I Henoch
Boek I
Hoofdstuk 1 – 36
Het boek van de Hemelse wachters
II
*
6 – 36 Het boek van de engelen – I
6 – 11 De val van de engelen
6
6 – 8 * Samenzwering
1. En het gebeurde, toen de kinderen van de mensen in die dagen zich hadden vermeerderd dat hen mooie, beeldschone dochters geboren werden. 2. En de wachters, de zonen van de hemel, zagen hen en hun begeerte ging naar hen uit, en zij zeiden tot elkaar: ‘Komt, laat ons vrouwen kiezen uit de kinderen van de mensen en voor ons zelf kinderen verwekken.’ 3. En Shamchazai, hun overste, sprak hen aan: ‘Ik vrees dat gij niet werkelijk zult instemmen met het doen van deze daad. Dan zal ik alleen de straf moeten dragen voor een grote zonde. 4. En zij antwoordden hem allen en zeiden: ‘Laten wij allen een eed zweren en ons aan elkaar verplichten door vervloekingen uit te spreken, zodat wij dit plan niet laten varen maar ten uitvoer brengen. 5. Toen zwoeren zij allen en verplichtten zich aan elkaar door het uitspre-ken van vervloekingen. 6. En in totaal waren er tweehonderd die in de dagen van Jered neerdaalden op de top van de berg Hermon. En zij noemden de berg Hermon. Want zij hadden zich met eedzwering aan elkaar verplicht door gezamenlijk vervloekingen uit te spreken. 7. En dit zijn de namen van hun aanvoerders: Sjemichaza, de overste van Oerakiba, Ramiël, Kochabiël, Tamiël, Ramiël, Daniël, Ezechiël, Barakiël, Asaël, Armaros, Batriël, Ananel, Zakiël, Samsiël, Sartaël, Turiël, Jomiël, Araziël. 8. Dit zijn hun oversten over tien.
7.1. Eensgezind namen zij zich vrouwen en ieder koos voor zich een vrouw en zij hadden gemeenschap met hen, waardoor zij zich met hen verontreinigden en zij leerden hen omgaan met toverij en magie en het snijden van wortels en zij maakten hen bekend met kruiden. 2. En zij werden zwanger en baarden reuzen van wie de lengte drieduizend el bedroeg. 3. Zij verslonden de totale opbrengst van de mensen .
4. En toen dat hen niet langer kon verzadigen, keerden de reuzen zich tegen de mensen, en zij verslonden hen. 5. En zij bezondigden zich tegen de vogels, de dieren, de reptielen en de vissen en zij verslonden elkander en dronken elkanders bloed. Toen bracht de aarde een aanklacht tegen de wettelozen voort.
8.1. En Azazel leerde de mensen zwaarden maken van ijzer: messen, schilden en maliën-kolders, en maakte hen vertrouwd met metalen en in de vaardigheid om ze te bewerken en armbanden en sieraden voor vrouwen. En hij toonde hen schmink en oogledenverf en allerlei kostbare stenen en allerlei kleurige tinten. En de zonen van de mensen maakten ze voor zichzelf en voor hun dochters.
2. En er kwam veel goddeloosheid en zij pleegden ontucht en werden op een dwaalspoor geleid. 3. Shamchazai bracht hen tot het plegen van tovenarij en het snijden van wortels, Armarosh [onthulde] verborgenheden, Baraqiël [leerde hen] astrologie, Kokabiël de sterrenbeelden, Ezeqel de kennis van de wolken, Araqiël de tekenen van de aarde, Shamsiël de tekenen van de zon, en Sariël de loop van de maan. 4. En toen de mensen omkwamen jammerden zij, en hun geroep steeg op naar de hemel [en zij zeiden]: ‘breng onze zaak voor de Allerhoogste en onze uitroeiïng voor de hoogste in heerlijkheid, voor de Heer van alle heren in hoogheid.
9
9 – 11 : 1 * De tussenkomst van de vier aartsengelen
1. Toen zagen Michaël, Uriël, Rafaël en Gabriël uit de hemel naar de aarde, en zij zagen veel bloedvergieten. 2. En zij zeiden tot elkaar: “De aarde raakt onbewoond en hulpge-roep klinkt tot aan de poorten van de hemel. 3. En gij heiligen van de hemel, de zielen der mensen roepen en zeggen: breng onze zaak voor de Allerhoogste”. 4. En zij zeiden tot de Heer van de eeuwen: ‘Heer van de heren, God van de goden, Koning van de koningen en God van de eeuwen, de troon van uw heerlijkheid blijft in stand tot in alle geslachten der eeuwen, en uw naam is heilig en heerlijk en gezegend tot in alle eeuwigheden. 5. Gij hebt alles geschapen en gij hebt macht over alle dingen, en alles ligt naakt en geopend voor uw aangezicht, en Gij ziet alle dingen en niets kan zich voor u verbergen.
6. Gij ziet wat Azazel gedaan heeft, die alle ongerechtigheden op aarde onderwezen heeft en eeuwige geheimen geopenbaard die in de hemel [bewaard] werden en mensen zijn leergierig om ze te leren: 7. En Shamchazai, aan wie Gij gezag gegeven heeft om heerschappij te voeren over zijn metgezellen.
8. En zij zijn gegaan naar dochters van mensen op aarde en hebben bij vrouwen geslapen en zich verontreinigd en zij hebben hen allerlei zonden geleerd. 9. En de vrouwen hebben reuzen gebaard en de gehele wereld is daardoor vol geworden van bloed en ongerechtigheid. 10. En ziet, de zielen van hen die gedood zijn roepen en hun aanklacht stijgt tot aan de poorten van de hemel, en hun weeklachten nemen toe en kunnen niet ophouden vanwege de wetteloze daden die op aarde bedreven worden. 11. En gij weet alle dingen reeds voor ze plaatsvinden, en Gij weet deze dingen, en Gij verdraagt het, en Gij zegt niet wat wij met betrekking tot deze zaak moeten doen’.
10
10: 1 – 3 * Opdracht aan Uriël
1. Toen sprak de Allerhoogste en Hoogheilige, en zond Uriël naar de zoon van Lamech
2. En de Heilige sprak tot hem: ‘Ga naar Noach en zeg tot hem in Mijn naam: verberg u, en openbaar hem het einde dat gaat aanbreken: dat de gehele aarde zal worden verdelgd, dat er een watervloed over de gehele aarde zal komen die alles zal verwoesten. 3. En wijdt de rechtvaardige man in, de zoon van Lamech, over alles wat hij doen moet, en hij zal zijn ziel in het leven behouden en voor altijd ontkomen, en door hem zal een plant geplant worden en alle geslachten der Eeuwen zullen uit hem voortkomen.’
10: 4 – 8 * Opdracht aan Rafaël
4. Tot Rafaël sprak Hij: ga, Rafaël, en bindt Azazel aan handen en voeten en werp hem in de duisternis en maak een afgrond in de woestijn in Dudaël en werp hem daar in. 5. En bedek hem met ruwe puntige stenen en overdekt hem met donkerheid, en laat hem daar tot in de Eeuwen verblijven, en bedek zijn gezicht opdat hij geen licht zal zien. 6. En op de dag van het grote gericht zal hij in de brandende vuurpoel geworpen worden. 7. En de aarde die de engelen verdorven hebben, zal genezen zijn. Kondigt aan de genezing van de aarde: “de plaag zal genezen!”. Opdat niet alle mensenkinderen zullen omkomen door toedoen van het volledige geheim dat de wachters hebben ontsluierd en aan hun zonen geleerd. 8. De gehele aarde is een woestenij geworden door de onthulling van de werken van Azazel. Alle zonden worden hem toegerekend.
10: 9 – 10 * Opdracht aan Gabriël
9. En tot Gabriël sprak Hij: ‘Treedt op tegen de bastaards, tegen verkeerde wezens en tegen de kinderen der ontucht en de kinderen van de wachters en verdelg de kinderen van de ontucht en de kinderen van de wachters van tussen de mensen, en zend hen weg: zet de één op tegen de ander opdat zij elkander in de strijd zullen vernietigen, want lengte van dagen zullen zij niet hebben. 10. En geen verzoek dat zij zullen doen voor hun kinderen zal door u worden ingewilligd, want zij hopen op een eeuwig leven zodat ieder van hen vijfhonderd jaar zal leven.’
10: 11 – 15 * Opdracht aan Michaël
11. En tot Michaël sprak Hij: ‘Ga, bindt Shamchazai en degenen die met hem zijn; die zich met vrouwen hebben ingelaten. Daardoor hebben zij zichzelf bezoedeld in hun onreinheid. 12. En als hun zonen elkander gedood hebben en zij de ondergang van hun beminden gezien hebben, bindt hen dan in de diepten der aarde gedurende zeventig geslachten, tot aan de dag van hun gericht en hun voleinding; tot aan het gericht dat in de eeuwen der eeuwen zijn zal. 13. In die dagen zullen zij naar de vurige afgrond worden gebracht: naar de kwelling en de gevangenis, waar zij tot in de Eeuwen zullen worden opgesloten. 14. En allen die veroordeeld en verdelgd zullen worden, zullen vanaf die tijd samen met hen gebonden worden tot aan het einde van hun geslachten. 15. En verdelgt alle geesten der verworpenen en de kinderen der wachters omdat zij de mensheid verdorven hebben.
10: 16 – 11: 1 * Michaël herstelt de aarde
16. Verdelg alle onrecht van de oppervlakte der aarde en laat elk boosaardig werk ophouden en laat de plant van recht en waarheid verschijnen; en zij zal blijken een zegen te zijn. De werken van recht en waarheid zullen in waarheid en vreugde geplant worden tot in de Eeuwen.
17. En dan zullen de rechtvaardigen ontkomen,
En zij zullen leven totdat zij duizenden kinderen hebben voortgebracht,
alle dagen van hun jeugd en hun ouderdom zullen zij in vrede voleindigen.
18. En dan zal de gehele aarde vol worden van gerechtigheid,
en zij zal geheel met bomen beplant zijn
en vol zijn van zegen.
19. En allerlei begeerlijk geboomte zal op haar geplant zijn
en er zullen wijnstokken op haar worden geplant:
en de wijnstok die op haar zal worden geplant zal wijn in overvloed voortbrengen.
Van het zaad dat op haar gezaaid wordt zal elk deel duizendvoudig vrucht dragen,
en elk deel olijven zal tien maten olie dragen.
20. En zuivert de aarde van alle onreinheid en van alle onderdrukking en van alle wetteloosheid en van alle zonde en van goddeloosheid en allerlei onreinheid die op aarde ontstaan is, verwijdert dat van de
21. aarde. En alle mensenkinderen zullen rechtvaardigen zijn en alle natiën zullen mij aanbidden en
22. loven en allen zullen mij eren. En de aarde zal gereinigd worden van elke smet en van elke onreinheid. En ik zal de aarde nooit weer aan haar lot overlaten, tot in alle geslachten der Eeuwen.
11 1. En in die dagen zal ik de schatkamers van de zegen, die in de hemel zijn, openen, opdat ik ze naar beneden zal zenden naar de aarde, over het werk van de kinderen der mensen. En waarheid en vrede zullen hen vergezellen, alle dagen van de wereld en gedurende alle geslachten van mensen.