I Henoch
Boek I
Hoofdstuk 1 – 36
Het boek van de Hemelse wachters
V
*
6 – 36 Het boek van de engelen – IV
17 – 36 Henochs reizen – II
21 – 22 * De reis naar het Oosten
21
De gevangenis van de engelen
1. Ik bezocht een oord waar de chaos heerste. 2. En ik zag daar iets afschuwelijks; ik zag geen hemel boven noch vaste grond op aarde, maar een woeste en weerzinwekkende plaats. 3. En ik zag dat zeven sterren van de hemel daarin gebonden waren als grote bergen brandend in vuur.
4. Toen sprak ik: ‘Om welk kwaad zijn zij gebonden en om welke reden zijn zij hierin geworpen?’ 5. Toen sprak Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was en over hen gesteld was en hij zei: ‘Henoch, waarom vraagt u dit en wilt u de waarheid weten? 6. Dezen waren onder de sterren des hemels overtreders van het gebod van de Heer en zijn hier gebonden tot tienduizend jaar vol zullen zijn – de tijd van hun overtreding. 7. En vandaar ging ik naar een andere plaats die nog afschrikwekkender was dan de vorige; ik zag iets afschuwelijks, een groot vuur dat brandde en oplaaide en er was een nauwe kloof op die plaats die uitmondde in de afgrond. Ze was vol grote vuurzuilen. De afmeting en omvang kon ik niet zien of vermoeden. 8. Toen zei ik: ‘Wat een afschrikwekkende plaats en hoe vreeswekkend om te zien.
9. Toen sprak Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was, en hij zei tot mij: ‘Henoch, waarom bent u bevreesd en zo angstig?’ En ik antwoordde: ‘vanwege deze vreselijke plaats en vanwege dit vreselijke schouwspel.’ 10. En hij zei tot mij: ‘Deze plaats is de gevangenis van de engelen. En hier zullen zij gevangen zijn tot in de Eeuw’.
22
De dodenberg
1. Toen vertrok ik naar een andere plaats en hij toonde mij in het westen een grote en hoge berg van hard gesteente. 2. En daarin waren vier holle plaatsen diep en zeer glad: drie waren donker en één was helder met een fontein van water in het midden. [En ik zei: ‘hoe glad zijn deze holten en diep en donker is de aan-blik’] 3. Op dat ogenblik antwoordde Rafaël, één van de heilige engelen, die mij vergezelde en hij zei tot mij: 4. ‘Deze holle plaatsen zijn bestemd om daar de geesten van de zielen van de doden te verzamelen. En deze plaatsen zijn gemaakt om hen te bewaren tot de dag van het gericht en tot de tijd die bepaald is totdat het grote gericht over hen komt. 5. En ik zag de geest van een dode man die een klacht liet horen en zijn klacht steeg op naar de hemel en hij schreeuwde zijn klacht. 6. En ik vroeg Rafaël, de engel die bij mij was en ik zei tot hem: ‘Deze geest, wiens stem tot de hemel roept en klaagt, wiens geest is dat?’ 7. En hij antwoordde mij en zei: ‘Dit is de geest die uitging van Abel, die door zijn broeder Kain is gedood, en hij roept zijn klacht tegen hem tot zijn zaad van de oppervlakte van de aarde is verdelgd en tot zijn zaad van tussen het zaad der mensen zal zijn uitgewist. 8. Toen vroeg ik over de holle plaatsen, waarom zijn zij van elkaar afgezonderd? 9. En hij antwoordde, en zei: “Deze drie zijn gemaakt opdat de geesten van de doden gescheiden zullen worden. Een afzonderlijke plaats is er gemaakt opdat de geesten van de rechtvaardigenafgezonderd zullen zijn waar de verlichte fontein van water is. 10. En deze zijn gemaakt voor de geesten van de zondaars als zij sterven en in de aarde begraven worden en het gericht over hen niet tijdens hun leven heeft plaatsgevonden. 11. Hier zijn hun geesten afgezonderd in deze grote pijn tot de grote dag van het oordeel en over deze vervloekten zal wroeging van de Eeuw komen en smart tot vergelding aan hun geesten. Daar zal hij hen binden tot in de Eeuw. 12. Op deze wijze is er een afscheiding gemaakt voor de zielen die een klacht doen horen, die hun verwoesting kenbaar maakten toen ze werden gedood in de dagen van de overtreders. 13. En er is gemaakt voor de geesten der mensen die niet rechtvaardig waren, maar overtreders, goddelozen en zij waren handlangers van de wettelozen. En hun geesten zullen niet gestraft worden op de dag van het gericht. Ook zullen zij niet uit deze plaats opstaan. 14. Toen zegende ik de Heer der heerlijkheid en zei: ‘Gezegend zijt Gij, Heer der rechtvaardigheid, die de Heer is van de Eeuw’
23
Het vuur in het westen
1. En van daar werd ik verplaatst naar een ander gebied in westelijke richting naar de einden van de aarde. 2. En ik zag een vuur dat rusteloos voortging en niet vertraagde, niet bij nacht noch bij dag, maar het bleef zich voortbewegen. 3. En ik vroeg: ‘Wat is dit rusteloos verschijnsel?’ 4. Daarop antwoordde Raguël, een van de heilige engelen, die bij mij was, en hij zei: “Dit pad van vuur dat dat naar het westen gaat is het vuur van alle hemelse lichten.”
24 – 25 * De berg van God en de boom des levens
24
1. En van daar ging ik naar een andere plaats op de aarde en hij toonde mij bergen van vuur dat dag en nacht brandde. 2. En ik ging verder en zag zeven schitterende bergen, die alle van elkaar verschilden, met kostbaar en prachtige stenen. Deze waren alle sierlijk van vorm en een prachtige aanblik. Drie in de richting van het oosten, de ene vast verankerd op de andere, en drie in zuidelijke richting, de een op de ander en diepe, ruwe ravijnen. Geen ervan was nabij de andere. 3. En de zevende berg was in het midden en deze overtrof de andere in hoogte en leek op een troonzetel. 4. En geurige bomen stonden er omheen. En tussen hen was een boom, zoals ik tot nog toe nooit had geroken, geen enkele boom was aan deze boom gelijk. Deze had een alles doordringende geur van alle specerijen, en zijn bladeren en bloesem en de boom verwelken nooit: en zijn vruchten zijn schitterend en lijken op de dadels van een palm. 5. Toen zei ik: “Hoe schitterend is deze boom, en geurend, en haar bladeren zijn mooi en haar bloesem een lust voor het oog.” 6. Toen antwoordde Michaël, een van de heilige engelen die bij mij was, en die over hen gesteld was.
25 1. En hij zei tot mij: “Henoch, waarom vraagt u naar de geur van de boom, en waarom onderzoekt gij om dit te weten?” 2. Toen antwoordde ik hem, en zei: “Alle dingen wil ik doorgronden maar boven alles deze boom.” 3. En hij antwoordde en zei: “deze hoge berg, die gij gezien hebt, waarvan de top is als de troon van God is Zijn troon, waarop de hoogste Heer, de Heilige der heerlijkheid, de Koning van de Eeuw, zal zitten, wanneer Hij zal neerdalen om de aarde met Zijn goedheid te bezoeken.
4. En wat deze geurige boom betreft; geen sterveling is het toegestaan haar aan te raken tot het grote gericht, als Hij over alle dingen recht zal doen. Dan zal alles tijdens de Eeuw tot voltooiïng komen 5. en gegeven worden aan de rechtvaardigen en heiligen. Haar vruchten zullen de uitverkorenen tot voedsel dienen; zij zal naar het heiligdom overgeplant worden, naar de tempel van God, de eeuwige Koning.”
6. Dan zullen zij zich zeer verheugen, en blij zijn.
En zij zullen het heiligdom binnengaan;
Haar geur zal hun gebeente doortrekken.
Zij zullen lang leven op aarde,
zoals uw vaderen leefden in hun dagen.
En kwellingen, rampen en leed zullen hen niet treffen.
7. Toen zegende ik de God der heerlijkheid, de Koning der Eeuwen, die dit alles voor de rechtvaardigen had bereid, geschapen om het hen te geven.
26
Jeruzalem en de bergen, dalen en beken
1. En van die plaats uit ging ik naar het midden van de aarde, en ik zag een gezegende plaats met bomen waarvan de takken weelderig bloeiden. 2. En daar zag ik een heilige berg; aan de voet van de oostelijke zijde van de berg bevond zich een beek die in noordelijke richting stroomde. 3. En ik zag aan de andere zijde een berg die nog hoger was. Daar tussen was een diepe, niet uitgestrekte vallei. 4. Langs deze berg stroomde een beek. In westelijke richting was nog een berg; kleiner en van geringe hoogte, met een vallei er onder en daar tussen nog een diepe en droge vallei. 5. De dalen waren smal en bestonden uit hard rotsgesteente en er groeide geen enkele boom. 6. En ik verbaasde mij over de rotsen, en ik verwonderde mij over de vallei. Ik verwonderde mij zeer.
27
De bestemming van het vervloekte dal
1. Toen zei ik: “wat is het doel van dit gezegende land dat geheel vol bomen is, met in het midden dit vervloekte dal?” 2. Toen antwoordde Uriël, een van de heilige engelen, die bij mij was en zei: “Dit vervloekte dal is bestemd voor degenen die tot in de Eeuw vervloekt zijn: hier zullen allen verzameld worden, zij die met hun lippen smadelijke woorden tegen de Heer spreken en harde uitspraken over Zijn heerlijkheid. Hier zullen zij verzameld worden en hier zal de plaats van hun oordeel zijn.
3. Aan het einde der tijden, tijdens de dagen van het van het rechtvaardige gericht voor de ogen van de rechtvaardigen, tot in de Eeuw. De verstandigen zullen de Heer der heerlijkheid, de Koning der Eeuwen, alle dagen prijzen. 4. Zij zullen Hem prijzen vanwege de genade die Hij over hen had uitgestort.
5.Toen zegende ik de Heer der heerlijkheid, en loofde Hem met een lofprijzing waarmee ik Zijn glorie erkende.