De Bijbelcitaten zijn overgenomen uit de Naardense Bijbel, met schriftelijke toestemming van uitgeverij Skandalon. Voorlopig is alleen de tekst van Openbaring genomen uit de nieuwe gewijzigde editie van februari 2024. De overige Bijbelcitaten zullen nog worden aangepast aan die editie.
1, 1 Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft om aan zijn dienaars te tonen ‘wat spoedig moet geschieden’, en welke hij in tekenen bekendgemaakt heeft door die te zenden door zijn engel aan zijn dienaar Johannes,
openbaring van Jezus Christus – Ἀποκάλυψις Ἰησοῦ Χριστοῦ
Deuteronomium 29,28 de verborgenheden [ הנסתרת- τὰ κρυπτὰ LXX] zijn voor de ENE, onze God;
Openbaring
Deuteronomium 29,28 de openbaringen [הנגלת – τὰ δὲ φανερὰ LXX] zijn voor ons en voor onze zonen-en-dochters tot in eeuwigheid: om te doen alle woorden van dit onderricht!
‘wat spoedig moet geschieden’ – ἃ δεῖ γενέσθαι ἐν τάχει
Deuteronomium 32,35 Aan míj de wraak en de vergelding,ten tijde dat hun voet wankelt; ja, nabij is de dag van hun ongeluk, wat voor hen klaarstaat haast zich!
Deuteronomium 33, 1 Dit is de zegen waar-mee Mozes, de man Gods, de zonen Israëls heeft gezegend in het aanschijn van zijn dood.
WOORDSTUDIE:
‘MOETEN’ (noodwendig)
Septuagint: δεῖ / δέησις
δεῖ / δέησις komt niet voor in Thora LXX
door de zending, van - ἀποστείλας διά <> Exodus 4,13 – שלח ב’ר
Exodus 4,13 Maar hij zegt: ik bid u, mijn Heer: zend toch wie uw hand zal zenden!
en welke hij in tekenen bekendgemaakt heeft - καὶ ἐσήμανεν
Exodus 4,28 Mozes meldt aan Aäron alle woorden van de ENE, waarmee hij hem heeft uitgezonden en alle tekenen die hij hem heeft geboden.
Exodus 18,20 [septuagint] En bezweer hen met de inzettingen van God en zijn inzettingen en aanwijzingen waarin zij moeten gaan; de weg die zij moeten gaan en de werken die zij moeten doen.
Numeri 10, 9 [NBG51] En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal [רוע – σημανεῖτε – septuagint] blazen, waardoor gij in gedachtenis gebracht zult worden voor het aanschijn van de Here, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden.
dienaar / knecht – עבד / δοῦλος (van de koning)
Genesis 50,17 zó zullen jullie zeggen tot Jozef: ach!, draag toch weg de misstap van je broeders en hun zonde dat ze kwaad aan je hebben bedreven,- welnu, draag toch weg de misstap van de dienaars van je vaders God! Jozef weent, als ze zo tot hem spreken.
1, 2 die getuigt van het woord Gods, en van het getuigenis van Jezus Christus: al wat hij heeft gezien.
getuigen – μαρτυρέω
Genesis 31,46b [septuagint]: καὶ εἶπεν αὐτῷ Λαβαν ῾Ο βουνὸς οὗτος μαρτυρεῖ ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ σήμερον.
Genesis 31,47-48 Dan roept Laban voor hem uit: Jegar Sahadoeta,- puinhoop-oorkonde; maar Jakob heeft over hem uitgeroepen ‘Galeed’,-een steenhoop is getuige! [48] Laban zegt: deze steenhoop is getuige tussen mij en jou vandaag! Daarom is als naam voor hem uitgeroepen ‘Galeed’,- een steenhoop is getuige!–
Genesis 43, 3 Dan zegt Juda tot hem: overtuigend, zegt hij, heeft die man ons betuigd en gezegd: jullie zien mijn aanschijn niet zonder je broeder bij je!-
het Woord Gods – τὸν λόγον τοῦ θεοῦ
Genesis 1, 3 Dan zegt God: geschiede er licht!- en er geschiedt licht [Joh. 1, 1-2].
[God zegt: 1, 6. 9. 11. 14. 20. 24. 26. 29]
Genesis 1, 5 God roept tot het licht ‘dag’ en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’; er geschiedt een avond en er geschiedt een ochtend: één dag. [God roept: 1, 8. 10]
het getuigenis van Jezus Christus
Genesis 31,44 welnu: ga mee, laten we een verbond smeden, ik en jij; wezen zal dat tot getuigenis tussen mij en jou!
Genesis 31,52 een getuigenis is deze steenhoop en een getuigenis is de standkei,- dat ik nooit naar jou zal oversteken deze steenhoop voorbij en dat jíj nooit naar mij zult oversteken – deze steenhoop en deze standkei voorbij voor enig kwaad;
1, 3 Zalig die voorleest en zij die horen de woorden van de profetie en onderhouden wat daarin geschreven is, want het moment is nabij.
zalig – μακάριος
Genesis 30,13 en Lea zegt: hoe zalig ben ik!- want dochters zullen mij zalig prijzen!- en ze roept als naam voor hem uit: Aser,-zalig!
Deuteronomium 33,29 Zalig ben jij, Israël, wíe is als jij?- een gemeenschap gered door de ENE, het schild dat jou helpt en wiens zwaard je hoogste trots is; mogen je vijanden zichzelf verloochenen voor jou, moge jóuw weg lopen hun hoogten!
voorlezen – ἀναγινώσκω
Exodus 24, 7 Hij neemt de boekrol van het verbond en leest die voor de oren van de gemeente; zij zeggen: al wat de ENE heeft gesproken zullen we doen en willen we horen!
Deuteronomium 17,19 Zij zal altijd bij hem wezen, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij zal leren om ontzag te hebben voor de ENE, God-over-hem, om alle uitspraken van dit onderricht en deze inzettingen te bewaken en ze te doen,
Deuteronomium 31,11 wanneer heel Israël komt om zich te laten zien bij het aanschijn van de ENE, je God, in het oord dat hij zal kiezen,- dan zul je op roeptoon dit onderricht tegenover heel Israël voorlezen in hun oren;
moment – καιρος
1, 4 Johannes aan de zeven vergaderingen in Ásia: genade voor u en vrede, van hem die is en die was en die komt, van de zeven geesten voor het aanschijn van zijn troon,
die is en die was en die komt – ὁ ὢν καὶ ὁ ἦν καὶ ὁ ἐρχόμενος
Exodus 3,14b [Josephus Ant. 2.276] ‘De God die is.
Exodus 3,14 Dan zegt God tot Mozes: ik zal er zijn, zoals ik er ben! Hij zegt: zó zul je tot de zonen Israëls zeggen: IK-ZAL-ER-ZIJN heeft mij tot u gezonden!
die is en die was en die komt = ‘een eeuwige naam’
Exodus 3,15 Dan zegt God nog tot Mozes: zó zul je zeggen tot de zonen Israëls: DIE- ER-ZAL-ZIJN, de God van uw vaderen, God van Abraham, God van Isaak en God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig [septuagint: ὄνομα αἰώνιον] en dit is mijn gedachtenis voor generatie op generatie;
zeven geesten: vgl met ‘God van de geesten van alle vlees’
septuagint: Θεὸς θεὸς τῶν πνευμάτων καὶ πάσης σαρκός]: die ene man zondigt en op héél de samenkomst zijt gij woedend?
Numeri 27,16 laat de HEER, de God van de geesten van alle vlees [septuagint: ὁ θεὸς τῶν πνευμάτων καὶ πάσης σαρκὸς], een man aanstellen over de vergadering
Ik ben
Deuteronomium 32,39 Ziet in, nu het de tijd is, dat ík het ben, ik en géén godheden naast mij!- ík maak dood en doe leven; heb ik gewond, ik wil genezen, geen die ontrukt aan mijn hand!
Deuteronomium 32,39 [masoreten] Ziet in, nu het de tijd is, dat ík het ben, ik en géén godheden naast mij!- ík maak dood en doe leven; heb ik gewond, ik wil genezen, geen die ontrukt aan mijn hand!
Deuteronomium 32,39 [septuagint] Ziet in, ziet in, dat ik ben en er zal zijn en er zijn geen godheden naast mij!- ik maak dood en doe leven; heb ik gewond, ik wil genezen. Geen die ontrukt aan mijn hand!
1, 5 en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden, en de overste van de koningen der aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons uit onze zonden heeft verlost door zijn bloed,
eerstgeborene – eersteling – πρωτότοκός
Exodus 4,22 Dan zul je tot Farao zeggen: De Heer spreekt: “Israël is mijn eerstgeboren zoon [septuagint: Υἱὸς πρωτότοκός μου Ισραηλ].”
Numeri 18,15 Elke moederschootsplijter [septuagint: πᾶν διανοῖγον μήτραν] bij welk vlees dan ook dat ze doen naderen tot de ENE, bij de mens en bij het dier, zal voor jou wezen; alleen zul je met een losprijs inlossen: de eersteling van de mens [septuagint: τὰ πρωτότοκα τῶν ἀνθρώπων], en ook de eersteling van het onreine gedierte [septuagint: τὰ πρωτότοκα τῶν κτηνῶν τῶν ἀκαθάρτων] zul je inlossen.
1, 6 -en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, heiligdomsdienaars voor zijn God en Vader,- aan hem de glorie en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen! Amen.
koninkrijk, heiligdomsdienaars = tot een koninkrijk, tot priesters
Genesis 12, 3 ik zal zegenen wie jou zege-nen en wie jou verwenst zal ik vervloeken; door jou zullen gezegend zijn alle families op de –rode– grond!
Exodus 19, 6 gíj zult mij een koningshuis van priesters worden, een volk van heiliging!- dit zijn de woorden die je tot de zonen Israëls moet spreken! [K.D. Goverts, Lied, p222]
Exodus 19, 6 [masoreten] gíj zult mij een koningshuis van priesters worden, een volk van heiliging!- dit zijn de woorden die je tot de zonen Israëls moet spreken!
Exodus 19, 6 [septuagint] gij zult zijn voor mijn aangezicht een koninklijk priesterschap. Een heilig volk. Dit zijn de woorden tot de zonen van Israël.
(Exodus 23,22 [masoreten] Want als je horende hoort naar mijn stem en doen zult al wat ik zal spreken, zal ik de vijand zijn van jouw vijanden en benauwen wie jou benauwen.)
Exodus 23,22 [septuagint] Als u werkelijk mijn stem wilt horen en alle dingen doen die ik u zal opdragen, en mijn verbond nakomt, dan zult gij voor mij een eigen volk zijn, boven alle naties verheven, want de hele aarde is van mij; en gij zult Mij een koninklijk priesterschap en een heilig volk zijn; deze woorden zult gij tot de kinderen van Israël spreken: Indien gij werkelijk mijn stem hoort en alles doet wat ik u zal zeggen, zal ik een vijand zijn van uw vijanden, en een tegenstander van uw tegenstanders.
1, 7 ‘Zie, hij komt met de wolken’, en elk oog zal hem zien, ook diegenen die hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen!
1, 8 Ík ben de alfa en de omega, zegt de Heer God, die is en die was en die komt, de albeheerser.
de albeheerser – God Overmachtig
Genesis 17, 1 Abram wordt een zoon van negentig jaar en negen jaren: dan laat de ENE zich aan Abram zien en zegt tot hem: ik ben El Sjadai,- God Overmachtig; wandel voor mijn aanschijn en wordt volmaakt!-
1, 9 Ík, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koningschap en in de volharding in Jezus, raakt op het eiland dat als roepnaam ‘Patmos’ heeft, vanwege het woord van God en het getuigenis van Jezus.
(ge)raken op – uitbreken naar
Genesis 28,14 worden zal je zaad als het stof van het aardland en uitbreken zul je zeewaarts, oostwaarts, noordelijk en zuidwaarts; gezegend zullen zijn door jou, en door je zaad alle families op de –rode– grond;
1,10 Ik raak in geestvervoering op de dag van de Heer en hoor achter mij een luide stem, als van een bazuin,
in geestvervoering op de dag van de Heer
Exodus 3,14 Dan zegt God tot Mozes: ik zal er zijn, zoals ik er ben! Hij zegt: zó zul je tot de zonen Israëls zeggen: IK-ZAL-ER-ZIJN heeft mij tot u gezonden!
1,11 die zegt: schrijf wat je ziet in een boekje en stuur het naar de zeven vergaderingen, naar Éfeze, Smyrna, Pérgamum en Tyatíra, naar Sardes, Filadélfia en Laodicéa!
1,11 Zeggende [λεγούσης]: Ik ben de Alfa en de Oméga [ἐγώ ἐιμι τὸ α καὶ ὁ ω], de Eerste en de Laatste [ὁ πρῶτος καὶ ὁ ἔσχατος]; en hetgeen gij ziet [καὶ ὁ βλέπεις], schrijf dat in een boek [γράφον εἰς βιβλίον], en zend het aan de zeven gemeenten [καὶ πέμψον ταῖς ἐκκλησίαις], die in Azië zijn [ταῖς ἐν ἀσία], namelijk naar Éfeze [εἰς Ἔφεσον], en naar Smyrna [καὶ εἰς Σμύρναν], en naar Pérgamus [καὶ εἰς Φέργαμον], en naar Thyatíre [καὶ εἰς Θυάτειρα], en naar Sardis [καὶ εἰς Σάρδεις], en naar Filadelfía [καὶ εἰς Φιλαδέλφειαν], en naar Laodicéa [καὶ εἰς Λαοδίκειαν]. [Statenvertaling, vanuit Textus Receptus]
1,12 Ik keer mij om de stem te zien die met mij heeft gesproken, en als ik mij omkeer zie ik zeven gouden kandelaren,
‘om de stem te zien’
Exodus 19,16 Dan geschiedt het op de derde dag, als de ochtend geschiedt: dan geschiedt het: stemmen, bliksemstralen, een zwaar wolkendek over de berg, en de stem van een ramshoorn,- zéér sterk; heel de gemeente in het legerkamp beeft.
Exodus 25,31-35 Maak van zuiver goud een menora,- kandelaar; als drijfwerk zal de kandelaar worden gemaakt: haar fundament, haar stengel, haar kelken, haar knoppen en haar bloesems moeten uit haar voortkomen!- 32 zes stengelstrekken weg uit haar flanken; een drietal stengels van de kandelaar uit haar ene flank en een drietal stengels van de kandelaar uit haar tweede flank; 33 een drietal kelken, amandelvormig, op de ene stengel,-knop en bloesem en een drietal kelken, aman-delvormig, op de andere stengel, knop en bloesem: zo aan de zes stengels die wegtrekken uit de kandelaar; 34 aan de kandelaar zelf vier kelken: amandelvormig haar knoppen en haar bloesem; 35 een knop onder de eerste twee stengels uit haar vandaan, een knop onder weer twee stengels uit haar vandaan en een knop onder nog eens twee stengels uit haar vandaan; zó voor de zes stengels die uit de kandelaar wegtrekken;
1,13 en in het midden van de kandelaren iemand die lijkt op een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikt en tot aan de borsthelften omgord met een gouden gordel;
bekleed met…
Exodus 28, 4 En dit zijn de gewaden die ze zullen maken: een borstschild, een efod en een overkleed, een versierde mantel, een tulband en een gordel; maken zullen ze hei-ligdomsgewaden voor Aäron, je broeder, en voor zijn zonen, om hem priester te wijden voor mij.
1,14 maar zijn hoofd en haren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vlam van vuur,
ogen als een vlam van vuur
Exodus 3, 2 Dan laat zich aan hem zien: de engel van de ENE In een vuurvlam uit het midden van de Sinaïdoorn; hij ziet het aan: ziedaar, de Sinaïdoorn gloeit in het vuur en de Sinaïdoorn wordt niet verteerd!
Exodus 19,18 De berg Sinaï is een en al rook van het schijnsel waarmee de ENE op hem is neergedaald in vuur; zijn rook stijgt op als de rook van de oven; heel de berg beeft zéér.
1,15 en zijn voeten gelijk geelkoper, als in een oven vuur-doorgloeid gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;
1,16 in zijn rechterhand heeft hij zeven sterren; uit zijn mond trekt een tweemondig scherp zwaard uit en zijn aanschijn schijnt als de zon in zijn kracht.
zeven sterren
Exodus 25,37 maak lampen voor haar, een zevental; zet ze er hoog op, die lampen van haar, zodat haar aanschijn licht geeft tot aan de overzijde;
zijn aanschijn
Deuteronomium 11,21 opdat ze talrijk worden, uw dagen en de dagen van uw zonen, op de –rode– grond welke de ENE uw vaderen heeft gezworen hun te geven,- al de dagen van de hemelen over het aardland!
een tweemondig (-snijdend) scherp zwaard
Numeri 30, 3 stel, een man belooft een gelofte aan de ENE of zweert met een bezwering zijn ziel aan een vasten vast te leggen, dan mag hij zijn woord niet schenden: naar al wat uit zijn mond is uitgegaan zal hij doen!
Deuteronomium 32,41 als ik de bliksem getand heb, mijn zwaard, zal mijn hand in het gericht daarnaar grijpen,- breng ik op mijn beurt wraak over mijn benauwers en over mijn haters vergelding.
zijn aanschijn schijnt als de zon
Deuteronomium 33, 2 [SV] Hij zeide dan: De HEERE is van Sinaï gekomen, en is hun opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tienduizenden der heiligen; aan Zijn rechterhand was voor hen een vurige wet.
zeven sterren
Exodus 25,37 maak lampen voor haar, een zevental; zet ze er hoog op, die lampen van haar, zodat haar aanschijn licht geeft tot aan de overzijde;
zijn aanschijn
Deuteronomium 11,21 opdat ze talrijk worden, uw dagen en de dagen van uw zonen, op de –rode– grond welke de ENE uw vaderen heeft gezworen hun te geven,- al de dagen van de hemelen over het aardland!
een tweemondig (-snijdend) scherp zwaard
Numeri 30, 3 stel, een man belooft een gelofte aan de ENE of zweert met een bezwering zijn ziel aan een vasten vast te leggen, dan mag hij zijn woord niet schenden: naar al wat uit zijn mond is uitgegaan zal hij doen!
Deuteronomium 32,41 als ik de bliksem getand heb, mijn zwaard, zal mijn hand in het gericht daarnaar grijpen,- breng ik op mijn beurt wraak over mijn benauwers en over mijn haters vergelding.
zijn aanschijn schijnt als de zon
Deuteronomium 33, 2 [SV] Hij zeide dan: De HEERE is van Sinaï gekomen, en is hun opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tienduizenden der heiligen; aan Zijn rechterhand was voor hen een vurige wet.
1,17a En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend:
1,17a En als ik hem zie, val ik als een dode voor zijn voeten, en hij legt zijn rechterhand op mij, zeggend:
1,17b-18a vrees niet; ík, ík ben de eerste en de laatste [18a] en de levende, en ik ben een dode geworden, en zie: levend ben ik tot in de eeuwen der eeuwen,
een dode geworden, maar mee opklimmen
Exodus 13,19 Mozes neemt de beenderen van Jozef met zich mee; want met een be-zwering heeft die de zonen Israëls doen zweren en gezegd: in zijn omzien zal God naar u omzien; laat dan mijn beenderen hieruit mét u opklimmen!
een dode geworden, en zie: levend ben ik
Deuteronomium 32,40-42 Ja, ik zal mijn hand opheffen naar de hemel en zeggen: ik leef in eeuwigheid!- 41 als ik de bliksem ge-tand heb, mijn zwaard, zal mijn hand in het gericht daarnaar grijpen,- breng ik op mijn beurt wraak over mijn benauwers en over mijn haters vergelding. 42 Ik maak mijn pijlen dronken van bloed, -mijn zwaard vréét dan vlees- van het bloed van de doorboorde en de gevangene, uit het harige hoofd van de vijand!
1,18b en ik heb [καὶ ἔχω = hebben; vasthouden] de sleutels van de gestorven staat en van de hades;
IK heb de sleutels… (tegen giftige magie)
Deuteronomium 18,10-13 Laat er bij jou niemand worden gevonden die zijn zoon of dochter door het vuur laat gaan; die waarzeggingen zegt, die wolken wichelt, slangen kijkt of giftige magie bedrijft; 11 die met banspreuken bant,- die een schim uitvraagt, een ‘allesweter’, of iemand die het zoekt bij de gestorvenen. 12 Want een gruwel voor de ENE is ieder die deze dingen doet; en vanwege deze gruwelen gaat de ENE, je God, hen nu onterven voor jouw aanschijn. 13 Een gaaf geheel zul je wezen met de ENE, je God!
Deuteronomium 24, 6 Nooit mag men op molenstenen beslag leggen, of op de roller,- want op lijf-en-ziel legt men dan beslag!
1,19 schrijf dus op wat je gezien hebt, én wat is én wat op het punt staat te geschieden hierna;
1,20 het geheim van de zeven sterren die jij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren, is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven vergaderingen, en de zeven kandelaren zijn de zeven vergaderingen (zelf)!
zeven gouden kandelaren
Exodus 25,31-35 Maak van zuiver goud een menora,- kandelaar; als drijfwerk zal de kandelaar worden gemaakt: haar fundament, haar stengel, haar kelken, haar knoppen en haar bloesems moeten uit haar voortkomen!-
32 zes stengelstrekken weg uit haar flanken; een drietal stengels van de kandelaar uit haar ene flank en een drietal stengels van de kandelaar uit haar tweede flank; 33 een drietal kelken, amandelvormig, op de ene stengel,-knop en bloesem en een drietal kelken, aman-delvormig, op de andere stengel, knop en bloesem: zo aan de zes stengels die wegtrekken uit de kandelaar; 34 aan de kandelaar zelf vier kelken: amandelvormig haar knoppen en haar bloesem; 35 een knop onder de eerste twee stengels uit haar vandaan, een knop onder weer twee stengels uit haar vandaan en een knop onder nog eens twee stengels uit haar vandaan; zó voor de zes stengels die uit de kandelaar wegtrekken;