1 Henoch 28 – 36

I  Henoch

Boek I

 Hoofdstuk 1 – 36

Het boek van de  Hemelse wachters

VI

*

6 – 36 Het boek van de engelenV

17 – 36 Henochs reizen – III

28 – 33 * De reis naar het oosten

28

1. En daar vandaan ging ik in oostelijke richting naar het midden van het woestijngebergte, [en ik zag de Arabah], en ik zag een verlaten wildernis, vol bomen en planten. 2. En vanaf de top stroomde water dat naar beneden klaterde als een waterval. 3. En het water stortte zo overvloedig neer, dat het wolken van waterdamp veroorzaakte, in alle richtingen.
29 1. En van daar ging ik naar een ander plaats in de woestijn en naderde de oostkant van de bergketen. 2. Daar zag ik welriekende bomen die de geur van wierook en mirre verspreidden en deze bomen leken op de amandelboom.
30 1. En daar boven, daar voorbij en in oostelijke richting maar niet ver, zag ik een plaats, een zeer groot gevuld met water. 2. En in zag een prachtige boom die leek op de boom met de geur van mastiek. 3. En in de omgeving van de zijden van deze dalen zag ik een geurige kaneelboom. En van hieruit ging ik verder naar het oosten.
31 1. En ik zag verscheidene bergen begroeid met bomen waar nectar uit vloeide, dat storax of moederhars wordt genoemd. 2. En voorbij deze bergen zag ik nog een berg, waar aloëbomen waren, en het gehele woud stond vol bomen die vol waren van een harde amandelachtige stof. 3. En als men de vruchten er van plukt dan verspreidt de meest aangename geur.
32 1. Voorbij deze welriekende geuren, zag ik in noordoostelijke richting over de bergen heen, zeven bergen vol met de beste nardus van geurende bomen en kaneel en peper. 2. En van daar trok ik over de toppen van de bergen, ver naar het oosten van het land. Ik stak de Erytraeïsche Zee over liet die ver achter mij. 3. Ik passeerde de engel Zutu’el. En ik betrad het paradijs der gerechtigheid. En ik zag uit de verte talrijke bomen die groter zijn dan de bomen (die ik daarvoor zag) en anders dan die en zeer groot en mooi en heerlijk en prachtig – en de boom der wijsheid, waarvan de heiligen de vrucht eten om grote wijsheid te leren. 4. Die boom is in hoogte gelijk aan de spar en zijn bladeren lijken op die van de Johannesbroodboom en zijn vrucht vertoont gelijkenis met een trossen aan de wijnstok, bijzonder fraai en de geur van de boom verspreidt zich over de wijde omgeving van de boom. 5. Toen zei ik: “Hoe mooi is deze boom, en hoe bekoorlijk om te zien!” 6. Toen antwoordde Rafael, de heilige engel, die bij mij was, en zei: “Dit is de boom der kennis, waarvan uw oude vader en uw oude moeder, die u voorgingen, hebben gegeten en zij leerden wijsheid en hun ogen werden geopend en zij bemerkten dat zij naakt waren, en zij werden uit de hof verdreven.
33 1. En van daar ging ik naar de einden van de aarde en zag daar grote dieren en de één verschilde van de ander: en de vogels, die eveneens varieerden van verschijning en in schoonheid en geluid. En verder weg naar het oosten voorbij deze dieren, zag ik de uiterste einden van de aarde, waarop de hemel rust. 2. En ik zag dat de poorten van de hemel geopend waren. 3. Ik zag de sterren van de hemel tevoorschijn komen, en ik telde de poorten waaruit zij tevoorschijn kwamen. En ik beschreef al hun uitgangen, één voor één. Hun aantal en hun namen, hun banen en hun posities, hun tijden en maanden, zoals Uriël, de heilige engel, die bij mij was, mij toonde. 4. Hij toonde mij alles en schreef voor mij alles op. Ook hun namen en hun vastgestelde tijden en hun functies.

34

De reis naar het noorden

1. En van daar ging ik naar het noorden, naar de uiterste einden van de aarde, en daar zag ik een groot en prachtig wonder. 2. Ook zag ik dat daar drie poorten van de hemel geopend waren: 3. Uit iedere poort komen noordenwinden tevoorschijn: als zij waaien is er koude, hagel, vorst, sneeuw, dauw en regen. Door elk van de poorten waaien de winden uit noordwestelijke richting. Door één poort waaien zij ten goede, maar als zij met kracht door de twee andere poorten blazen gaat het gepaard met geweld en onheil.

35

De reis naar het westen

1. En van daar ging ik naar het westen, naar de einden van de aarde, en ik zag dat daar drie poorten van de hemel geopend waren, zoals ik in het oosten gezien had, hetzelfde aantal poorten, en hetzelfde aantal uitgangen.

36

De reis naar het zuiden

1. En van daar ging ik naar het zuiden, naar de einden van de aarde, en daar zag ik drie poorten van de hemel geopend: en daar uit komen de zuidenwind en de dauw en de regen. 2. En van daar ging ik naar het oosten naar de einden van de aarde en daar zag ik de drie poorten geopend naar het oosten, met kleine poorten daar boven. 3. Door elk van deze kleine poorten komen de sterren van de hemel naar buiten en beschrijven hun baan naar het westen over het pad, dat hen is getoond. 4. En toen ik dat zag, roemde ik – en ik zal steeds opnieuw roemen – de Heer der heerlijkheid, die grote en zegenrijke wonderen deed, om de grootheid van Zijn daden te tonen aan de engelen en aan de geesten en aan de mensen, opdat zij Zijn werk en al Zijn daden zouden grootmaken; opdat zij Zijn machtige werken zouden zien en de grote werken van Zijn handen zouden prijzen en Hem zegenen voor altijd.

Over dkaashoek

Bijbel & Theologie
Dit bericht is geplaatst in 1 Henoch. Bookmark de permalink.

Geef een reactie