20
En de Eeuwige, de Almachtige, zei tot mij: “Abraham, Abraham!” 2 En ik zei: “Hier ben ik!” 3 En Hij zei: “kijk van boven af naar de sterren die onder u zijn en tel ze voor mij en zeg mij hun aantal!” 4 En ik zei: “hoe zou ik dat kunnen, want ik ben een mens”. 5 En Hij zei tot mij: “zoals het getal van de sterren en hun menigte, zo zal ik voor uw zaad de volkeren en mensen stellen, apart gezet voor Mij in mijn lot tegen dat van Azazel. 6 En ik zei: “Eeuwige en Almachtige, laat uw dienaar spreken voor uw aangezicht en laat uw woede niet woeden tegen uw uitverkorene. 7 Zie, voor Gij mij naar boven leidde, werd ik door Azazel gehoond. Hoe is, nu hij niet meer voor u staat, uw beleid met hen?
21
En Hij sprak tot mij: “Zie dan onder uw voeten, naar het firmament, en versta hoe vanouds zowel de schepselen als de eeuw die sindsdien in haar is toebereid, overschaduwd zijn geweest door dit uitspansel. 2 En ik zag onder het uitspansel aan mijn voeten en ik zag de beeltenis van de hemel en de dingen daarin. 3 En daar (zag ik) de aarde en haar vrucht en haar en dat wat in haar beweegt. En dat wat in haar bezield is. En de menigte van mensen en de kwade neiging van hun zielen. En dat wat hen rechtvaardigt en het voortstuwen van hun werken en de afgrond met zijn kwellingen en zijn diepste diepten waarin verderf is. 4 En ik zag de zee en haar eilanden; zowel vee als vissen. En Leviathan en haar rijk en haar nest en haar holen en de bewoonde wereld die zich op haar neerlegt en haar woelingen en de verwoestingen die zij daarmee aanricht in de bewoonde wereld. 5 Daar zag ik de rivieren hun bovenloop (bereiken) met hun omloop. 6 En daar zag ik de tuin van Eden met zijn vruchten en de bron waarvandaan de rivier vloeit. En haar geboomte, vruchtdragend in hun bloei. En daarin zag ik mensen die met oprecht handelen, zowel in voedsel als in slaap. 7 En daar zag ik een grote menigte mannen en vrouwen en kinderen. De helft ter rechterzijde van het schaduwbeeld en de andere helft aan de linkerkant van het schaduwbeeld.
22
En ik zei, Eeuwige, Almachtige: “wat betekent dit beeld van de schepping?” 2 En Hij zei tot mij: “Dit is mijn wil aangaande wat in het licht staat en het was goed voor mijn aangezicht. En daarna gaf ik hen een bevel door mijn woord, en zij werden tot aanzijn geroepen. Hetgeen ik ook had bepaald, dat het zou bestaan, was daarmee al getekend en alle andere geschapen dingen die gij heb gezien stonden voor mij.” 3 En ik zei: “ O, gij, (die) soeverein (is), machtig en eeuwig! Waarom zijn de mensen op dit schaduwbeeld zowel aan deze als aan de andere zijde?” 4 En Hij zei tot mij: “Deze, aan de linkerzijde zijn een veelvoud van stammen die destijds bestonden… en na u waren het sommigen (die waren) bestemd tot oordeel en recht. Anderen op wraak en verderf aan het einde van de eeuw. 5 Degenen aan de rechterzijde van het schaduwbeeld zijn de mensen die voor Mij apart gezet zijn van de mensen (die) met Azazel (zijn). Deze zijn degenen die heb bestemd om uit u geboren te worden om Mijn volk genoemd te worden”.
23
“Ziet nog eens naar het schouwspel: Wie is degene die Eva heeft verleid, en wat is de vrucht van de boom? 2 En je zult weten wat zal zijn en hoeveel zal zijn voor uw zaad in de laatste dagen. 3 En wat je niet kunt begrijpen, zal ik je bekendmaken omdat ik behagen in je heb voor mijn aangezicht en ik zal je vertellen wat ik in mijn hart heb bewaard.” 4 En ik keek naar het schouwspel en mijn ogen bewogen naar de zijde van de tuin van Eden. 5 En daar zag ik een man van zeer grote lengte en ontzagwekkend in breedte, onvergelijkbaar wat betreft aanblik, verstrengeld met een vrouw die in aanblik en omvang gelijk is aan de man. 6 Ze stonden onder een boom van Eden, en de vrucht van de boom leek op een tros drui-ven van de wijnstok. 7 En achter de boom stond (iets) in de gedaante van een draak, echter, met handen en voeten als die van een man, op zijn rug zes vleugels aan de rechterkant en zes aan de linkerkant. 8 Hij hield de druiven van de boom vast en voerde ze aan de twee die ik verstrengeld zag met elkaar. 9 En ik zei: “Wie zijn deze twee met elkaar verstrengeld, of wie is dit tussen hen, en wat is de vrucht die ze eten, Machtige, Eeuwige?”
10 En hij zei: “Dit is de wereld van de mens; dit is Adam en dit is hun denken op aarde, dit is Eva. 11 En hij die tussen hen in staat, is de goddeloosheid van hun gedrag tot de ondergang, Azazel zelf.” 12 En ik zei: ‘Eeuwige, Machtige, waarom hebt gij hem dan zo’n heerschappij toegekend zodat hij door zijn werken de mensheid op aarde in het verderf zou kunnen storten?’ 13 En hij zei tegen mij: “Hoor Abraham! Zij, die het kwaad begeren, en al-len die ik heb gehaat terwijl ze kwaad bedrijven, hen – over hen gaf ik hem heerschappij, en hij zou van hen bemind worden.” 14 En ik antwoordde: en zei: Eeuwige, Machtige! Waarom behaagde het U om het te laten komen tot de begeerte van het kwaad in het hart van de mensen? Met als gevolg dat U toornig zou worden vanwege wat besloten is door uzelf… hem die vruchteloze werken doet in uw licht (?)”.
24
En aldus sprak Hij tot mij: “Dichtbij de naties… omwille van u en ter wille van degenen die na u zijn afgezonderd, de mensen van uw stam, zoals u zag in het schaduwbeeld, dat zal uw last zijn. 2 En Ik zal u verklaren wat zijn zal en gebeuren in de laatste dagen. 3 Zie nu het geheel, op het schaduwbeeld”. 4 En ik keek en zag daar de wezens die voor bij de schepping tot aanzijn kwamen. 5 En ik zag: Adam en Eva en degene die bij hen was, de sluwe tegenstander en Kaïn die door de tegensander was misleid tot het overtreden van de wet. En (ik zag) Abel, die vermoord was (en) het verderf dat over hem werd, de wetteloze, is gebracht. 6 En daar zag ik ontucht en zij die ernaar verlangden en de bezoedeling en hun ijver; en het vuur van hun verderf in de lagere diepten van de aarde. 7 En ik zag daar diefstal en degenen die daar snel in waren en de ordening van hun vergelding: het oordeel van het grote gericht. 8 Ik zag daar naakte mannen, voorhoofd aan voorhoofd en hun schaamte en de schade, door hen aangericht, bij hun vrienden en wat hun vergelding was. 9 En daar zag ik begeerte, en in haar hand zag ik de oervorm van elke vorm van wetteloosheid; en haar kwellingen en uitwerpingen uit de moederschoot, tot vernietiging.
25
En ik zag daar het beeld van de god van de afgunst, als een timmermansfiguur, zoals mijn vader die maakte met een lichaam van glinsterend koper. En daar voor een man die hij aanbad 2 En daar tegenover was een altaar en daarop werden jongens geslacht in het aanschijn van de god. 3 En ik zei Hem: “Wat is deze god? Wat is het altaar? Wie zijn degenen die geofferd worden? Wie is de offeraar? Wat is de tempel die ik zie; dat deze kunstzinnig is en de schoonheid van Uw heerlijkheid onder Uw troon?
4 En Hij zei: “Hoor, Abraham! Deze tempel, die je hebt gezien, het altaar en de kunstzinnigheden, dit is mijn ontwerp van het priesterschap in de Naam van Mijn glorie, waar elke smeekbede van de mensheid zal binnenkomen en wonen; de beklimming door koningen en profeten en welk offer ook dat aan mij wordt gebracht, wat ik ook maar beveel aan het volk uit u gaat ontspruiten. 5 En het beeld dat je zag is mijn woede, want de mensen die uit jou voortkomen en naar mij toe komen, zullen mij doen toornen. 6 En degene die je slachtende zag, is hij die mij doet toornen. En het offer is een doden van degenen die voor mij een getuigenis zijn van het eindgericht aan het begin van de schepping.
26
En ik zei: “Eeuwige, Almachtige! Waarom hebt U dit op deze wijze tot stand gebracht en doet U zo een beroep op hun getuigenissen?”
2 En Hij zei: “Hoor, Abraham, en versta wat ik u zal uiteenzetten en antwoord mij als ik u bevraag! 3 Waarom gehoorzaamde uw vader Terah niet uw stem en gaf hij niet prijs de de-monische aanbidding van afgoden, totdat hij omkwam en zijn hele huis met hem? 4 En ik zei: “Eeuwige, Almachtige! Zeker, omdat het hem niet behaagde mij te gehoorzamen. Evenmin volgde ik zijn werken na”. 5 En Hij zei: “Hoor, Abraham, zoals de wil van uw vader in hem is; zoals uw wil in u is; zo is het ook met de wil van mijn beraadslaging. 6 In de komende dagen zul je ze niet vooraf kennen, noch van de mannen van de toekomst zul je zien met eigen ogen zien dat ze van jouw zaad zijn. 7 Zie naar het schaduwbeeld!
27
En ik keek, zag en zie, het schaduwbeeld wisselde en vanaf de linker-zijde rende een menigte heidenen naar buiten en namen de mannen, vrouwen en kinderen, die ter rechter zijde waren, gevangen. 2 Sommigen slachtten zij en anderen hielden ze bij zich. 3 Zie, ik zag (hen) naar hen toe rennen langs vier beklimmingen en zij verbrandden de tempel met vuur en zij plunderden de heilige voorwerpen die daarbinnen waren. En ik zei: 4 “Eeuwige, de mensen, die U van mij hebt gekregen, worden beroofd door de horden van de heidenen. 5 Zij doden sommigen en houden anderen voor vreemdelingen. En zij hebben de tempel met vuur verbrand en roven en vernietigen de schatten die daar binnen zijn. 6 Eeuwige, Almachtige! Als dit zo is, waarom hebt U mijn hart gekweld en waarom zal het zo zijn?” 7 En Hij zei tegen mij: “Luister, Abraham, alles wat u hebt gezien zal gebeuren vanwege uw zaad dat mij (voortdurend) prikkelt vanwege het beeld dat je gezien hebt en het moorden in wat werd afgebeeld in de tempel van naijver. En alles wat u zag zal zo zijn.”
8 En ik zei: “Eeuwige, Almachtige! Laat de kwade werken (gedaan) in ongerechtigheid nu voorbijgaan; en maak daarin geboden, meer dan zijn rechtvaardige werken. 9 Want Gij kunt dit doen!” 10 En Hij zei tegen mij: “Opnieuw zal de tijd van gerechtigheid over hen komen, eerst door de heiligheid van koningen. 11 en Ik zal met gerechtigheid oordelen over hen die Ik als eerste heb geschapen, om bij hen te heersen over hen. 12 En uit dezen zullen voortkomen mannen, die zich voor hen zullen beijveren, zoals ik u heb getoond en zoals gij schouwde.”
28
En ik antwoordde en zei: “Machtige; Eeuwige; gij geheiligd door uw macht, betoon mij genade in mijn smeekbede, want daartoe heb gij mij openbaring gegeven en ook getoond. 2 Want hij hebt mij onder-wezen tot op uw hoogten. Openbaar mij, als uw geliefde, wat ik u ook vraag: zal wat ik heb gezien voor lang hun lot zijn?” 3 En hij toonde mij een groot deel van zijn volk. 4 En hij zei tot mij: “Hierom, vanwege de vier afdalingen die gij zag, zal mijn toorn over hen woeden, en dit zal de vergelding zijn voor hun werken. 5 En de vierde afdaling omvat honderd jaar. En één uur van die eeuw zal ook honderd jaar van slechtheid zijn onder de heidenen en één uur genade, zelfs met schande zoals bij de heidenen.”