I Henoch
Boek I
Hoofdstuk 1 – 36
Het boek van de Hemelse wachters
*
1 – 5 Inleiding
1
1: 1 – 3b * De rechtvaardigen en de boosdoeners
1. De zegen van Henoch, waarmee hij de uitverkoren rechtvaardigen heeft gezegend; zij die zullen leven in de dag van geweld als alle zondaren en boosdoeners verdelgd worden en de rechtvaardigen zullen worden gered. 2. En hij hief zijn spreuk aan en zei: [Orakel van] Henoch, een rechtvaardig man wiens ogen door God geopend zijn, zag het visioen van de Heilige uit de hemel, dat hij mij toonde. Door het woord van de wachters en de heiligen hoorde ik alles. En toen ik alles van hen hoorde begreep ik ook wat ik zag.
Echter, niet tot deze generatie spreek ik maar tot wie ver zijn. 3. Tot de uitverkorenen spreek ik en tot hen hef ik mijn spreuk aan:
1: 3c – 9 * Theofanie
De God van het al, mijn Hoogheilige zal komen uit Zijn woning.
4. En de God van de Eeuwen zal de aarde betreden, de berg Sinaï.
En verschijnen met zijn legerscharen.
En verschijnen in de sterkte van Zijn macht uit de hemel der hemelen.
5. En allen zullen met vrees bevangen worden.
Alle wachters zullen vrezen en beven.
En zij die zich schuilhouden aan alle einden van de aarde zullen zingen.
Alle einden van de aarde zullen beven.
En over hen zal komen grote vrees en een beven tot aan de einden.
van de aarde.
6. En de hoge bergen zullen wankelen, breken en uiteenvallen.
En de hoge heuvels zullen vlak gemaakt worden.
En zullen smelten als was in het vuur.
7. En de aarde zal volkomen verscheurd worden.
En alles wat op aarde is zal vergaan.
En over allen zal een gericht komen.
8. Maar met de rechtvaardigen zal Hij vrede maken,
En Hij zal de uitverkorenen beschermen.
En genade zal in hen wonen.
En zij zullen allen Gods eigendom zijn.
En zij zullen voorspoed hebben.
En zij zullen gezegend zijn.
En Hij zal hen tot Hulp zijn.
En licht zal hen beschijnen.
En Hij zal vrede met hen maken.
9. En ziet! Hij zal komen met tienduizenden van Zijn heiligen.
Om over allen gericht te houden.
En alle goddelozen te verdelgen.
En om alle vlees te straffen wegens al hun goddeloze daden
die zij in hun goddeloosheid bedreven hebben.
En voor alle harde woorden die goddeloze zondaren
tegen hem gesproken hebben.
2
2 – 5 : 4 * Aanklacht
1. Let op alles wat in de hemel plaatsvindt; zij wijzigt haar banen niet. En op de hemellichten, hoe die alle rijzen en dalen op hun vastgestelde tijd, en hun vaste orde niet overtreden. 2. Let op de aarde, en schenk aandacht aan de gebeurtenissen die op haar geschieden van begin tot eind. Hoe vast zij staan, hoe geen van Gods werken, zoals die op aarde geschieden, veranderen. 3. Let op de zomer en de winter, hoe de gehele aarde voorzien is van water. En wolken, dauw en regen bedekken haar.
3
1. Let op en ziet hoe (in de winter) naar het schijnt alle bomen verwelken en hun bladeren afwerpen, uitgezonderd veertien bomen, die hun loof niet verliezen, maar hun oude bladeren vasthouden, twee tot drie jaren, totdat ze vernieuwd worden.
4
1. En nogmaals: let op de zomerdagen, als de zon steeds weer boven de aarde is en gij schaduw zoekt en beschutting wegens de hitte van de zon en de aarde brandt met een gloeiende hitte, en daardoor kunt gij de aarde niet betreden, evenmin een rots, vanwege de hitte.
5
5: 1 – 4 * Veroordeling
1. Zie, hoe de bomen bedekt zijn met groene bladeren en vruchten dragen; waarvoor gij uw aandacht en kennis van al Zijn werken in acht neemt en ziet hoe Hij het levende zo heeft gemaakt voor alle tijden. 2. En al Zijn werken gaan door en nemen toe voor Zijn aangezicht, van jaar tot jaar, steeds opnieuw. En alle werken dienen Hem en veranderen niet, maar zoals God het heeft beschikt, zo gebeurt het. 3. En let op hoe de zee en de rivieren op gelijke wijze hun taak volbrengen [en Zijn wetten niet wijzigen].
4. Maar u – u bent niet standvastig geweest,
noch hebt u gehandeld volgens de geboden van de Heer.
Maar u hebt uzelf afgewend en geroemd in uw grootspraak.
Met uw onreine monden tegen Zijn grootheid.
O verharden van hart,
Geen van u zal de vrede vinden.
5 : 5 – 9 * Vonnis
5. Daarom – gij zult uw dagen vervloeken,
En uw levensjaren zullen verwelken,
En de jaren van uw verdelging zullen toenemen tot een vloek die duurt tot in de Eeuw.
En vrede zult gij niet vinden.
6. In die dagen zullen uw namen een eeuwige afschuw zijn bij alle rechtvaardigen.
Bij u zullen alle vervloekers vloeken,
En alle zondaren en boosaardigen zullen bij u zweren.
En alle uitverkorenen zullen zich verheugen,
En er zal verzoening van zonden zijn,
En volkomen barmhartigheid, vrede en lankmoedigheid.
Daar zal het heil zich voor hen openbaren, een helder licht.
En voor u, zondaren, zal er geen heil bestaan,
[Maar op u allen zal een vloek rusten.]
7. Maar voor de uitverkorenen zal er licht zijn, en vreugde en vrede,
En zij zullen de aarde beërven.
Voor u goddelozen – vervloeking!
8. En dan zal de wijsheid wonen bij de uitverkorenen,
En zij allen zullen leven en nooit weer zondigen,
Niet door gebrek aan vroomheid, noch door hoogmoed.
Want zij die wijs zijn zullen nederig zijn.
9. En niet opnieuw zullen zij weerspannig zijn.
Ook zullen zij alle dagen van hun leven niet zondigen.
Noch zullen zij sterven door [heilige] woede en toorn,
Maar de dagen van hun leven zullen worden volgemaakt.
Gedurende hun leven zal de vreugde toenemen,
En de jaren van hun vreugde zullen vermeerderen,
In eeuwige blijdschap en vrede,
Alle dagen van hun leven.