De Bijbelcitaten zijn overgenomen uit de Naardense Bijbel, met schriftelijke toestemming van uitgeverij Skandalon. Voorlopig is alleen de tekst van Openbaring genomen uit de nieuwe gewijzigde editie van februari 2024. De overige Bijbelcitaten zullen nog worden aangepast aan die editie.
1, 1 Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft om aan zijn dienaars te tonen ‘wat spoedig moet geschieden’, en welke hij in tekenen bekendgemaakt heeft door die te zenden door zijn engel aan zijn dienaar Johannes,
openbaring – Ἀποκάλυψις // openbaren – ἀποκαλυπτω
Romeinen 1,17-18 Want rechtvaardiging door God wordt daarin geopenbaard – ἀποκα-λυπτω -, uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat: ‘maar de rechtvaardige zal leven uit geloof’ (Hab. 2,4). 18 Want geopenbaard – ἀποκαλυπτω – wordt vanaf de hemel toorn van God over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden,
Romeinen 2, 5 Overeenkomstig je verstoktheid en onbekeerlijke hart hoop je voor jezelf een schat aan toorn op voor de dag van toorn en van openbaring – ἀποκαλυψις – van het rechtvaardig oordeel van God,
Romeinen 8,18-19 Want ik reken erop dat al wat we in het tijdsgewricht van nu te lijden krijgen niet opweegt tegen de heerlijk-heid die ons onthuld – ἀποκαλυπτω – gaat worden. 19 Ja, reikhalzend – ἀποκαραδοκια – wacht de schepping op de onthulling – ἀποκαλυψις – van de zonen-en-doch-ters van God.
Romeinen 16,25 Aan hem die bij machte is u te versterken, overeenkomstig mijn verkon-diging en de prediking van Jezus Christus, οver-eenkomstig de openbaring – ἀποκαλυψις -van een geheimenis dat eeuwige tijden verzwegen bleef,
1 Korintiërs 1, 7 zodat ge met geen enkele genadegave achterblijft, gij die de openba-ring – ἀποκαλυψις – verwacht van onze Heer Jezus Christus.
1 Korintiërs 2,10 Want aan óns heeft God dat onthuld – ἀποκαλυπτω – door de Geest;
want de Geest doorvorst alle dingen, ook de diepten van God.
1 Korintiërs 3,13 ieders werk zal aan het licht komen. Want de Dag zal het duidelijk maken, omdat hij zich in vuur openbaart – ἀποκαλυπτω -, en wat ieders werk waard is zal het vuur beproeven.
1 Korintiërs 14, 6 Nu dan, broeders-en-zus-ters, als ik tot u kom en spreek in vreemde talen, wat voor nut zal ik voor u hebben als ik niet tot u zal spreken óf met een openbaring – ἀποκαλυψις – óf met kennis óf met profetie óf met onderricht?
1 Korintiërs 14,26 Wat staat er dan te doen, broeders-en-zusters? Wanneer ge samenkomt, heeft iedereen iets: een psalm, een onderrichting, een openbaring – ἀποκαλυψις -, een vreemde taal of vertolking: maar laat alles tot opbouw geschieden!
1 Korintiërs 14,30 Maar als aan een ander die daar zit iets wordt geopenbaard – ἀποκα-λυπτω -, moet de eerste zwijgen.
2 Korintiërs 12, 1 Moet men zich ergens op beroemen?- het draagt nergens toe bij, maar dan zal ik overgaan op visioenen en openbaringen – ἀποκαλυψις – van de Heer:
2 Korintiërs 12, 7 ook in de overvloed van de openbaringen – ἀποκαλυψις -; daarom, opdat ik mij niet zal verheffen is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van satan, om mij vuistslagen te geven opdat ik mij niet zal verheffen.
Galaten 1,12 want ík heb die ook niet van een mens aangenomen of onderricht gekregen, maar door een openbaring – ἀποκαλυψις – van Jezus Christus.
Galaten 1,16 zijn zoon in mij te openbaren – ἀποκαλυπτω -, opdat ik hem zou verkondigen onder de volkeren, ben ik niet meteen te rade gegaan bij vlees en bloed
Galaten 2, 2 Ik trok óp ten gevolge van een openbaring – ἀποκαλυψις -, en legde hun de verkondiging voor die ik predik onder de volkeren, afzonderlijk nog aan de mannen van aan-zien,- opdat ik niet hoe dan ook tevergeefs hardliep of gelopen had.
Galaten 3,23 Voordat het geloof kwam werden wij onder een Wet gevangen gehouden totdat het toekomstige geloof zou worden geopenbaard – ἀποκαλυπτω.
Efeziërs 1,17 Moge de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geven de Geest van wijsheid en openbaring – ἀποκαλυψις -, tot kennis van hem.
Efeziërs 3, 3 dat door openbaring – ἀποκαλυψις – aan mij het heilsgeheim – τὸ μυστήριον – bekend is gemaakt -zoals ik eerder in het kort al schreef-
Efeziërs 3, 5 In andere generaties is het niet zo bekendgemaakt aan de zonen-en-doch-ters der mensen als het nu door de Geest geopenbaard – ἀποκαλυπτω – is aan zijn heilige apostelen en profeten:
Filippenzen 3,15 Laten wij dan, voorzover wij volmaakt zijn, daarop zinnen; en als ge op een punt andersgezind zijt, zal God u ook dat openbaren – ἀποκαλυπτω.
2 Tessalonicenzen 1, 7 en aan u die ver-drukt wordt verademing met ons in de open-baring – ἀποκαλυψις – van de Heer, Jezus, vanuit de hemel met de engelen van zijn kracht
2 Tessalonicenzen 2, 3 Laat nooit iemand u misleiden, op geen enkele wijze,- omdat eerst de afvalligheid moet komen en de mens der wetloosheid geopenbaard – ἀποκαλυπτω – zal worden, de zoon van de ondergang,
2 Tessalonicenzen 2, 6 Voor nu wéét ge wat hem tegenhoudt; hij moet geopenbaard – ἀποκαλυπτω – worden als het zijn tijd is.
2 Tessalonicenzen 2, 8 En dán zal de wetloze worden geopenbaard – ἀποκαλυπτω, welke de Heer zal wegrukken door de adem van zijn mond en buiten werking zal stellen met de verschijning van zijn komst,-
CONTRAST: Openbaren van wat verborgen is.
1. verbergen; verborgen houden; verloochenen; uit het gezicht verliezen – ἀποκρύπτω
1 Korintiërs 2, 7 Nee, wij spreken van Gods wijsheid als een geheimenis, een wijsheid die verborgen is geweest, die God heeft voorbeschikt vóór alle eeuwen tot onze heerlijkheid;
Efeziërs 3, 9 en in het licht te stellen hoe het beheer is van het heilsgeheim dat van de eeuwigheden af verborgen is geweest in God die alles heeft geschapen,
Kolossenzen 1,26 het geheimenis dat verborgen was voor de eeuwen en de generaties, maar nu aan zijn heiligen is verschenen
2. verbergen; bedekken, schuil houden; verzwijgen; geheim houden – κρύπτω
Kolossenzen 3, 3 Want ge zijt gestorven, en uw leven is met de Gezalfde verborgen in God.
1 Timothéus 5,25 zo ook zijn de werken die goed zijn bij voorbaat duidelijk, en die iets anders zijn kunnen niet verborgen blijven.
3. verbergen; versluieren; omhullen; bedekken – καλύπτω
2 Korintiërs 4, 3 Als onze evangelieverkondiging toch versluierd is, is zij versluierd voor wie verloren gaan,
niet onkundig laten van een geheimenis = openbaren van een geheimenis
Romeinen 11,25 Want opdat ge niet (al te) wijs zijt met uzelf, wil ik u, broeders-en-zus-ters, niet onkundig laten – Οὐ γὰρ θέλω ὑμᾶς ἀγνοεῖ – van dit geheimenis – τὸ μυστήριον τοῦ-το: een verharding is voor een deel over Israël gekomen, totdat de volheid der volkeren binnenkomt,
1 Korintiërs 2,10 Ik roep u op, broeders-en-zusters, in de naam van onze Heer, Jezus Christus, dat ge allen eenstemmig zult spre-ken en dat er in uw midden geen scheuringen zullen zijn, nee, dat ge welsaamgevoegd zult zijn in een-en-hetzelfde denken en een-en-hetzelfde kennen.
tonen – δεικνύναι
1 Korinthiërs 12,31 streeft naar de grootste gaven, en ik toon u nog een weg die dit alles overtreft!
1 Timothéus 6,14-15 bewaar het gebod onbevlekt en onaantastbaar tot aan de verschijning van onze Heer, Jezus Christus, 15 die hij op zijn tijden zal tonen, hij, de zalige en alleenmachtige, de Koning der koningen en
SPOEDIG
1. spoedig; snel – ταχα
In de brieven van Paulus niet in die betekenis. Kan ook de betekenis hebben van ‘niet gauw’; ‘wellicht’.
2. spoedig; snel – ταχέως
1 Korinthiërs 4,19 Maar ik zal weldra – ταχέως – tot u komen, als de Heer wil, en dan zal ik kennisnemen niet van het woord van die opgeblazenen maar van de kracht.
Galaten 1, 6 Ik ben verwonderd dat ge u zo snel – ταχέως – van hem die u in de genade van Christus heeft geroepen, laat afbrengen naar een andersoortige verkondiging,
Filippenzen 2,19 Maar ik hoop in eenheid met de Heer Jezus weldra – ταχέως – Timoteüs naar u toe te sturen, opdat ook ík welgemoed word als ik kennis neem van uw zaken.
Filippenzen 2,24 Maar in eenheid met de Heer ben ik vol vertrouwen dat ik ook zelf weldra – ταχέως – zal komen.
2 Tessalonicenzen 2, 2 dat gij niet zo snel – ταχέως – u van het verstand laat beroven of u laat verschrikken, niet door een geestesuiting, niet door een woord en niet door een brief als door ons verzonden, dat de dag van de Heer aanstaande is.
1 Timothéus 5,22 Leg niemand te snel – ταχέως – handen op, en heb geen gemeenschap met de zonden van anderen; bewaar je-zelf ongerept.
2 Timothéus 4, 9 Haast je om snel – ταχéως – naar mij toe te komen!
3. spoedig; snel – ταχινος
niet in de brieven van Paulus
4. spoedig; snel – ταχος ; ἐν τάχει
Romeinen 16,20 Maar de God van de vrede zal weldra – ἐν τάχει – de satan onder uw voeten vertrappen. De genade van onze Heer Jezus zij met u!
1 Timothéus 3,14 Dit alles schrijf ik je, al hoop ik zo snel – ἐν τάχει – mogelijk naar je toe te komen;
5. spoedig; snel – ταχυς
niet in de brieven van Paulus
6. spoedig; snel / want het tijdstip is nabijὁ - καιρὸς γὰρ ἐγγύς ἐστιν – καιρὸς … ἐγγύς
niet in de brieven van Paulus
teken – σημειον
Romeinen 4,11 En het teken dat besnijdenis is ontvangt hij als bezegeling van de rechtvaardiging uit het geloof tijdens de voorhui-digheid, zodat hij vader kan zijn van allen die geloven ondanks voorhuidigheid, zodat aan hen gerechtigheid kan worden toegerekend,-
Romeinen 15,19 in de kracht van tekenen en wonderen, in de kracht van de Geest,-
zodat ik van Jeruzalem uit in het rond tot het Illyrische toe de evangelieverkondiging van de Gezalfde heb vervuld.
1 Korinthiërs 1,22 Immers, én Judeeërs vragen tekenen én Hellenen zoeken wijsheid,
1 Korinthiërs 14,22 Zodat de vreemde talen tot een teken zijn, niet voor wie geloven maar voor de ongelovigen, en de profetie is niet voor de ongelovigen maar voor wie geloven!
2 Korinthiërs 12,12 De merktekenen van de apostelen zijn toch in uw midden verwerkelijkt in alle volharding en in tekenen en wonderen en krachten.
2 Tessalonicenzen 2, 9 hem wiens komst is, overeenkomstig de werking van de satan, in alle kracht en tekenen en wonderen van leugen,
2 Tessalonicenzen 3,17 Deze groet is in mijn handschrift: van Paulus. Dit is het teken in elke brief; zó schrijf ik.
1, 2 die getuigd van het woord Gods, en van het getuigenis van Jezus Christus: al wat hij heeft gezien.
1, 3 Zalig die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie en onderhouden wat daarin geschreven is, want het moment is nabij.
1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,
1, 5 en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden, en de overste van de koningen der aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons uit onze zonden heeft verlost door zijn bloed,
1, 6 -en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, heiligdomsdienaars voor zijn God en Vader,- aan hem de glorie en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.
1, 7 ‘Zie, hij komt met de wolken’, en elk oog zal hem zien, ook diegenen die hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen!
1, 8 Ík ben de alfa en de omega, zegt de Heer God, die is en die was en die komt, de albeheerser.
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,
1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderingen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!
1,11 Zeggende [λεγούσης]: Ik ben de Alfa en de Oméga [ἐγώ ἐιμι τὸ α καὶ ὁ ω], de Eerste en de Laatste [ὁ πρῶτος καὶ ὁ ἔσχατος]; en hetgeen gij ziet [καὶ ὁ βλέπεις], schrijf dat in een boek [γράφον εἰς βιβλίον], en zend het aan de zeven gemeenten [καὶ πέμψον ταῖς ἐκκλησίαις], die in Azië zijn [ταῖς ἐν ἀσία], namelijk naar Éfeze [εἰς Ἔφεσον], en naar Smyrna [καὶ εἰς Σμύρναν], en naar Pérgamus [καὶ εἰς Φέργαμον], en naar Thyatíre [καὶ εἰς Θυάτειρα], en naar Sardis [καὶ εἰς Σάρδεις], en naar Filadelfía [καὶ εἰς Φιλαδέλφειαν], en naar Laodicéa [καὶ εἰς Λαοδίκειαν]. [Statenvertaling, vanuit Textus Receptus]
1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,
1,13 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel;
1,14 maar zijn hoofd en haren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vlam van vuur,
1,15 en zijn voeten gelijk geelkoper, als in een oven vuur-doorgloeid gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;
1,16 in zijn rechterhand heeft hij zeven sterren; uit zijn mond trekt een tweemondig scherp zwaard uit en zijn aanschijn schijnt als de zon in zijn kracht.
1,17a En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend:
1,17b-18a vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste [18a] en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen,
1,18b en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades;
1,19 schrijf dus op wat je gezien hebt, én wat is én wat op het punt staat te geschieden hierna;
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergaderingen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!