 Zie nu het geheel, op het schaduwbeeld”. 4 En ik keek en zag daar de wezens die voor bij de schepping tot aanzijn kwamen. 5 En ik zag: Adam en Eva en degene die bij hen was, de sluwe tegenstander en Kaïn die door de tegensander was misleid tot het overtreden van de wet. En (ik zag) Abel, die vermoord was (en) het verderf dat over hem werd, de wetteloze, is gebracht. 6 En daar zag ik ontucht en zij die ernaar verlangden en de bezoedeling en hun ijver; en het vuur van hun verderf in de lagere diepten van de aarde. 7 En ik zag daar diefstal en degenen die daar snel in waren en de ordening van hun vergelding: het oordeel van het grote gericht. 8 Ik zag daar naakte mannen, voorhoofd aan voorhoofd en hun schaamte en de schade, door hen aangericht, bij hun vrienden en wat hun vergelding was. 9 En daar zag ik begeerte, en in haar hand zag ik de oervorm van elke vorm van wetteloosheid; en haar kwellingen en uitwerpingen uit de moederschoot, tot vernietiging. [DK]
*Apocalyps Abraham 25, 1- 6 En ik zag daar het beeld van de god van de afgunst, als een timmermansfiguur, zoals mijn vader die maakte met een lichaam van glinsterend koper. En daar voor een man die hij aanbad 2 En daar tegenover was een altaar en daarop werden jongens geslacht in het aanschijn van de god. 3 En ik zei Hem: “Wat is deze god? Wat is het altaar? Wie zijn degenen die geofferd worden? Wie is de offeraar? Wat is de tempel die ik zie; dat deze kunstzinnig is en de schoonheid van Uw heerlijkheid onder Uw troon?
4 En Hij zei: “Hoor, Abraham! Deze tempel, die je hebt gezien, het altaar en de kunstzinnigheden, dit is mijn ontwerp van het priesterschap in de Naam van Mijn glorie, waar elke smeekbede van de mensheid zal binnenkomen en wonen; de beklimming door koningen en profeten en welk offer ook dat aan mij wordt gebracht, wat ik ook maar beveel aan het volk uit u gaat ontspruiten. 5 En het beeld dat je zag is mijn woede, want de mensen die uit jou voortkomen en naar mij toe komen, zullen mij doen toornen. 6 En degene die je slachtende zag, is hij die mij doet toornen. En het offer is een doden van degenen die voor mij een getuigenis zijn van het eindgericht aan het begin van de schepping. [DK]
*Apocalyps Abraham 26, 1- 7 En ik zei: “Eeuwige, Almachtige! Waarom hebt U dit op deze wijze tot stand gebracht en doet U zo een beroep op hun getuigenissen?”
2 En Hij zei: “Hoor, Abraham, en versta wat ik u zal uiteenzetten en antwoord mij als ik u bevraag! 3 Waarom gehoorzaamde uw vader Terah niet uw stem en gaf hij niet prijs de de-monische aanbidding van afgoden, totdat hij omkwam en zijn hele huis met hem? 4 En ik zei: “Eeuwige, Almachtige! Zeker, omdat het hem niet behaagde mij te gehoorzamen. Evenmin volgde ik zijn werken na”. 5 En Hij zei: “Hoor, Abraham, zoals de wil van uw vader in hem is; zoals uw wil in u is; zo is het ook met de wil van mijn beraadslaging. 6 In de komende dagen zul je ze niet vooraf kennen, noch van de mannen van de toekomst zul je zien met eigen ogen zien dat ze van jouw zaad zijn. 7 Zie naar het schaduwbeeld! [DK]
*Apocalyps Abraham 27, 1-12 En ik keek, zag en zie, het schaduwbeeld wisselde en vanaf de linker-zijde rende een menigte heidenen naar buiten en namen de mannen, vrouwen en kinderen, die ter rechter zijde waren, gevangen. 2 Sommigen slachtten zij en anderen hielden ze bij zich. 3 Zie, ik zag (hen) naar hen toe rennen langs vier beklimmingen en zij verbrandden de tempel met vuur en zij plunderden de heilige voorwerpen die daarbinnen waren. En ik zei: 4 “Eeuwige, de mensen, die U van mij hebt gekregen, worden beroofd door de horden van de heidenen. 5 Zij doden sommigen en houden anderen voor vreemdelingen. En zij hebben de tempel met vuur verbrand en roven en vernietigen de schatten die daar binnen zijn. 6 Eeuwige, Almachtige! Als dit zo is, waarom hebt U mijn hart gekweld en waarom zal het zo zijn?” 7 En Hij zei tegen mij: “Luister, Abraham, alles wat u hebt gezien zal gebeuren vanwege uw zaad dat mij (voortdurend) prikkelt vanwege het beeld dat je gezien hebt en het moorden in wat werd afgebeeld in de tempel van naijver. En alles wat u zag zal zo zijn.”
8 En ik zei: “Eeuwige, Almachtige! Laat de kwade werken (gedaan) in ongerechtigheid nu voorbijgaan; en maak daarin geboden, meer dan zijn rechtvaardige werken. 9 Want Gij kunt dit doen!” 10 En Hij zei tegen mij: “Opnieuw zal de tijd van gerechtigheid over hen komen, eerst door de heiligheid van koningen. 11 en Ik zal met gerechtigheid oordelen over hen die Ik als eerste heb geschapen, om bij hen te heersen over hen. 12 En uit dezen zullen voortkomen mannen, die zich voor hen zullen beijveren, zoals ik u heb getoond en zoals gij schouwde.” [DK]
*Apocalyps Abraham 28, 1- 5 En ik antwoordde en zei: “Machtige; Eeuwige; gij geheiligd door uw macht, betoon mij genade in mijn smeekbede, want daartoe heb gij mij openbaring gegeven en ook getoond. 2 Want hij hebt mij onderwezen tot op uw hoogten. Openbaar mij, als uw geliefde, wat ik u ook vraag: zal wat ik heb gezien voor lang hun lot zijn?” 3 En hij toonde mij een groot deel van zijn volk. 4 En hij zei tot mij: “Hierom, vanwege de vier afdalingen die gij zag, zal mijn toorn over hen woeden, en dit zal de vergelding zijn voor hun werken. 5 En de vierde afdaling omvat honderd jaar. En één uur van die eeuw zal ook honderd jaar van slechtheid zijn onder de heidenen en één uur genade, zelfs met schande zoals bij de heidenen.” [DK]
*Apocalyps Abraham 29, 1-21
*Apocalyps Abraham 30, 1- 8
*Apocalyps Abraham 31, 1- 8
NOG TE VERTALEN
7. *Ezra en de Mensenzoon
4 Ezra 13, 1-56
1, 2 die getuigt van het woord Gods, en van het getuigenis van Jezus Christus: al wat hij heeft gezien.
getuigen – μαρτυρέω
1 Makkabeeën 2,35-38 Zij beginnen onmiddellijk de oorlog tegen hen, 36 en zíj beantwoorden dat niet, slingeren geen steen naar hen en stoppen de schuilplaatsen niet dicht, 37 zeggend: laten wij in onze eenvoud sterven; over ons getuigt de hemel, en de aarde, dat ge ons tegen alle recht ombrengt! 38 Zo staan zij tegen hen op in een oorlog op de sabbat, en sterven zij, zijzelf, hun vrouwen, hun kinderen en hun vee,- tegen de duizend mensenzielen.
het woord Gods – τὸν λόγον τοῦ θεοῦ
Judith 16,14 u dienen moet heel uw schepping; want gij hebt gezegd en zij zijn gewor-den, gij hebt uw Geest uitgezonden en die bouwt op; geen is er die uw stem zal weerstaan; [PO]
Wijsheid 9, 1 God der vaderen en heer vol ontferming, die alle dingen gemaakt hebt door uw woord [PO]
Wijsheid 18,14-16 Immers, terwijl een rustig zwijgen alles omgaf en de nacht in de eigen snelheid half voorbij was, 15 sprong uw alvermogend woord in de hemelen van koninklijke tronen als een kortaangebonden krijgsheld midden op het land dat ten ondergang gedoemd was, dragend [φέρω = wegdragen] als een scherp zwaard uw ongeveinsde opdracht. 16 Het stelde zich op en vervulde alles met dood; het raakte de hemel aan maar liep over de aarde [PO]
Jozef & Aseneth 12, 1 Heer, God van de eeuwen, die het al schiep en leven gegeven heeft, die levensadem geeft aan uw gehele schepping, die het onzichtbare in het licht zet. [DK]
Jozef & Aseneth 12, 2m-n Want gij, Heer, sprak en zij werden gebracht tot leven, omdat o Heer, uw Woord leven is voor al uw schepselen. [DK]
Apocalyps Adam 7,45-48 En het dertiende koninkrijk zegt van hem: ‘Elke geboorte van een heerser van hen is een woord. 46 En dit woord kreeg daar een volmacht. 47 Hij ontving heerlijkheid en sterkte. 48 En zo kwam hij bij het water – opdat het verlangen van die krachten zal worden vervuld.’ [DK]
Aristobulus Fr. 4, 3 Toen, na enkele dingen tussendoor te hebben gesproken, vervolgt hij, zeggende: ‘want het is vereist de goddelijke ‘stem’ niet op te vatten als slechts een gesproken woord, maar als het scheppen van dingen. Zo heeft Mozes het ganse ontstaan van de wereld in de Thorah vervat als Woorden van God. Want voortdurend heet het bij elk gebeuren: ‘En God sprak – en het geschiedde.’ [DK]
Oden Salomo 7, 7 De Vader van kennis is het Woord van kennis. [DK]
Oden Salomo 9, 1- 4 Open uw oren en ik zal tot u spreken. 2 Geef uzelf aan mij, zodat ik ook kan geven aan u. 3 Het Woord van de Heer en alles wat Hij wil; de heilige gedachte die Hij heeft gedacht over Zijn Messias.
4 Want in de wil van de Heer is uw leven gegrondvest, en Zijn doel is het eeuwige leven; en uw volmaaktheid is onvergankelijk. [DK]
Oden Salomo 12, 1-13 Hij heeft mij vol gemaakt met woorden van waarheid, opdat ik Hem kan verkondigen. 2 En zoals de wateren vloeien, vloeit uit mijn mond waarheid, en mijn lippen kondigen haar vruchten aan.
3 En hij heeft zijn kennis in mij overvloedig gemaakt, omdat de mond van de Heer het wa-re woord is en de deur naar zijn licht. 4 En de Allerhoogste heeft hem gegeven aan zijn eeuwen; de uitleggers van zijn schoonheid, en de vertellers van zijn glorie, en de belijders van zijn gedachten, en de predikers van zijn denken, en de leraren van zijn werken. 5 Want de subtiliteit van het Woord is onuitsprekelijk en evenals zijn welsprekendheid is ook zijn wendbaarheid en scherpzinnigheid, want zijn wegen zijn onbegrensd. 6 Nooit komt hij ten val maar blijft staande en men kan zijn afdalen noch zijn weg weten.
7 Want zoals zijn werking is, zo is ook zijn uithoudingsvermogen; want hij is het licht en de dageraad van het denken. 8 En door hem spreken de geslachten onderling; en zij die stil zijn, gaan spreken. 9 En van hem komen liefde en harmonie; en zij spraken samen over het hunne. 10 En zij werden door het Woord aangemoedigd en kenden Hem die hen maakte, omdat ze in harmonie waren. 11 Want de mond van de Allerhoogste sprak tot hen, en zijn uiteenzetting heeft hij zich prompt eigen gemaakt. 12 Want de woonplaats van het Woord is een mens (vgl: Joh. 1,14); en zijn waarheid is liefde. 13 Gezegend zij, die door hem tot herkenning gekomen zijn en de Heer in waarheid hebben gekend. [DK]
Oden Salomo 16, 1-20 Zoals [het hanteren van] de ploegschaar het werk is van de ploeger, en het werk van de roerganger is de besturing van het schip; zo ook mijn werk is de Psalm van de Heer in zijn lofprijzingen. 2 Mijn vaardigheid en mijn dienen zijn tot zijn lof, omdat zijn liefde mijn hart heeft gevoed, en zijn vruchten goot hij uit op mijn lippen. 3 Want mijn liefde is de Heer; daarom zal ik hem bezingen. 4 Want ik word gesterkt in de lofprijzing aan hem, en in hem heb ik vertrouwen. 5 Ik zal mijn mond openen, en zijn geest zal door mij spreken van de heerlijkheid van de Heer en zijn schoonheid: 6 het werk van zijn handen en de beweging van zijn vingers. 7 De veelheid van zijn barmhartigheden en de kracht van zijn Woord. 8 Want het woord van de Heer onderzoekt wat onzichtbaar is en neemt waar zijn gedachten. 9 Want het oog ziet zijn werken, en het oor hoort zijn gedachten. 10 Hij is het die de aarde heeft uitgebreid, en de wateren in de zee heeft doen neerdalen. 11 Hij breidde de hemel uit, en bevestigde de sterren. 12 Hij vormde de schepping en deed haar ontwaken, daarna rustte hij van zijn werken. 13 En de geschapen dingen gaan naar hun gang, en werken hun werken, en zij kunnen niet ophouden en traag worden. 14 En de heerschaar is onderworpen aan zijn Woord. 15 De schatkamer van het licht is de zon en de schatkamer van de duisternis is de nacht. 16 Want hij maakte de zon voor de dag, opdat het licht zou zijn; maar de nacht brengt duisternis over de oppervlakte van de aarde. 17 En door hun onderlinge harmonie maken ze de schoonheid van de Heer vol. 18 En er is niets bui-ten de Heer, want hij was, voordat er iets was geworden. 19 En de werelden zijn er door zijn Woord en door de gedachte van zijn hart. 20 Prijs en eer aan zijn Naam. Hallelujah! [DK]
Oden Salomo 32, 1- 3 Voor hen die gezegend zijn is er in hun hart vreugde, en licht van hem die in hen woont; 2 En het Woord dat uit de Waarheid is; Hij, die is uit Zichzelf. 3 Want hij wordt sterk gemaakt door de heilige kracht van de Allerhoogste; en hij wankelt niet, tot in de eeuwen der eeuwen. Hallelujah! [DK]
Oden Salomo 37, 1- 4 Ik strekte mijn handen uit naar de Heer, en naar de Allerhoogste verhief ik mijn stem. 2 En ik sprak met de lippen van mijn hart, en hij hoorde mij toen mijn stem tot hem kwam: 3 Zijn Woord kwam tot mij en het gaf mij de vruchten van mijn arbeid; 4 En door de genade van de Heer gaf het mij rust. Hallelujah! [DK]
Oden Salomo 41,11-15 En zijn Woord is bij ons op al onze wegen, de Verlosser die leven geeft en ons niet afwijst. 12 De man, die zichzelf vernederde, maar werd opgewekt door zijn gerechtigheid. 13 De Zoon van de Allerhoogste verscheen in de volmaaktheid van zijn Vader. 14 En licht daagde uit het Woord dat vóór de tijd in Hem was. 15 De Messias is in waarheid één, en hij was vóór de grond-legging van de wereld, opdat hij door de waarheid van zijn Naam zielen voor eeuwig zou redden; 16 Een nieuw gezang voor de Heer van hen die Hem loven. Hallelujah! [DK]
Pseudo-Phocylides 125-128 God deelde ieder een wapen toe; het vermogen te vliegen aan de vogels, 126 snelheid aan de paarden, en kracht aan leeuwen; 127 Hij bekleedde de stieren met vanzelf groeiende hoorns, hij gaf angels 128 als natuurlijk verdedigingsmiddel aan de bijen, maar de rede [= logos] aan de mensen als hun bescherming. [TB]
getuigenis
4 Ezra 8,27 let niet op de passies van wie goddeloos handelen, maar van hen die uw getuigenissen bij bitterheden zullen bewaken; [PO]
1, 3 Zalig die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie en onderhouden wat daarin geschreven is, want het moment is nabij.
zalig die…
Tobit 13,16-18 zalig wie bedroeft waren over al je geselingen, omdat zij zich over jou zullen verheu-gen als ze heel je glorie aanschouwen; zij zullen zich verblijden tot in der eeuwigheid!- laat mijn ziel God, de grote koning, zegenen, 17 omdat Jeruzalem zal worden opgebouwd in safier en sma-ragd, je muren in kostbaar gesteente, je torens en je bolwerken in zuiver goud; Jeruzalems pleinen: met beryl, karbonkel en gesteente uit Soefier zullen ze worden ingelegd; 18 en al haar straten zul-len zeggen: ‘alleluia!’; ze zullen lofprijzen en zeggen: gezegend God, die alle eeuwigheden heeft verhoogd. [PO]
1 Henoch 103, 5- 6 Wee u, gij zondaren, als u gestorven bent; als u sterft in de overvloed van uw zonden. En degenen die aan u gelijk zijn – als zij u zien, zeggen: ‘ Gezegend zijn de zondaren, zij hebben al hun dagen gezien. 6 En zij zijn nu in voorspoed en weelde gestorven, en hebben in hun leven noch rampspoed nog moord gezien; en zij zijn in ere gestorven. En het gericht heeft niet over hen plaatsgevonden tijdens hun leven.’ [DK]
2 Henoch 35, 3 En gij zult die generatie vertellen: als zij (ze) hebben gelezen, zullen ze uiteindelijk meer dan in het begin deel hebben aan heerlijkheid. [DK]
onderhouden wat daarin geschreven is
1 Henoch 104, 9-13 Weest niet goddeloos in uw harten en liegt niet en verander niet de recht-vaardige woorden, noch zult gij de woorden van de Heilige Allerhoogste met leugens beladen. Houdt geen rekening met de afgoden; want al uw liegen en al uw goddeloosheid loopt niet uit op gerechtigheid maar op zware ongerechtigheid. 10 Nu weet ik een geheimenis; dat de zondaren de woorden der gerechtigheid zullen veranderen en verdraaien op vele manieren, en verdorven woorden zullen spreken, en liegen, en groot bedrog zullen bedrijven en boeken zullen schrijven die overeenstemmen met hun woorden. 11 Maar als zij al mijn woorden getrouw in hun talen neerschrijven, en niet verandert, noch afdoet van mijn woorden, maar ze alle getrouw weergeeft, alles wat ik eerder van hen getuigde. 12 Daarvan ken ik een ander geheimenis; die boeken zullen aan de recht-vaardigen en wijzen gegeven worden om een oorzaak te worden van vreugde en oprechtheid en veel wijsheid. 13 En aan hen zullen de boeken gegeven worden, en zij zullen er op vertrouwen en er over verheugd zijn, en dan zullen alle rechtvaardigen die er uit ge-
leerd hebben alle paden van oprechtheid vergolden worden.’ [DK]
2 Henoch 33, 9-11 En verspreid de boeken in uw handschrift aan uw kinderen en (uw) kinderen aan (hun) kinderen; en de ouders zullen ze van generatie op generatie lezen. 10 Want ik zal je een bemiddelaar geven, Henoch en mijn generaal Michaël, door toedoen van jouw geschrift en het geschrift van je vaderen: Adam en Seth. 11 Ze zullen niet worden vernietigd tot het laatste tijdperk.
Want ik heb mijn engelen, Ariokh en Mariokh bevolen. [DK]
Apocalyps Elia 21,13-22,5 [1,13] Hoort, gij wijzen van het land 14 over de misleiders die aan het 15 einde der tijden zullen toenemen. 16 Zij zullen leerstellingen instellen die niet van God zijn. 17 Zij zullen de wet van God verwerpen. 18 Zij zullen hun buik tot God maken 22, 1 omdat ze zeggen: 2 Er bestaat geen vasten 3 en God is niet de Schepper, waarmee zij 4 zich vervreemden van het verbond Gods en 5 zich beroven van de heerlijke beloften. [DK]
Apocalyps Sefanja 8, 5 Nu, bovendien, mijn zonen, dit is de beproeving, uit noodzaak dat goed en kwaad gewogen worden in een weegschaal. [DK]
het tijdstip [καιρὸς] is nabij
Sirach 43, 6 Ook de maan is er in alle fasen op haar tijd, als een aanwijzing van tijden en een teken van de toekomende eeuw. [PO]
2 Baruch 32, 1- 6 Maar wat u betreft, als hij uw harten voorbereidt door de vruchten van de wet er in te zaaien, dan zal dat u beschermen in de tijd dat de Almachtige de hele schepping zal doen beven. 2 Want na korte tijd zal het gebouw van Sion wankelen om daarna weer te worden herbouwd. 3 Maar dat bouwwerk zal niet blijven, maar zal na een tijd weer met de grond gelijk gemaakt worden en het zal in puin blijven liggen tot de (bestemde) tijd. 4 En daarna moet het in heerlijkheid hersteld worden en voor altijd volmaakt herbouwd blijven. 5 Daarom moeten wij niet zo bedroefd zijn over het onheil dat nu is geschied, maar (veeleer) over hetgeen nog zal gebeuren. 6 Want groter dan deze twee onheilen zal de nood zijn, als de Almachtige zijn schepping zal vernieuwen. [MdG]
4 Ezra 6, 8-16 Hij zei tot mij: uitgaande van Abraham bij Isaak, want uit hem is Jakob geboren, en Ezau; van de aanvang af immers hield Jakob de hiel van Ezau vast; 9 het einde van deze wereldtijd is dus Ezau, en het begin van de volgende is Jakob; 10 het einde van de mens is immers de hiel en het begin van een mens is de hand, en tussen hiel en hand moet je iets anders willen zoeken, Ezra! 11 Ik antwoordde en zei: o heerser en Heer, als ik genade heb gevonden voor uw ogen, 12 dat u dan aan uw dienaar het einde van uw tekenen toont die u in de voorgaande nacht mij voor een deel al hebt getoond! 13 Hij antwoordde en zei tot mij: rijs op je voeten en je zult een stem horen overvol van klank 14 en het zal zo zijn: als de plaats waarop je staat in beweging zal worden bewogen, 15 en daar gesproken wordt, moet je niet schrikken, want dat is het woord van het einde, want de fundamenten der aarde zijn daarbij inbegrepen: 16 gaat het gesprek daarover, dan beeft zij en wordt bewogen; zij weet immers dat zij na hun einde wordt veranderd! [PO]
4 Ezra 9, 6 zo is het ook met de tijden van de Allerhoogste: hun begin is openbaar in
wonderen en krachten, en hun voltooiïng in hun werking en in tekenen; [PO]
1 Henoch 1, 1- 3 De zegen van Henoch [λογος εὐλογιας Ἑνώχ], waarmee hij de uitverkoren recht-vaardigen heeft gezegend [καθὼς εὐλόγησεν ἐκλεκτοὺς δικαίους]: zij die zullen leven in de dag van geweld, als alle zondaren en boosdoeners verdelgd zullen worden en de rechtvaardigen gered zullen worden. 2 En hij hief zijn spreuk aan [ἀναλαβὼν τὴν παραβολήν] en zei: [Orakel van Henoch], een rechtvaardig man, wiens ogen door God geopend zijn, zag het visioen van de Heilige uit de hemel, dat hij mij toonde. Door het woord van de wachters en de heiligen hoorde ik alles. En toen ik alles van hen hoorde begreep ik ook wat ik zag. Niet tot deze generatie spreek ik maar tot wie ver zijn. 3 Ten behoeve van de uitverkorenen spreek ik en tot hen hef ik mijn spreuk aan: [DK]
Test.Naftali 7, 1 Deze twee dromen vertel-de ik aan mijn vader en hij antwoordde: ‘Deze dingen moeten in vervulling gaan op een bestemde tijd [τοὺς καιροὺς αὐτων], als Israël veel te verduren zal krijgen.’ [DK]
Test.Jozef 19,10 Deze dingen moeten gebeuren in de laatste bestemde tijd [ἐν καιρὦ αὐτῶν ἐν ἐσχατάταις ἡμέραις]. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,74 In de laatste tijd [ὑστατίὧ καιρὧ], als de mensheid volkomen slecht zal zijn. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,348 in de laatste tijd [ὑστατίω καιρὧ], als God het bevel op zich neemt. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,361-362 In de laatste tijd [ὑστατίὧ καιρὧ], bij het afnemen van de maan [περὶ τέρμα σελήνης] 362 zal er een oorlog plaatsvinden die de wereld in verwarring zal brengen [κοσμομανὴς πόλεμος] en misleidend en listig [καὶ ἐπίκλοπος ἐν δολὀτητι]. [DK]
1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,
“Johannes aan de zeven vergaderingen”
1 Henoch 93, 1- 2 En daarna gaf Henoch de boeken en somde er uit op. 2 En Henoch sprak:
‘Voor de kinderen der gerechtigheid en voor de uitverkorenen der wereld, En voor de plant van oprechtheid zal ik deze dingen spreken, Ja ik, Henoch, zal ze aan u bekend maken, mijn zonen: zoals met is geopenbaard in hemelse visioenen. En wat ik weet door het woord van heilige engelen. En geleerd van de hemelse schrijftafels.’ [DK]
genade en vrede – χάρις καὶ εἰρήνη
Esther 9,30 [LXX] Zij zendt briefrollen naar alle Judeeërs, naar honderdzevenentwintig maal een gewest in het koninkrijk van Achasjverosj,- met woorden van vrede en ver-trouwen, [PO]
2 Baruch 78, 2 Zo zegt Baruch, de zoon van Neria, tot de broeders die in gevangenschap zijn weggevoerd: genade en vrede zij u. [MdG]
(zeven) geesten voor zijn troon
Tobit 12,15 ik, ik ben Rafaël, één van de zeven heilige engelen [εἶς ἐκ τῶν ἑπτὰ ἁγίων ἀγγέλων] die de gebeden van de heiligen [τὰς προσευχὰς τῶν ἁγίων] opdragen en ingaan [εἰσπορεύομαι] voor het aanschijn van de glorie van de Heilige [ἐνώπιον τῆς δόξης τοῦ ἁγίου]! [PO]
2 Makkabeeën 3,24 Maar als hij daar al met de lansdragers bij de schatbewaarkamer aanwezig is, laat de Machthebber van de geesten en van alle gezag een zo grote ver-schijning opkomen, dat allen die het gewaagd hebben mee te komen verslagen zijn over de macht van God en er slap en laf van worden. [PO]
1 Henoch 20, 1- 8 En dit zijn de namen van de engelen van de hemelse machten. [EthVrs/Akh.: Ἄγγελοι τῶν δυνάμεων – vgl: Kol 1,16; 1 Petrus 3,22]. 2 Uriël, een van de heilige engelen, want hij is gesteld over de aeonen en over Tartaros [Οὐριήλ, ὁ εἶς τῶν ἁγίων ἀγγέλων ὁ ἐπὶ τοῦ κόσμου καὶ τοῦ ταρτάρου]. 3 Rafaël, een van de heilige engelen, die gesteld is over de geesten der mensen [‘Ραφαήλ, ὁ εἶς τῶν ἁγίων ἀγγέλων ὁ ἐπὶ τῶν πνευμάτων τῶν ἀνθρώπων]. 4 Raguël, een van de heilige engelen die wraak oefent over de wereld en over de hemel-lichten [‘Ραγουήλ, ὁ εἶς τῶν ἁγίων ἀγγέλων ὁ ἐκδικῶν τὸν κόσμον τῶν φωστήρων]. 5 Michaël, een van de heilige engelen oefent nauwgezet gezag uit over het volk der verstandigen en over de chaos [Μιχαήλ, ὁ εἶς τῶν ἁγίων ἀγγέλων ὁ ἐπὶ τῶν τοῦ λαοῦ άγαθῶν τεταγμένος καὶ ἐπὶ τὦ χάω]. 6 Saraqaël, een van de heilige engelen die gesteld is over de geesten die in de geest zon-digen [Σαριήλ, ὁ εἶς τῶν ἁγίων ἀγγέλων ὁ ἐπὶ τῶν πνευμάτων οἴτινες ἐπὶ τἶ πνεύματι ἁμαρτάνουσιν]. 7 Gabriël, een van de heilige engelen, die gesteld is over het paradijs, de slangen en de cherubim [Γαβριήλ, , ὁ εἶς τῶν ἁγίων ἀγγέλων ὁ ἐπὶ τοῦ παραδείσου καὶ τῶν δρακόντων καὶ χερουβείν.]. 8 Remiël, een van de heilige engelen, die God gesteld heeft over degenen die zullen verrijzen [‘Ρεμειήλ, ὁ εἶς τῶν ἁγίων ἀγγέλων ὁ ὄν ἔταξεν ὁ θεὸς ἐπὶ τῶν ἀνισταμένων]. De namen van de zeven aartsengelen [ἀρχαγγέλων ὀνόματα ἑπτά]. [DK]
1 Henoch 21, 3- 6 En ik zag dat zeven sterren van de hemel daarin gebonden waren als grote bergen brandend in vuur. 4 Toen sprak ik: ‘Om welk kwaad zijn zij gebonden en om welke reden zijn zij hierin geworpen?’ 5 Toen sprak Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was en over hen gesteld was en hij zei: 6 ‘Henoch, waarom vraagt u dit en wilt u de waarheid weten? Dezen waren onder de sterren des hemels overtreders van het gebod van de Heer en zijn hier gebonden tot tienduizend jaar vol zullen zijn – de tijd van hun overtreding. [DK]
1 Henoch 40, 1- 2 En daarna zag ik duizenden duizendtallen en tienduizend tienduizendtallen. Ontelbaar; een buitengewoon grote menigte, staande voor het aanschijn van de heerlijkheid van de Heer der geesten. 2 Ik keek toe en aan de vier zijden van de Heer der geesten zag ik vier gestalten die verschilden van degenen die niet slapen en ik leerde hun namen, omdat de engel die met mij meeging en mij alle verborgenheden toonde en mij de namen bekend maakte. [DK]
‘geest’ als aanduiding voor ‘engel’
Jubileeën 1,24-25 En hun harten zullen mij en al mijn geboden aanhangen. En zij zullen naar mijn geboden handelen. En ik zal hen tot Vader zijn en zij zullen mijn zonen zijn. 25 En zij allen zullen genoemd worden ‘zo-nen van de levende God.’ En elke engel en geest zal weten en erkennen dat zij mijn zo-nen zijn en ik ben hun Vader in oprechtheid en rechtmatigheid. En ik zal hen liefhebben.
Jubileeën 2, 2 Want op de eerste dag schiep Hij de hemelen die boven zijn en de aarde en de wateren en alle geesten die voor hem dienen – de engelen die voor Zijn Aanschijn staan, en de engelen van heiliging, en de engelen van de geest van vuur, en de engelen van de geest van de winden, en de engelen van de geest van de wolken en duisternis en sneeuw en hagel en vorst, en de engelen van weerklank van donder en bliksem, en de engelen van de geesten van koude en hitte en winter en lente en oogsttijd en zomer, en alle geesten van zijn schepselen die in de hemelen en op aarde zijn. En hij [schiep] de afgronden en duisternis, zowel avond als nacht, en licht; zowel dageraad als daglicht – die hij bereid-de in de wetenschap van zijn hart. [DK]
Jubileeën 15,31-32 En Hij heiligde hen en bracht hen bijeen van tussen alle mensenzo-nen, want (er zijn) veel naties en veel mensen, en zij behoren allen bij Hem, maar over dezen liet hij geesten heersen, zodat zij hen op een dwaalspoor zouden brengen van achter Hem vandaan. 32 Maar over Israël heeft Hij geen engel of geest doen regeren, want alleen hij is hun heerser en hij zal hen be-schermen en hij zal ze zoeken door de hand van zijn engelen en door de hand van zijn Geest en door de hand. van al zijn gevolmachtigden, zodat hij over hen zou kunnen waken en hen zegenen, en zij zouden Hem toebehoren van nu af aan en voor immer. [DK]
1 Henoch 61,10b-11 en de verschillende machten van de aarde en van het water zullen 11 op die dag eenparig hun stem verhef-fen en zegenen en verheerlijken en loven de geest van trouw en de geest van wijsheid en de geest van geduld en de geest van genade en de geest van recht en vrede en de geest van goedheid. En zullen allen eenstemmig zeggen: ‘Gezegend is Hij en moge de Naam van de Heer der geesten gezegend zijn, voor eeuwig. [DK]
1 Henoch 61,12 Allen, boven in de hemel, die niet slapen, zullen Hem zegenen: alle heiligen die in de hemel zijn zullen Hem zegenen. En alle uitverkorenen die in de hof des levens wonen: en elke lichtgeest, die in staat is te zegenen en te verheerlijken en te prij-zen en te heiligen Uw gezegende Naam. En alle vlees zal uw Naam bovenmate verheerlijken en zegenen tot in eeuwigheid. [DK]
1 Henoch 75, 5 Ook zijn er (poorten) geopend voor de winden en de geest van de dauw. Aan het einde van de hemelen zijn ze geopend. [DK]
2 Henoch 12, 2 Hun grootte was negenhonderd maten. Hun vleugels zijn als die van engelen en ze hebben elk twaalf vleugels. Zij begeleiden en gaan hun vlucht met de zon, en dragen de opdracht van warmte en dauw; alles wat het van Godswege is opgedragen. [DK]
2 Henoch 16, 7 En als de poorten van het westen zijn gepasseerd, keert zij om en gaat met (haar) licht naar de poorten van het oosten. Zo gaat ze dag en nacht volgens de hemelse cycli, lager dan alle cycli; sneller dan de hemelse winden, geesten en elementen. En engelen vliegen (mee), iedere engel (heeft) zes vleugels. [DK]
CONTRAST: zeven geesten van bedrog
Test.Ruben 2, 1- 9 En nu, kinderen, weest opmerkzaam op de dingen die ik heb gezien gedurende de tijd van mijn berouw, over de zeven geesten van bedrog. 2 Want zeven geesten zijn gesteld tegenover de mensheid. En zij zijn de oorsprongen van de daden van de jeugd. 3 En zeven andere geesten werden bij de schepping aan de mens gegeven, zodat door hen 4 elke menselijke daad (wordt bedreven). De eerste is de levensgeest, waarmee de mens is geschapen als een samengesteld wezen. De tweede is de geest van het zien, die gepaard gaat met verlangen. 5 De derde is de geest van het horen, die gepaard gaat met onderricht. De vierde is de geest van de geur waarmee smaak ontstaat en het aantrekken van lucht en adem. 6 De vijfde is de geest van spraak, waar kennis in mee komt. 7 De zesde is de geest van smaak ten behoeve van het gebruik van eten en drinken; daardoor ontstaat sterkte, want het voedsel bevat de essentie van kracht. 8 De zevende is de geest van voortplanting en omgang, waaruit zonden voortkomen door de zucht naar plezier.
9 Daarom was dat bij de schepping het laatste, maar bij de jeugdige dartelheid gaat het voorop, want die is vol onwetendheid; het leidt de jonge mens als een blinde in een kuil en als een dier over een steile rots. [DK]
Test.Ruben 3, 1- 8 Bij [dit] alles is er een achtste geest: de slaap, waarmee de vervoering van de natuur [ἔκστασις φύσεως] en het beeld van de dood [καὶ εἰκὼν τοῦ θανάτου] worden veroorzaakt. 2 Met deze geesten vermengen zich de geesten van dwaling [τὰ πνεύματα τῆς πλάνης].
3 Ten eerste huist de geest van ontucht [τὸ τῆς πορνείας πνεῦμα] in de natuur en in de zintuigen [ἐν τἦ φύσει καὶ ταῖς αἰσθήσεσιν] Een tweede geest, die van het onverzadigbare [ἀπληστείας γαστρός], in de maag. 4 Een derde geest van strijd [πνεῦμα μάχης] in de lever en de gal. Een vierde geest van vlijerij en bedrog [πνεῦμα ἀρεσκείας καὶ μαγγανείας], zodat men bij voorgewende inspanning op het hoogtepunt van zijn krachten lijkt te zijn. 5 Een vijfde geest, die van overmoed [πνεῦμα ὑπερηφανείας], die maakt dat men pocht en hooghartig is; een zesde geest, van leugen [πνεῦμα ψεύδους], die door destructi-viteit en rivaliteit zijn zaken glad en
geheimzinnig afhandelt, zelfs met zijn familieleden en zijn huishouden. 6 Een zevende geest, die van het onrecht die gepaard gaan met diefstal en bedrieglijke handelingen, teneinde de wens van zijn hart te verkrijgen. Want onrecht werkt samen met andere geesten door het aannemen van steekpenningen. 7 Met die alle vormt de geest van slaap een verdrag, wat dwaling en fantasie tot resultaat heeft. 8 En zo bezwijkt elke jonge man, waardoor zijn geest wordt verduisterd voor de waarheid, noch inzicht ontvangt voor de Wet van God, noch aandacht geeft aan de raad van zijn va-deren. [DK]
Test.Levi 18, 5- 6 De hemelen zullen zich verheugen, bovenmate! De wolken zullen vol zijn van vreugde. En kennis van de Heer zal uitgestort worden over de aarde, als het water van de zeeën! En de engelen des Aangezichts van de heerlijkheid des Heren zullen verblijd zijn in Hem. 6 De hemelen zullen open gaan en uit de tempel der heerlijkheid [ναός τῆς δόξης] zal de heiligheid over hem komen, met een stem als van een vader, zoals van Abraham tot Izak. [DK]
1, 5 en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden, en de overste van de koningen der aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons uit onze zonden heeft verlost door zijn bloed,
eerstegeborene – πρωτότοκος
Sirach 36,11 Ontferm u over uw gemeente, Heer, die naar uw naam is genoemd: Israël die gij gelijkgemaakt hebt aan een eerstgeborene.
Jubileeën 2,20 En ik heb het zaad van Jakob uitverkoren van tussen allen die ik heb gezien en ik heb hem gesteld tot mijn eerstgeboren zoon, en ik heb hem geheiligd voor mijzelf voor altijd en eeuwig. En ik zal hen bekend doen zijn met de dag van de Sabbath opdat zij daarin van alle werken een Sabbath zullen onderhouden. [DK]
4 Ezra 6,58 En wij, uw gemeente, die gij uw eerstgeborene hebt genoemd, uw eniggeborene, voorwerp van uw naijver, uw liefste,- wij zijn in hun handen overgegeven. [PO]
Psalmen Salomo 13, 9 Want hij zal een rechtvaardige vermanen als een beminde zoon; zijn tuchtiging is als van een eerstgeborene. [PO]
Psalmen Salomo 18, 4 Uw tuchtiging komt over ons als over een eerstgebaarde eniggeboren zoon om een gehoorzame ziel af te keren van onwetendheid en onkennis, [PO]
ὁ πρωτότοκος – als pre-existente Zoon van God
Sirach 24, 9 vóór het begin uit, aan het begin al, heeft hij mij geschapen, en zolang de wereld duurt verdwijn ik niet; [PO]
vorst van de koningen der aarde / koning der koningen / koning der vorsten
2 Makkabeeën 13, 4 Maar de koning der koningen wekt tegen die schurk de woede van Antiochus op; als Lysias hem aanwijst als de oorzaak van alle kwaad, geeft hij de opdracht om, zoals in die plaats gewoonte is, hem naar Berea te voeren en om te brengen: [PO]
verlost door zijn bloed
Wijsheid 11,10 Hén immers hebt ge als een vader vermaand en gelouterd, maar die anderen hebt ge als een kortaangebonden koning verhoord en veroordeeld. [PO]
Wijsheid 14, 3 en uw voorzorg, Vader, bestuurt het, want ook in de zee hebt ge een weg gegeven en in de baren een veilig pad, [PO]
Sirach 23, 1 Heer, Vader en Meester van mijn leven, verlaat mij niet in hun beraad, laat niet toe dat ik door hen ten val kom. [PO]
Sirach 23, 4 Heer, Vader en God van mijn leven, te hoge dunk in eigen ogen, geef mij dat niet, [PO]
3 Makkabeeën 6, 8 Toen Jona, zonder mededogen, wegkwijnde in de buik van het monster uit de diepte, bracht u, Vader, hem ongedeerd terug naar geheel zijn huis. [DK]
1, 6 -en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, heiligdomsdienaars voor zijn God en Vader,- aan hem de glorie en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.
gemaakt tot een koninkrijk van priesters
2 Makkabeeën 2,17 Maar God is het die heel zijn gemeente heeft gered en aan allen zijn erfgoed heeft gegeven, en het koninkrijk, de priesterschap en de heiliging,- [PO]
3 Makkabeeën 5, 7 Hun Heer, die alles overwint; die met alle kracht regeert, de barmhartige God en Vader van allen die Hem smeekten met groot geroep en groot ge-ween. [DK]
3 Makkabeeën 6, 3 Kijk om naar het zaad van Abraham, de kinderen van Jakob die u geheiligd hebt; het volk van uw geheiligde erve die door onrecht omkomen als vreemdelingen in een vreemd land. [DK]
Jubileeën 1,24-25 En hun harten zullen mij en al mijn geboden aanhangen. En zij zullen naar mijn geboden handelen. En ik zal hen tot Vader zijn en zij zullen mijn zonen zijn. 25 En zij allen zullen genoemd worden ‘zonen van de levende God.’ En elke engel en geest zal weten en erkennen dat zij mijn zonen zijn en ik ben hun Vader in oprechtheid en rechtmatigheid. En ik zal hen liefhebben. [DK]
Jubileeën 1,28 En de Here zal verschijnen voor elks oog en allen zullen weten dat ik ben de God van Israël en de Vader van alle kinderen van Jakob en Koning op de berg Zion voor eeuwig. En Sion en Jeruzalem zullen heilig zijn. [DK]
Jubileeën 16,18 Opdat hij het deel zal worden van de Allerhoogste en zijn gehele zaad (door het lot) zou vallen in datgene waar God zal heersen, zodat hij een volk zou worden, geheiligd aan de Heer; een speciaal bezit uit alle volkeren en opdat hij zal worden een koninkrijk van priesters en een heilig volk. [DK]
Jubileeën 19,29 En de Here God zij voor u en voor het volk altijd een Vader en moogt gij hem zijn een eerstgeboren zoon. Ga, mijn zoon, in vrede. [DK]
Jubileeën 27,21 En die nacht droomde hij en zie, er werd op de aarde een ladder opgesteld en zijn top raakte de hemel. En zie, engelen van de Here stegen op en daalden af. [DK]
1 Henoch 9, 4 En zij zeiden tot de Heer van de eeuwen: ‘Heer van de heren, God van de goden, Koning van de koningen en God van de eeuwen, de troon van uw heerlijkheid blijft in stand tot in alle geslachten der eeuwen, en uw naam is heilig en heerlijk en gezegend tot in alle eeuwigheden. [DK]
1 Henoch 38, 5 Dan zullen de koningen en de machthebbers omkomen, en zij zullen worden gegeven in de handen van de rechtvaardigen en heiligen. [DK]
1 Henoch 63, 4 Nu weten wij dat wij moe-ten loven en zegenen de Heer der koningen. Hij die Koning is over alle koningen. [DK]
1 Henoch 84, 2 Gezegend Gij o Heer, Koning groot en machtig in grootheid. Heer van de gehele schepping. Koning der vorsten van de hemel, Koning der koningen en God van de gehele wereld. En uw macht en koningschap en grootheid houden stand in eeuwigheid. En uw heerlijkheid gedurende alle geslachten. En de hemelen zijn voor altijd uw troon. En de gehele aarde voor eeuwig uw voetbank. [DK]
Test.Abraham 6, 6a Toen zei Abraham: “O Sara, je hebt waar gesproken. Glorie en zegen van (onze) God en Vader…” [DK]
Test.Juda 24, 1- 6 Na deze dingen zal er een ster uit Jakob voor u oprijzen [ἀνατελεῖ ὑμῖν ἄστ-ρον ἐξ Ἰακὸβ] met vrede [ἐν εἰρήνη] (vgl: TLevi 18,3 > οὐρανὧ). Een man uit mijn nageslacht zal opkomen als de zon der gerechtigheid [ὡς ῆλιος δικαιοσύνης]: zachtmoedig en rechtvaardig wandelend met de mensenkinderen. In Hem zal geen zonde ontdekt worden. 2 En boven Hem zullen de hemelen open gaan om de Geest uit te storten als een zegen van de Heilige Vader. 3 En Hij zal over u uitstorten de Geest van genade. En Gij zult in waarheid zonen zijn en gij zult wandelen in (zowel) zijn eerste als laatste verordeningen [ἐν προστάγμασιν αὐτοῦ πρώτοις καὶ ἐσχάτοις]. 4 Dit is de loot [βλαστὸς] van God de Allerhoogste [Θεοῦ ὑψίστου]. Dit is de fontein van leven voor de gehele mens-heid. 5 Dan zal Hij de scepter van mijn ko-ninkrijk doen oplichten [ἀναλάμψει]. 6 En uit uw wortel zal de loot ontspruiten en daaruit zal uitspruiten [ἐξ αὐτῆς βλαστήσει], voor de vol-keren [τοῖς ἔθνεσιν], de scepter der rechtmatigheid [ῥάβδος δικαιοσύνης] verschijnen. Om te oordelen en allen te redden [die] Adonai aanroepen. [DK]
aan hem de glorie en de kracht
Tobit 13, 4 meldt dáár zijn grootheid, verhoogt hem voor het aanschijn van al wat leeft; want hij is onze Heer en God, hij is onze Vader tot in alle eeuwigheden! [PO]
Sirach 51,10 Ik riep de Heer aan, de Vader van mijn heer: wil mij niet verlaten in dagen van ver-drukking, in een tijd dat er geen hulp is tegen hovaardij; ik zal uw naam loven zonder ophouden en u lofzingen en dankzeggen. [PO]
3 Makkabeeën 5,35 En de joden, die de woorden van de koning hoorden, loofden de Here God, die Zijn heerlijkheid had geopenbaard, De Koning der koningen, omdat zij deze hulp van Hem hadden verkregen. [DK]
Test.Salomo [doxologie Griekse proloog] Gezegend Gij, Here God, die dit gezag ge-geven heeft aan Salomo, aan U de glorie en de kracht tot in eeuwigheid. Amen. [DK]
1, 7 ‘Zie, hij komt met de wolken’, en elk oog zal hem zien, ook diegenen die hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen!
4 Ezra 13, 3 En ik zag, en zie: Met de wolken des hemels (Daniël 7,13) vloog een mens mee. En waarheen hij zijn gelaat keerde om waar te nemen, daar sidderden alle dingen die door hem werden gezien [PO]
Apocalyps Elia 31,19-32, 8 [3, 2- 4] Als de Messias komt Hij 32, 1 als in een vlucht van duiven met de 2 krans als van de duiven om hem heen, gaande op 3 de wolken van de hemel 4 terwijl het kruisteken voor hem uit gaat 5 de hele wereld zal 6 de stralende zon zien vanaf de streken waar hij opkomt 7 tot de streken waar hij ondergaat. Zo 8 zal hij komen met al zijn engelen. [DK]
1, 8 Ík ben de alfa en de omega, zegt de Heer God, die is en die was en die komt, de albeheerser.
2 Baruch 21, 9 Want Gij alleen kunt allen onderhouden die zijn, die geweest zijn en die nog zullen komen, de zondaars en de rechtvaardigen. [MdG]
Test.Isaak 6,35 Hij is de eerste en de laatste, zoals de profeten hebben gezegd. [DK]
Martyrium Jesaja 10, 7 – 31 En ik hoorde de stem van de Allerhoogste, de Vader van mijn Heer, en Hij sprak tot mijn Heer de Gezalfde, die Jezus genoemd zal worden:
8 “Ga naar buiten en daal af door de hemelen. Gij zult afdalen door het uitspansel heen en door die wereld, zo ver als de engel die in de Sheol is, maar Gij zult niet zo ver gaan als het verderf. 9 Zorg ervoor dat Gij uw gedaante maakt als die van de engelen van het uitspansel 10 en ook (zoals die) van de engelen die in de Sheol zijn. 11 En geen van de engelen van die wereld zullen weten dat gij, met mij, de Heer bent van de zeven hemelen en van hun engelen. En zij zullen niet weten van Gij met Mij. 12 Als Ik u met de hemelstem roep, en hun engelen en hun lichten, en wanneer ik (mijn stem) verhef tot de zesde hemel, opdat u de vorsten en de engelen en de goden van die wereld en de wereld, die door hen worden geregeerd, oordeelt en vernietigt. 13 Want zij hebben mij verloo-chend en zeggen: “Wij alleen! Niemand buiten ons!” 14 En nadien zult Gij opstijgen van de goden van de dood naar uw plaats, en Gij zult niet in elk van de hemelen van gedaante veranderen, maar in glorie zult Gij opstijgen en gaan zitten aan mijn rechterhand. 15 En dan zullen de vorsten en de machten van die wereld je aanbidden.’ 16 Ik hoorde dit bevel; de Grote Heerlijkheid gebood het aan mijn Heer.
17 En toen zag ik dat mijn Heer de zevende hemel verliet en de zesde hemel betrad. 18 En de engel die mij begeleidde vanaf die wereld sprak tot mij: “Jesaja, versta en zie, dat ge zult aanschouwen de gedaanteverandering en afdaling van de Heer.” 19 En ik zag toe; en toen de engelen die in de zesde hemel Hem zagen, prezen zij Hem en verheerlijkten hem, want hij was niet veranderd tot de gedaante van de engelen die daar zijn, en zij gaven Hem lofprijzing en ik zong de lofprijzingen met hen. 20 En ik zag toen Hij afdaalde in de vijfde hemel dat Hij Zijn gedaante maakte als die van de engelen in die plaats, en zij gaven Hem geen lofprijzing omdat zijn gedaante gelijk was aan die van henzelf. 21 En toen daalde Hij af naar de vierde hemel en maakte zijn gedaante gelijk aan die van de engelen daar. 22 En toen zij Hem zagen, gaven zij Hem geen lofprijzing, want Zijn gedaante was als hun gedaante. 23 En opnieuw zag ik als Hij neerdaalde in de derde hemel, dat Hij Zijn gedaante gelijk maakte aan die van de engelen die in de derde hemel waren. 24 En degenen die de poort van de (derde) hemel bewaakten vroegen Hem om het herkenningswoord, en de Heer gaf (het) aan hen opdat Hij niet zou worden herkend; en toen zij Hem zagen gaven zij Hem geen lofprijzing en eerbetoon, want zijn gedaante was als hun gedaante. 25 En opnieuw zag ik toen Hij afdaalde in de tweede hemel dat hij opnieuw het herkenningswoord noemde omdat degenen die de poorten bewaakten er naar vroegen, en de Heer gaf (het). 26 En ik zag, toen Hij Zijn gedaante maakte als die van de engelen die in de tweede hemel waren, dat zij Hem zagen maar Hem geen lofprijzing gaven, want Zijn gedaante was als hun gedaante. 27 En weer zag ik dat Hij afdaalde in de eerste hemel; en Hij het herkenningswoord gaf aan hen die de poorten bewaakten. En Hij maakte zijn gedaante als van die engelen aan de linkerzijde van die troon, en zij gaven Hem geen lofprijzing, noch eerbetoon. Want Zijn gedaante was als hun gedaante. 28 En wat mij aangaat: niemand ondervroeg mij, vanwege de engel die mij begeleidde. 29 En opnieuw daalde Hij af: in het hemelgewelf, waar de vorst van de wereld woont. En Hij gaf het herkenningswoord aan hen die ter linkerzijde waren, en Zijn gedaante was als één van hen. En zij gaven hem geen lofprijzing, maar in afgunst bevochten zij elkaar want er is daar een macht van kwaad en nijd om kleinigheden. 30 En ik zag toen Hij afdaalde en zichzelf maakte als de engelen van de lucht, dat Hij was als één van hen. 31 En hij gaf hen het herkenningswoord niet, want zij waren op voordeel uit en deden elkaar geweld aan. [DK]
Martyrium Jesaja 11,22-35 En de engel die mij leidde, sprak tot mij: ‘Verneem dit Jesaja.’ En ik zag dat Hij de twaalf discipelen uitzond en toen opvoer.
23 En ik zag hem; hij was aan het uitspansel, maar veranderde niet van gedaante. En alle engelen van het uitspansel, en Satan, zagen hem en aanbaden. 24 En met veel droefenis spraken zij: ‘Hoe is onze Heer naar ons neergedaald, en wij hebben [toen hij afdaalde vanuit de zesde hemel], niet opgemerkt de heerlijkheid die op hem was; die we (nu) op hem zien?’ 25 En hij voer op naar de tweede hemel, en hij veranderde (zijn gedaante) niet, maar alle engelen, ter rechter- en linkerzijde en de troon in het midden, 26 aanbaden hem en prezen hem en zeiden: ‘Hoe bleef onze Heer voor ons verborgen toen hij neerdaalde, en we merkten het niet?’ 27 Op dezelfde wijze voer hij op naar de derde (hemel), en op dezelfde manier prezen ze hem en spraken ze. 28 En in de vierde hemel, en ook in de vijfde, spraken ze op precies dezelfde wijze. 29 Maar hij was één in heerlijkheid, en daarvan veranderde hij niet. 30 En ik zag toen hij opvoer naar de zesde hemel, dat ze hem aanbaden en prezen, 31 maar in alle hemelen werd de lofprijzing luider. 32 En ik zag hoe hij opvoer naar de zevende hemel, en alle rechtvaardigen en alle engelen prezen hem. En toen zag ik dat hij zich zette aan de rechterhand van die Grote Glorie, van welke glorie ik u meedeelde dat ik die niet zien kon. 33 En ik zag ook dat de engel van de Heilige Geest zat ter linker zijde. 34 Die engel sprak tot mij: ‘Jesaja, zoon van Amoz, [het is genoeg voor u], want deze dingen zijn groot. Want gij hebt waargenomen wat niemand, die uit vlees geboren is, heeft waargenomen. 35 En gij zult terugkeren in uw (eigen) mantel totdat uw dagen voorbij zijn; dan zult u hier komen.’ Deze dingen heb ik gezien. [DK]
Apocalyps Abraham 9, 3 En hij zei: ‘Zie, Ik ben het. Vrees niet! Want Ik ben! Voor de wereld was! En machtig! De God die volmaakt heeft geschapen, vóór het licht van de eeuw. [DK]
Aristobulus Fr. 4, 5 […] Er is een oud gezegde over Hem: “Hij is Eén” – zelfvoltooiend, en alle din-gen worden voltooid door Hem. Daarin gaat Hij zelf rond, maar niemand heeft Hem gezien. Met de zielen die stervelingen hebben, wordt Hij [alleen] door de geest gezien. Hij neemt geen goede din-gen om ze voor mensen slecht te maken, maar Hij komt in gezelschap van liefde en haat, oorlog en pest en pijn bij geween. En er is geen ander. Gij zult alles kunnen doorgronden als gij Hem zou aanschouwen. Echter, mijn zoon; in beginsel, hier op aarde, zal ik u er soms op wijzen, telkens als ik Zijn voetstappen zie, en de sterke hand van de machtige God: maar ik zie Hem niet, want rond [Hem] is een wolk; dun voor mij, maar tienvoudig voor alle [andere] mensen. Want alle sterve-lingen hebben sterfelijke pupillen in hun ogen, [te] klein, omdat vlees en gebeente ze hebben voortgebracht, [te] week om Zeus, de heerser over het al, te zien. […] [DK]
Orphica 39 Zijnde ‘het begin, het midden en het einde’. [DK]
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, van-wege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
verdrukking
4 Makkabeeën 1,11 Niet alleen de hele mensheid, maar zelfs hun eigen folteraars werden tot verwondering gebracht door hun moed en standvastigheid. En zo werden zij verantwoordelijk voor de ondergang van de tirannie die onze natie teisterde. En zij overwonnen de tiran door hun standvastigheid, zodat hun eigen land door hen werd gezuiverd. [DK]
volharding
4 Makkabeeën 7, 8- 9 Zo moet het zijn voor hen die bevestigd zijn in het onderhouden van de Wet en verdedigen met hun eigen bloed en edele inspanning; zelfs tot in het aanschijn van het lijden tot de dood. [9] Gij, vader, voortdurend bracht dit u tot heerlijkheid, bevestigend onze trouw aan de Wet. En uw verheven toespraak over heiligheid hebt u gestand gedaan en door uw daden uw goddelijke levensbeschouwing bekrachtigd. [DK]
4 Makkabeeën 9, 8 Door ons lijden en volharding zullen wij de prijs van de deugd verkrijgen, en wij zullen bij God zijn, voor wiens zaak wij lijden. [DK]
4 Makkabeeën 9,30 Komt het niet bij u, gij meest bloeddorstige tirannen, dat gij meer wordt gemarteld dan ik; als u ziet dat de arrogantie die bij uw tirannie past, wordt overwonnen door onze volharding ter wille van de ware godsdienst? [DK]
4 Makkabeeën 15,30 In standvastigheid meer edel dan mensen en in uithoudingsvermogen sterker dan helden. [DK]
4 Makkabeeën 17, 4 Weest daarom van goede moed, moeder van de heilige ziel, wier hoop en volharding vast staan bij God. [DK]
4 Makkabeeën 17,12 De prijs voor de overwinning was onverderfelijkheid in een onverganke-lijk leven. [DK]
4 Makkabeeën 17,17 De despoot zelf en zijn gehele hofhouding waren verbaasd over hun 2 Baruch 83, 4 Laat daarom geen van deze tegenwoordige dingen u bezighouden, laten wij liever afwachten, want dat wat ons beloofd is zal komen. [MdG]. [DK]
4 Makkabeeën 17,19-23 Want Mozes zegt: ‘alle heiligen zijn onder uw handen (Deut 33,3). [20] Dezen worden nu, nadat zij zich ter wille van de zaak van God hadden verschanst, niet alleen om dit onderscheid, maar ook wegens het feit dat door hen onze vijanden niet tegen onze natie hebben gezegevierd. [21] En de despoot werd gestraft en ons land gezuiverd, omdat zij als het ware een losprijs werden voor de zonde van onze natie. [22] Door het bloed van deze rechtvaardigen en door de verzoening van hun dood redde de goddelijke voorzienigheid Israël, dat schandelijk was behandeld. [23] Want de despoot Antiochus, die aandachtig in acht nam hun heldhaftige deugdzaamheid en hun uithoudingsvermogen terwijl ze gemarteld werden, stelde publiekelijk hun standvastigheid ten voorbeeld aan zijn soldaten. [DK]
4 Makkabeeën 18,23 Maar de zonen van Abraham, die met hun moeder de zegeprijs wonnen, zijn bijeengebracht in het koor van hun vaderen, nadat zij van God zuivere en onsterfelijke zielen hebben ontvangen. Aan Hem zij glorie tot in de eeuwen der eeuwen. Amen. [DK].
2 Baruch 83, 4 Laat daarom geen van deze tegenwoordige dingen u bezighouden, laten wij liever afwachten, want dat wat ons beloofd is zal komen. [MdG]
1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,
in geestvervoering geraken
1 Henoch 71, 1 En hierna geschiedde het dat mijn geest in vervoering was. En zich verhief tot in de hemelen: en ik zag de heilige zonen Gods. Zij liepen op vuurvlammen. Hun klederen waren wit. Hun aangezichten straalden als sneeuw. [DK]
1 Henoch 71, 5 En hij leidde mijn geest naar de hemel der hemelen. En ik zag daar iets als een gebouw van ijskristal. En temid-den van het ijskristal waren tongen van le-vend vuur. [DK]
de dag van de Heer
2 Henoch 33, 2 Zodat de achtduizend niet worden gerekend met een begin van een tijd en zonder einde zijn, of het nu zijn jaren, maanden, weken, dagen of uren.
Zoals de eerste dag van de week, opdat ook de achtste dag van de week voortdurend zal wederkeren. [DK]
een luide stem
Test.Job 3, 1 Op een avond toen ik in bed lag, kwam tot mij een luide stem [μεγάλη φωνή] in een zeer helder licht, zeggende, [DK]
Martyrium Jesaja 6, 8- 9 En toen zij allen de stem van de Heilige Geest hoorden, aanbaden ze allen op hun knieën, en prezen de God der gerechtigheid, de Aller-hoogste, Hij die woont in de bovenwereld en zetelt in de hoge; de Heilige, Hij die rust bij de heiligen. [9] En zij schreven glorie toe aan Hem die genadig een deur gegeven heeft aan een man temidden van een vervreemde wereld. [DK]
Apocalyps Sadrach 2, 2- 3 En Sadrach zei: ‘wat is het, mijn Heer?’ En de stem zei tot hem: ‘Ik ben naar je toe gezonden om je naar de hemel te dragen.’ [DK]
Hist.Rechabieten 1, 3 En op een van de dagen waarop hij in gebed was, kwam er een stem tot hem en een engel kwam naar hem toen en zei tot hem: “O Zozimus, man van God, ik ben vanuit de hoge gezonden naar u om u de weg te wijzen, opdat u kunt reizen en de gezegenden kunt zien, zoals u de Heer smeekte. […]” [DK]
1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderingen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!
1,11 Zeggende [λεγούσης]: Ik ben de Alfa en de Oméga [ἐγώ ἐιμι τὸ α καὶ ὁ ω], de Eerste en de Laatste [ὁ πρῶτος καὶ ὁ ἔσχατος]; en hetgeen gij ziet [καὶ ὁ βλέπεις], schrijf dat in een boek [γράφον εἰς βιβλίον], en zend het aan de zeven gemeenten [καὶ πέμψον ταῖς ἐκκλησίαις], die in Azië zijn [ταῖς ἐν ἀσία], namelijk naar Éfeze [εἰς Ἔφεσον], en naar Smyrna [καὶ εἰς Σμύρναν], en naar Pérgamus [καὶ εἰς Φέργαμον], en naar Thyatíre [καὶ εἰς Θυάτειρα], en naar Sardis [καὶ εἰς Σάρδεις], en naar Filadelfía [καὶ εἰς Φιλαδέλφειαν], en naar Laodicéa [καὶ εἰς Λαοδίκειαν]. [Statenvertaling / Textus Receptus]
in een boek
1 Henoch 104,12-13 Daarvan ken ik een ander geheimenis; die boeken zullen aan de rechtvaardigen en wijzen gegeven worden om een oorzaak te worden van vreugde en oprechtheid en veel wijsheid. 13 En aan hen zullen de boeken gegeven worden, en zij zullen er op vertrouwen en er over verheugd zijn, en dan zullen alle rechtvaardigen die er uit geleerd hebben alle paden van oprechtheid vergolden worden.’ [DK]
2 Henoch 33, 9-11 En verspreid de boeken in uw handschrift aan uw kinderen en (uw) kinderen aan (hun) kinderen; en de ouders zullen ze van generatie op generatie lezen. 10 Want ik zal je een bemiddelaar geven, Henoch en mijn generaal Michaël, door toedoen van jouw geschrift en het geschrift van je vaderen: Adam en Seth. 11 Ze zullen niet worden vernietigd tot het laatste tijdperk. Want ik heb mijn engelen, Ariokh en Mariokh bevolen. [DK]
Efeze – Ἔφεσος
Sibyllijnse Orakels 3,341-347 Er zullen kloven zijn en gapende afgronden. Vele steden 342 zullen vallen met hun bewoners; in Azië: Iassos, 343 Cebren, Pandonia, Colofon, Efeze, Nicea, 344 Antiochië, Tanagra, Sinope, Smyrna, Maros, 345 welvarend Gaza, Hiërapolis, Astypalaea, 346 van Europa: vermaard Cyagra, koninklijk Meropeia, 347 Antigona, Magnesia, goddelijk Mycene. [DK]
Sibyllijnse Orakels 3,459 Trallis, dat grenst aan Efeze, zal door aardschokken vernietigd worden. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,292-297 Aan donker Azië […] 293 Het heiligdom van Artemis, gebouwd door de bewoners van Efeze 294 zal gapend en met aardschokken vallen in de wondere zee, 295 onstuimig, als stormwinden de schepen overweldigen. 296 Efeze, jammerend en wenend op de oevers 297 zoekend naar de tempel die er niet meer is. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,306-307 Ook Smyrna zal komen, jammerend over zijn muziekmaker 307 bij de poorten van Efeze, en zelf zal zij omkomen. [DK]
Smyrna – Σμύρνα
Apocalyps Daniël 1, 6 En een ander zal ko-men in Antiochië, Cilicië en Iberisch Anatolië, het land van Trakysan en Smyrna en tot aan de stad met de zeven heuvels. [DK]
Sibyllijnse Orakels 3,341-347 Er zullen kloven zijn en gapende afgronden. Vele steden 342 zullen vallen met hun bewoners; in Azië: Iassos, 343 Cebren, Pandonia, Colofon, Efeze, Nicea, 344 Antiochië, Tanagra, Sinope, Smyrna, Maros, 345 welvarend Gaza, Hiërapolis, Astypalaea, 346 van Europa: vermaard Cyagra, koninklijk Meropeia, 347 Antigona, Magnesia, goddelijk Mycene. [DK]
Sibyllijnse Orakels 3,365-366 Van het omkomende Smyrna geen woord. Er zal een wreker zijn, [366] maar met slechte bedoelingen en de slechtheid van (zijn) heren. [G.W. Lorein, 1997, 297-298]
Sibyllijnse Orakels 5,122 Op een dag zal Smyrna wenen, gerold van de kliffen. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,306-307 Ook Smyrna zal komen, jammerend over zijn muziekmaker 307 bij de poorten van Efeze, en zelf zal zij omkomen. [DK]
Pergamum – Πέργαμος
Sibyllijnse Orakels 5,119 Pergamum, dat voorheen met ontzag werd bejegend, zal vergaan als een tros druiven. [DK]
Tyatira – Θυάτειρα
geen plaatsen gevonden waar Tyatira wordt vermeld
Sardes – Σάρδεις
Sibyllijnse Orakels 3,477-479 Cyrnus, klagend over zijn bejaarde voorouder; en Sardis, zal zinken in de golf 478 met kinderen van de zee, temidden van grote stormen in de winter 479 en de kwellingen van de heilige Godheid in de diepten van de zee. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,289 Wee, gij Sardis, wee, lieflijk Trallis. [DK]
Sibyllijnse Orakels 7,96 Sardis, dat nu machtig is, zal in de as worden gelegd. [DK]
Filadelfia – Φιλαδέλφεια
geen plaatsen gevonden waar Filadelfia wordt vermeld
Laodicea – Λαοδίκεια
Sibyllijnse Orakels 3,470-473 Maar wanneer uit Italië een boosdoend man zal komen, dan, 471 Laodicea, ondersteboven duikelend, 472 schitterende stad der Kariërs bij Lycus’ wonderbaarlijke water, 473 zult gij zwijgen, betreurend een verwaande ouder. [G.W. Lorein, 1997, 296-297]
Sibyllijnse Orakels 4,107-108 Ellendig Laodicea, op een bepaalde tijd zal een aardbeving je neerwerpen 108 en je tot een vlakte maken, maar gij zult weer worden opgericht als stad en weer staan. [DK]
Sibyllijnse Orakels 5,290-291 Wee, Laodicea, schone stad, hoe zult hij vergaan, 291 door aardschokken verwoest en geworden tot stof. [DK]
Sibyllijnse Orakels 7,22 Helaas, Laodicea, waaghals! Je zult leugen spreken! [DK]
Sibyllijnse Orakels 12,280-281 Helaas, Laodicea, ellendig Hierapolis, 281 want de gapende aarde ontving u als eerste […] [DK]
Sibyllijnse Orakels 14,85-86 Ellendig Laodicea, gij zult opstaan in uw trots; 86 een grote, mislukte oorlog door toedoen van de goddeloosheid van mensen. [DK]
1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,
2 Henoch 1, 4- 5 En aan mij verschenen twee zeer grote mannen, zoals ik nog nooit op aarde gezien had. [5] Hun aanschijn was als de stralende zon; Hun ogen waren als brandende lampen; Uit hun monden kwam vuur; hun kleding was een veelkleurige zang en hun armen waren als gouden vleugels. [DK]
Martyrium Jesaja 9, 2 En hij zei tot mij, toen ik beefde: ‘Zie! Van daar is een andere stem gekomen die uitgezonden is en die zegt: ‘Het is de heilige Jesaja vergund om hier te komen want zijn kleed is hier.’ [DK]
1,13-15 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel; 14 maar zijn hoofd en haren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vlam van vuur, 15 en zijn voeten gelijk geelkoper, als in een oven vuur-doorgloeid gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;
(iemand als) een mensenzoon
4 Ezra 13, 3 En ik zag, en zie: Met de wolken des hemels (Daniël 7,13) vloog een mens mee. En waarheen hij zijn gelaat keerde om waar te nemen, daar sidderden alle dingen die door hem werden gezien [PO]
Wijsheid 18,24 Op zijn immers tot de voeten reikende mantel was als versiering heel de wereld aanwezig, ook de gloriedaden van de va-deren op vier rijen insnijding in stenen en uw grootheid op de krans om zijn hoofd. [PO]
1 Henoch 46, 1- 6 Daar zag ik Hem aan wie behoort de tijd, voor de tijd. En Zijn hoofd was wit als wol, En er was iemand bij Hem, die een aangezicht had als dat van een mens. En Zijn gelaat was vol genade, evenals de heilige engelen. 2 En ik vroeg aan hem, één van de engelen die mij vergezelde, en die mij alle geheimenissen openbaarde aangaande Hem, die een Zoon des mensen is, wie deze is en waarom hij met het Hoofd der dagen is. 3 En hij antwoordde mij, en sprak aldus: “Dit is de Zoon des mensen, die gerechtigheid bezit en bij wie gerechtigheid woont. En Hij zal alle verborgen schatkamers openbaren; want de Heer der geesten heeft Hem verkoren, Hem is gegeven de overwinning voor het aangezicht van de Heer der geesten tot in de eeuwen der eeuwen. 4 Deze Zoon des mensen, die gij gezien hebt, is degene die koningen en machthebbers van hun gerieflijke zetels zal stoten, en de geweldenaren van hun tronen. Hij zal de teugels van de geweldenaars laten verslappen en de tanden van de zondaren verbrijzelen. 5 Hij zal de koningen van hun tronen en uit hun koninkrijken verstoten. Want zij verheerlijken en prijzen Hem niet, en zijn niet gehoorzaam aan Hem aan wie zij het koningschap ontlenen. 6 Hij zal de aangezichten van de machthebbers verslappen en vervullen met schaamte en duisternis Hun verblijf en hun rustplaats zal zijn bij de wormen. Er zal voor hen geen uitzicht zijn om te herrijzen van hun rustplaats, want zij maken de naam van de Heer der geesten niet groot. [DK]
de uiterlijke verschijning van de Mensenzoon
1 Henoch 17, 4- 5 En zij brachten me bij het levende water en bij het vuur van het westen , dat bij elke zonsondergang gezien wordt . 5 En ik kwam bij een rivier van vuur waarin het vuur als water stroomde en uit-mondde in de grote zee in het westen . [DK]
1 Henoch 46, 1 Daar zag ik Hem aan wie behoort de tijd, voor de tijd. En Zijn hoofd was wit als wol, En er was iemand bij Hem, die een aangezicht had als dat van een mens. En Zijn gelaat was vol genade, evenals de heilige engelen.
1 Henoch 106, 2 En zijn lichaam was wit als sneeuw en rood als de bloem van een roos, en het haar van zijn hoofd en zijn lange lokken waren wit als wol, en zijn ogen geleken op de stralen van de zon. En toen hij zijn ogen opende werd het gehele huis licht, zoals de zon schijnt; het gehele huis was zeer helder. [DK]
2 Henoch 1, 5 Hun aanschijn was als de stralende zon; Hun ogen waren als brandende lampen; Uit hun monden kwam vuur; hun kleding was een veelkleurige zang en hun armen waren als gouden vleugels. [DK]
Test.Job 46, 9 En hij schonk (elke dochter) een gordel en sprak: neem en gordt uw om uw borst, zodat het u wel ga, alle dagen van uw levens. [DK]
Jozef & Aseneth 5, 4- 5 Meteen toen de oostelijke poorten van de hof opengingen reed Jozef op de tweede wagen van Farao binnen. 5 Hij werd getrokken door vier paarden, wit als sneeuw, met gouden teugels; de wagen was met goud bedekt. [MdG]
Jozef & Aseneth 14,12-16 Toen stond Aseneth op en de mens sprak tot haar: Trek het zwarte kleed, waarin je je gehuld hebt, uit, en doe de zak van je heupen, schud de as van je hoofd en was je gezicht met levend water. 13 Trek daarna een nieuw, rein kleed aan en omgord je heupen met de schitterende, dubbele gordel van je maagdelijkheid. 14 Kom daarna weer bij mij terug, dan zal ik je de woorden meedelen die voor jou bestemd zijn.’ 15 Daarop ging Aseneth haar kamer waarin de kisten met haar mooie spullen stonden, opende haar kist en haalde er een nieuw, opvallend kleed uit; het zwarte kleed trok zij uit en het nieuwe, schitterende kleed aan. 16 Daarna deed zij het touw en de zak van haar heupen en omgordde zich met de dubbele en schitterende gordel van haar maagdelijkheid; de ene gordel deed zij om haar heupen, de andere op haar borst, [MdG]
Apocalyps Abraham 11, 2 De verschijning van zijn lichaam was als saffier en de aanblik van zijn aangezicht was als chrysoliet en het haar van zijn hoofd als sneeuw. [DK]
Apocalyps Sefanja 6,11-17 Toen rees ik omhoog en stond op mijn voeten, en ik zag een grote engel voor me staan met zijn aangezicht schitterend als de stralen van de zon in zijn luister. 12 Zijn gordel was als een gouden gordel over zijn borst. Zijn voeten waren als brons dat in vuur is gesmolten. 13 En toen ik hem zag, verheugde ik mij, want ik dacht dat de Almachtige Heer mij was komen bezoeken. 14 Ik viel op mijn aangezicht en aanbad hem. 15 Hij zei tegen mij: ‘wees opmerkzaam; aanbidt mij niet. Ik ben niet de Almachtige Heer maar ik ben de grote engel Jeremiël, die gesteld is over de afgrond en de Hades, waarin alle zielen gevangen zijn vanaf het einde van de zondvloed, die op de aarde kwam, tot aan de dag van vandaag. 16 Toen vroeg ik de engel; ‘Waar ben ik naar toe gekomen?’ Hij zei tot mij: ‘Het is Hades!’ 17 Toen vroeg ik hem: ‘Wie is de grote engel die hier staat, wie heb ik gezien?’ Hij zei: ‘dit is degene die mannen beschuldigde in de aanwezigheid van de Heer.’ [DK]
zijn stem als de stem van vele wateren
4 Ezra 6,17 En het geschiedde: toen ik dit had gehoord, rees ik op mijn voeten en hoorde, en zie: een stem die sprak, en haar klank was als de klank van vele wateren [Ez. 43,2; Opb. 1,15]. [PO]
Apocalyps Abraham 18, 1- 2 En terwijl ik dit lied nog declameerde, rees de haard van het vuur dat zich aan het firmament bevond, omhoog. 2 En ik hoorde een stem als het gebulder van de zee, hield niet op door de overvloed van het vuur. [DK]
Apocalyps Sadrach 2, 1 En hij hoorde een onzichtbare stem in zijn oren: ‘Hier ben ik, Sadrach, gij die begeert en wenst met God te spreken en hem vraagt om je te onthullen dingen die je wilt vragen.’ [DK]
1,16 in zijn rechterhand heeft hij zeven sterren; uit zijn mond trekt een tweemondig scherp zwaard uit en zijn aanschijn schijnt als de zon in zijn kracht.
rechterhand
Wijsheid 5,16 Daarom mogen zij de meest passende koninkrijkskroon aannemen, en de schoonste erekrans uit de hand van de Heer,- want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, met zijn arm hem beschutten. [PO]
4 Ezra 3, 6 Gij hebt hem het paradijs binnengeleid dat uw rechterhand geplant heeft voordat hij uit de aarde aankwam. [PO]
Apocalyps Abraham 11,3b en een gouden scepter was in zijn rechterhand. [DK]
zeven sterren
1 Henoch 18,13b Ik zag daar zeven sterren als zeven brandende bergen. [DK]
1 Henoch 21, 3 En ik zag dat zeven sterren van de hemel daarin gebonden waren als grote bergen brandend in vuur. [DK]
2 Henoch 27, 1- 3 En ik beval: ‘Laat er iets van het licht worden genomen en iets van de duisternis.’ 2 En ik zei: ‘trek samen en wordt omgord met licht!’ En ik spreidde het uit en het werd water. En ik spreidde het uit boven de duisternis, onder het licht. 3 En zo maakte ik het aaneengesloten water; dat wil zeggen: de diepte. En ik maakte rondom het water een fundament van licht. En ik schiep daarin zeven grote cycli en gaf aan deze een kristallen uiterlijk; nat en droog; dat wil zeggen: glas en ijs, om voor de wateren en de andere elementen te zijn tot stroomkring. En ik wees aan elk zijn weg, naar de zeven sterren, elk van deze in een eigen hemel, zodat ze al-zo zouden kunnen reizen. [DK]
Test.Salomo 8, 1-12 Nogmaals verheerlijkte ik God, die mij dit gezag gaf en ik beval een andere demon om voor mij te verschijnen. Er kwamen zeven geesten, hand en voet samengebonden. Schoon van vorm en sierlijk. Toen ik, Salomo, hen zag was ik verbaasd en vroeg hen: ‘Wie bent u?’ 2 Zij antwoordden: ‘Wij zijn hemellichamen, heersers van deze duistere wereld.” 3 De eerste zei: ‘ik ben Misleiding.’ De tweede zei: ‘ik ben Strijd.’ De derde zei: ‘ik ben Noodlot.’ De vierde zei: ‘ik ben Nood.’ De vijfde zei: ‘ik ben Dwaling.’ De zesde zei: ‘ik ben Kracht.’ 4 De zevende zei: ‘ik ben het Slechtste. Onze sterren aan de hemel ogen klein, maar we worden genoemd als goden. Samen veranderen we van positie en we leven samen, soms in Lydia, soms in Olympus, soms op de grote berg. 5 Toen bleef ik, Salomo, hen ondervragen; te beginnen met de eerste. ‘Vertel me wat je doet.’ Hij ant-woordde: ‘ik ben Misleiding. Ik bind bedrog bijeen en bedenk de meest kwaadaardige dwaal-wegen. Maar er is er één die mij dwarsboomt – de engel Lamechiel. 6 De tweede zei: ‘ik ben Strijd. Ik veroorzaak strijd door knuppels, schroot en zwaarden, mijn oorlogswerktuigen, beschikbaar te maken, maar ik heb een engel die mij dwarsboomt: Baruchiël. 7 Evenzo zei de derde: ‘ik word Noodlot genoemd. Ik zorg ervoor dat elk mens vecht in de strijd in plaats van eervol vrede te sluiten met degenen die aan de winnende hand zijn. Maar waarom praat ik zo veel? Er is een engel die mij dwarsboomt: Marmaroth. 8 De vierde, [Nood], zei: ‘Ik zorg ervoor dat de mensen geen matigheid hebben; ik verdeel hen in partijschappen en houd ze gescheiden. Omdat Noodlot in mijn voetsporen treedt zet ik mannen op tegen elkaar en doe ik met heb veel an-dere soortgelijke dingen. Maar waarom praat ik zo vaak? Er is een engel die mij dwars-boomt, de grote Balthioul.’ 9 De vijfde zei: ‘ik ben Dwaling, koning Salomo, en ik leid u in dwaling en ik heb u in dwaling geleid toen ik uw broeders liet doden. Ik leid mensen in de fout door te jagen naar graven en te onderwijzen hoe ze moeten worden gedolven. Ik leid de geesten van mensen om ze te laten afdwalen van religie en ik doe veel andere slechte dingen. Maar er is een engel die mij dwarsboomt: Ouriël. 10 Evenzo zei de zesde: ‘ik ben Macht. Ik wek despoten op, ik zet koningen af en ik verleen macht aan allen die vijanden zijn. Er is een engel die mij dwarsboomt, Asteraoth. 11 Evenzo zei de zevende: ‘ik ben het Slechtste, en gij, koning, ik zal u kwaad doen als ik bevel geef (u gebonden te doen zijn) met de banden van Artemis. Omdat deze dingen u beïnvloeden, verlangt u als een geliefde, maar voor mij, (dat wil zeggen) een verlangen dat overeenkomt met mijzelf (wat wijsheid is). Want als iemand wijs is zal hij niet in mijn voetsporen treden.’ 12 Maar ik, Salomo, toen ik deze dingen hoorde, verzegelde ik hen met de ring van God en gebood hen het fundament van de tempel te graven. Het strekte zich uit in de lengte. Zo werden alle dingen die hen werden opgedra-gen, volbracht. [DK]
sterren als symbool van engelen
1 Henoch 21, 3- 6 En ik zag dat zeven sterren van de hemel daarin gebonden waren als grote bergen brandend in vuur. 4 Toen sprak ik: ‘Om welk kwaad zijn zij gebonden en om welke reden zijn zij hierin geworpen?’ 5 Toen sprak Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was en over hen gesteld was en hij zei: 6 ‘Henoch, waarom vraagt u dit en wilt u de waarheid weten? Dezen waren onder de sterren des hemels overtreders van het gebod van de Heer en zijn hier gebonden tot tienduizend jaar vol zullen zijn – de tijd van hun overtreding. [DK]
scherp zwaard
Wijsheid 18,14-16 Immers, terwijl een rustig zwijgen [ἡσύχου γὰρ σιγῆς] alles omgaf [περιεψούσης] en de nacht in de eigen snelheid [ἐν ἰδίω τάξει] half voorbij [μεσαζούνης] was, 15 sprong uw alvermogend woord [ὁ παντοδύναμός σου λόγος] in de hemelen van koninklijke tronen als een kortaangebonden krijgsheld [ἀπότομος πολεμιστὴς] midden op het land dat ten ondergang gedoemd was [μέσον τῆς ὀλεθρίας ἤλατο γῆς], dragend [φέρω = wegdragen] als een scherp zwaard [ξίφος ὀξὺ τὴν] uw ongeveinsde opdracht [ἀνθπόκριτον ἐπιταγήν σου]. 16 Het stelde zich op [καὶ στὰς] en vervulde alles met dood [ἐπλήρωσεν τὰ πάντα θανάτου]; het raakte de hemel aan [καὶ οὐρανοῦ μὲν ἤπτετο] maar liep over de aarde [βεβήκει δ’ ἐπὶ γῆς]. [PO]
Sirach 21, 3 Als een tweesnijdend zwaard is alle wetloosheid, van de slag die zij toebrengt is geen genezing. [PO]
1 Henoch 17, 3 En ik zag de verblijfplaatsen van de hemellichten en de schatkamers van de sterren en van de donder en in de einden en de diepten van de hemel, waar een vurige boog en pijlen en pijlkoker waren [en een vurig zwaard] bij alle bliksemschichten.
aanschijn als de zon
1 Henoch 1, 5 Hun aanschijn was als de stralende zon; Hun ogen waren als brandende lampen; Uit hun monden kwam vuur; hun kleding was een veelkleurige zang en hun armen waren als gouden vleugels. [DK]
Jozef & Aseneth 14, 1- 9 Toen Aseneth haar schuldbelijdenis voor de Heer beëindigd had, zie, daar ging de morgenster aan de oostelijke hemel op, en Aseneth zag hem, verheugde zich en dacht: 2 ‘De Heer God heeft mij blijkbaar verhoord, want deze ster is een bode en een heraut van het licht van de grote dag.’ 3 En zie, vlak bij de morgenster scheurde de hemel en er verscheen een onuitsprekelijk (groot) licht. 4 Aseneth viel voorover in de as en uit de hemel kwam een mens naar haar toe. Hij bleef boven haar hoofd staan en riep haar: ‘Aseneth!’ 5 Zij dacht: ‘Wie heeft mij geroepen? De deur van mijn kamer is immers gesloten en de toren is hoog. Hoe is hij dan in mijn kamer gekomen?’ 6 En de mens riep haar ten tweeden male: ‘Aseneth, Aseneth!’ En zij antwoordde: ‘Zie, hier ben ik, heer, zeg mij wie u bent.’ 7 En de mens antwoordde: ‘Ik ben de overste van het huis van de Heer, de aanvoerder van heel het leger van de Allerhoogste. Ga rechtop staan, dan zal ik tot je spreken.’ 8 Toen sloeg zij haar ogen op en zag het volgende: een man die in alles op Jozef leek, in kleding, krans en koninklijke scepter. 9 Maar zijn gezicht leek op de bliksem, zijn ogen op het licht van de zon, het haar van zijn hoofd op een intense vlam en zijn handen en zijn voe-ten op gloeiend ijzer. [MdG]
Jozef & Aseneth 18, 7 Daarna sprak zij tot haar dienares: ‘Breng mij zuiver water uit de bron.’ En Aseneth boog zich over het water in de schotel. Haar gezicht was als de zon en haar ogen als de morgenster wanneer hij opkomt. [MdG]
Apocalyps Abraham 11, 3a En een tulband was op zijn hoofd, het had het aanzien als van een regenboog en de stof van zijn klederen was purper; [DK]
Apocalyps Abraham 17, 1 zie, het vuur komt van alle kanten ons tegemoet, en er was een stem in het vuur als een stem van vele wateren, als een stem van de zee in zijn onstuimigheid. [DK]
Apocalyps Sefanja 6,11-17 Toen rees ik omhoog en stond op mijn voeten, en ik zag een grote engel voor me staan met zijn aangezicht schitterend als de stralen van de zon in zijn luister. 12 Zijn gordel was als een gouden gordel over zijn borst. Zijn voeten waren als brons dat in vuur is gesmolten. 13 En toen ik hem zag, verheugde ik mij, want ik dacht dat de Almachtige Heer mij was komen bezoeken. 14 Ik viel op mijn aan-gezicht en aanbad hem. 15 Hij zei tegen mij: ‘wees opmerkzaam; aanbidt mij niet. Ik ben niet de Almachtige Heer maar ik ben de grote engel Jeremiël, die gesteld is over de afgrond en de Hades, waarin alle zielen gevangen zijn vanaf het einde van de zondvloed, die op de aarde kwam, tot aan de dag van vandaag. 16 Toen vroeg ik de engel; ‘Waar ben ik naar toe gekomen?’ Hij zei tot mij: ‘Het is Hades!’ 17 Toen vroeg ik hem: ‘Wie is de grote engel die hier staat, wie heb ik gezien?’ Hij zei: ‘dit is degene die mannen be-schuldigde in de aanwezigheid van de Heer.’ [DK]
Sibyllijnse Orakels 6,28 Als uw vurige oog, o God vlamt als de bliksem. [DK]
1,17-18a En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend: vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste 18a en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen,
viel ik als dood aan zijn voeten … vrees niet
4 Ezra 3, 3 Mijn geest werd zeer ontroerd, en in bewoordingen vol vrees begon ik tot de Allerhoogste te spreken [PO]
4 Ezra 5,14-15 Ik ontwaakte, en mijn li-chaam huiverde zeer en mijn ziel moest zo zwoegen dat ze flauwviel! 15 De engel die was gekomen hield mij vast; hij sprak op mij in, hij versterkte mij en liet mij weer staan op mijn voeten. [PO]
4 Ezra 10,30 en zie, ik lag erbij als een dode en mijn verstand was mij ontvreemd; hij hield mijn rechterhand vast, troostte mij, deed mij staan op mijn voeten en zei tot mij: [PO]
Apocalyps Sefanja 9, 4- 5 Toen snelde hij (een grote engel) naar alle rechtvaardigen, namelijk Abraham en Izak en Jakob en Henoch en Elia en David. 5 Hij sprak met hen als vriend de een met de ander. [DK]
ik ben de eerste en de laatste
Testament Isaak 6,35 Hij is de eerste en de laatste, zoals de profeten hebben gezegd. [DK]
de levende tot in de eeuwen der eeuwen
Sirach 18, 1 Hij die leeft tot in de eeuwigheid heeft alles geschapen voor gemeenschap-pelijkheid. [PO]
1,18b-19 en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades; 19 schrijf dus op wat je gezien hebt, én wat is én wat op het punt staat te geschieden hierna;
ik heb de sleutels van de gestorven staat en van de hades
Jubileeën 4,22 En getuigde tegenover de wachters, zij die zondigden met de dochters der mensen doordat zij zich begonnen te verenigen met de dochters der mensen, waardoor zij zich verontreinigden. En Henoch legde getuigenis af tegen hen allen. [DK]
2 Henoch 42, 1- 4 En ik zag de sleutelbewaarders van de hel bij de zeer grote deuren staan. Als grote slangen met ogen als gedoofde lampen en hun tanden ontbloot tot op hun borst. 2 En ik sprak tot hun porums: “Het zou beter zijn geweest als ik je niet had gezien, noch over je werken had gehoord, noch dat een lid van mijn stam naar je toe was gebracht. In hoeverre hebben ze in dit leven gezondigd? maar tijdens het eeuwige leven zullen ze gedurende alle tijden lijden’. 3 En ik ging op naar het oosten, naar het paradijs van Eden, waar rust wordt voorbereid voor de rechtvaardigen. En het is geopend naar de derde hemel; maar het is afgesloten van deze wereld. 4 En de wachters worden aangesteld bij de zeer grote poorten ten oosten van de zon, engelen van vuur, overwinningsliederen zingend, nooit stil, zich verheugend op de komst van de rechtvaardigen. [DK]
Test.Abraham [A] 20, 1-15
Hemelvaart Mozes 10, 2 Dan zullen de handen van de engel, als hij in de hemel is, worden vervuld. En dan zal hij hen wreken op hun vijanden. [DK]
Oden Salomo 15, 9 De dood is vernietigd voor mijn aangezicht en Sjeool is overwonnen door Mijn woord. [DK]
wat op het punt staat te geschieden hierna
Jubileeën 4,15 En in de tweede week van de tiende Jubilee, nam Mahalalel voor zich tot vrouw, Dinah, de dochter van Baraqiël, de dochter van de broer van zijn vader. En zij baarde hem een zoon in de derde week in het zesde jaar. En hij noemde hem Jered want in zijn dagen zullen de engelen van de Heer, die wachters genoemd worden, neerdalen op de aarde om de zonen der mensen te onder-wijzen en te bewerken recht en gerechtigheid op aarde. [DK]
2 Henoch 39, 2 Want ik, ik ben door de mond van de Heer tot u gezonden om tot u te spreken van wat nu is en wat er zal zijn tot op de dag van het oordeel. [DK]
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergaderingen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
Zie: 1,16
geheim(enis) – μυστήριον
Tobit 12, 7 het is edel het geheim van een koning te verbergen maar de werken van God glorierijk te onthullen; doet goed, en geen kwaad zal u treffen. [PO]
Judith 2, 2 Hij roept al zijn verzorgers en al zijn rijksgroten samen en deelt hun zijn geheime raadsbesluit mee, en verhaalt met eigen mond van al het kwaad over de aarde. [PO]
Wijsheid 2,22 Gods geheimenissen kennen zij niet, op loon voor heiligheid hopen zij niet en een ereprijs voor smetteloze zielen achten zij niet. [PO]
Wijsheid 6,22 Maar wat wijsheid is en hoe zij is geboren, zal ik verkondigen, en ik zal geen geheimenissen voor u verbergen; nee, vanaf hoofd-en-begin van haar geboorte zal ik het spoor volgen en de kennis van haar te voorschijn brengen; aan de waarheid zal ik geenszins voorbijgaan; [PO]
Wijsheid 14,15 Een vader immers, die verteerd wordt door ontijdige rouw maakt een beeld van het te snel weggenomen kind, en dat wat eens een dode mens was vereert hij nu als een god, en aan zijn ondergeschikten geeft hij opdracht voor mysteriën en inwijdingen. [PO]
Wijsheid 14,23 Immers, of zij kindermoordende inwijdingen houden, of geheimzinnige mysteriën, of razende zwelgpartijen met zonderlinge zeden, [PO]
Sirach 22,22 Als je tegen een vriend een mond opentrekt, trek het je niet aan, er is immers verzoening mogelijk; behalve met een scheldpartij, hoogmoed, onthulling van een geheim en een listige slag: bij die dingen zal elke vriend op de vlucht slaan. [PO]
Sirach 27,16-17 Wie geheimen – μυστήριον – onthult – ἀποκαλύπτω – verliest het vertrouwen en zal nooit een vriend vinden voor zijn ziel. [17] Houd van een vriend en wees vertrouwelijk met hem; maar als je zijn geheimen – μυστήριον – onthult – ἀποκαλύπτω -, jaag hem dan maar niet meer achterna. [PO]
Sirach 27,21 Want een wond is te verbinden en een scheldpartij te verzoenen, maar wie geheimen onthult kan alle hoop laten varen. [PO]
2 Makkabeeën 13,21 Maar uit het Judese kamp verkondigt Rodocus de geheimen; hij wordt opgespoord, vastgenomen en ingesloten. [PO]
Test.Levi 2,10 En als u daarheen bent opgestegen zult u staan nabij de Heer. Gij zult zijn priester zijn en zijn geheimenissen aan de mensen meedelen. Gij zult diegene aankondigen die op het punt staat Israël te verlossen. [DK]
engelen van de zeven vergaderingen
Martyrium Jesaja 3,15-16 En de nederdaling van de engel van de gemeente, die in de hemelen is, die zal hij ontbieden in de laatste dagen. En dat is de engel van de Heilige Geest [16] en Michaël, de overste van de heilige engelen, zal zijn graf op de derde dag openen. [DK]