I Henoch
Boek I
Hoofdstuk 1 – 36
Het boek van de Hemelse wachters
IV
*
6 – 36 Het boek van de engelen – III
17 – 36 Henochs reizen – I
17 – 19 * Reis naar het Noordwesten
17
1. En zij namen mij mee naar een heel bepaalde plaats waar degenen die daar verbleven de gedaante hadden van laaiend vuur. En zodra zij het wensten geleken zij op mensen. 2. En zij brachten mij naar een zeer duistere plaats en naar een berg waarvan de top tot in de hemel reikte. 3. En ik zag de verblijfplaatsen van de hemellichten en de schatkamers van de sterren en van de donder en in de einden en de diepten van de hemel, waar een vurige boog en pijlen en pijlkoker waren en een vurig zwaard bij alle bliksemschichten. 4. En zij brachten me bij het levende water en bij het vuur van het westen, dat bij elke zonsondergang gezien wordt. 5. En ik kwam bij een rivier van vuur waarin het vuur als water stroomde en uitmondde in de grote zee in het westen. 6. Ik zag de grote rivieren en kwam bij de grote rivier en bij de diepe duisternis en ik kwam in een oord waar alle vlees zich behoedzaam voortbeweegt. 7. Ik zag de bergen van de duistere stormen in de winter en de plaats waar de wateren uit de waterdiepte omhoog komen. 8. Ik zag de afgronden van alle rivieren van de aarde en de monding van de grote waterdiepte.
18 1. Ik zag de schatkamers van alle winden; ik zag hoe Hij alle geschapen dingen door hen had geordend. 2. Ik zag het fundament van de aarde en de hoeksteen van de aarde, ik zag de vier winden die de aarde dragen en het uitspansel van de hemel. 3. Ik zag hoe de winden de hemelgewelven verlaten. 4. Zij hebben hun verblijfplaats tussen hemel en aarde: dit zijn de zuilen van de hemel. Ik zag de winden die wentelen; die de omtrek van de zon en alle sterren doen wentelen tot de plaats waar zij onder gaan. 5. Ik zag de winden op de aarde die de wolken dragen. Ik zag de paden der engelen. 6. Aan het uiterste einde van de aarde zag ik het uitspansel van de hemel boven. en ik vervolgde mijn weg naar het westen; en dag en nacht zag ik laaiende vlammen in de richting van de zeven bergen van kostbare stenen, drie aan de oostelijke zijde en drie aan de zuidelijke zijde. 7. En de bergen in het oosten waren van gekleurde steen, één was van parel en één van jaspis, en die in het zuiden waren van rode steen. 8. Maar de middelste reikten naar de hemel als de troon van God. Zij waren van alabaster en de top was safier. 9. En ik zag laaiend vuur. 10. En voorbij deze bergen zag ik een plaats voorbij de grote aarde, waar de hemelen samenkomen. 11. En ik zag een diepe afgrond met zuilen van hemels vuur. In het midden ervan zag ik onmetelijke vuurzuilen vallen. Zowel in hoogte als in diepte waren ze niet te meten. 12. En boven de afgrond zag ik een plaats zonder hemels uitspansel er boven en geen vaste grond op aarde beneden, ook geen water. Niets was er, geen vogels, maar het was een woest en afschuwelijk oord. 13. Ik zag daar zeven sterren als zeven brandende bergen. Toen zei de engel tot mij: 14. “Deze plaats is het uiterste einde van de hemel en de aarde: Het is de gevangenis van de sterren en van de krachten van de hemel. 15. En de sterren die boven het vuur wentelen zijn degenen die het gebod van de Heer hebben overtreden bij het begin van hun verschijning, omdat zij niet kwamen op de hun vastgestelde tijden. 16. En hij was toornig op hen en bond hen tot de tijd van hun schuld voleindigd zal zijn, voor duizenden jaren.
19 1. En Uriël zei tot mij: “Hier zullen de geesten van de engelen die zich met vrouwen hebben ingelaten verblijven in vele verschijningsvormen. Zij hebben de mensen verdorven en ze op een dwaalweg gebracht, zodat zij offers zullen brengen aan demonen zoals aan goden, tot de dag van het grote gericht waarop zij berecht zullen worden totdat zij tenietgedaan zullen zijn. 2. En de vrouwen die door de engelen op een
3. dwaalweg geleid zijn zullen nimfen worden. 3. Alleen ik, Henoch, zag het visioen van het einde van alle dingen; en niemand onder de mensen zal zien wat ik gezien heb.
20
20: 1-8 * De aartsengelen
1. En dit zijn de namen van de heilige engelen die de wacht betrekken. 2. Uriël, een van de heilige engelen, want hij is gesteld over de aeonen en over Tartaros. 3. Rafaël, een van de heilige engelen, die gesteld is over de geesten der mensen. 4. Raguël, een van de heilige engelen die wraak oefent over de wereld en over de hemellichten. 5. Michaël, een van de heilige engelen oefent nauwgezet gezag uit over het volk en over de gojim. 6. Saraqaël, een van de heilige engelen die gesteld zijn over de geesten die in de geest zondigen. 7. Gabriël, een van de heilige engelen, die gesteld is over het paradijs, de slangen en de cherubim. 8. Remiël, een van de heilige engelen, die God gesteld heeft over degenen die zullen verrijzen.