Boek II
Hoofdstuk 37 – 71
Het boek
van de
Gelijkenissen
I
*
37
Opschrift
1. Het tweede visioen van wijsheid dat Henoch zag – de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam.
Inleiding
2. Dit is het begin van de woorden van wijsheid waarmee ik mijn stem verhef om te spreken tot degenen die de aarde bewonen: ‘Hoort gij ouden en ziet, gij die na hen komt – de woorden van de Heilige, die ik zal verkondigen in de naam van de Heer der geesten.
3. Het is nuttig om deze dingen alleen aan de ouden te proclameren – maar aan hen die na hen zijn gekomen zullen wij niet het begin van de wijsheid onthouden. Tot op deze dag is er door de Heer der geesten geen wijsheid geschonken zoals mij geschonken is en zoals ik het heb verkondigd, door het welbehagen van de Heer der geesten. Door wie mij het eeuwige leven ten deel is gevallen. Drie gelijkenissen zijn mij medegedeeld –
en ik verhief mijn stem en verkondigde ze aan hen die op aarde wonen.
38 – 44 * De eerste gelijkenis
38
Het gericht over de goddelozen
1. De eerste gelijkenis:
Als de gemeente van de rechtvaardigen verschijnt,
en de zondaren in het gericht zullen komen om hun zonden,
en verdreven worden van het aanschijn van de aarde;
2. En als de Rechtvaardige Zich toont aan de uitverkoren rechtvaardigen,
van wie welk werk dan ook verricht is in afhankelijkheid van de Heer der geesten.
En licht zal omstralen
de rechtvaardigen en uitverkorenen die op aarde wonen.
Waar zal dan de woonplaats van de zondaren zijn,
en waar de rustplaats van hen die de Heer der geesten hebben verloochend?
Het zou beter voor hen geweest zijn als zij niet geboren waren.
3. Als de geheimen van de Rechtvaardige geopenbaard zullen zijn,
zal Hij de zondaren richten,
En zullen de zondaren verdreven worden
weg van de (Psalm 52:11) aanwezigheid van de rechtvaardigen en uitverkorenen.
4. En vanaf die tijd zullen niet zij die machtig en verheven zijn het land bezitten,
en zij zullen niet in staat zijn om het aangezicht der heiligen te zien.
want het licht van de Heer der geesten zal verlichten
de aangezichten van de heiligen, rechtvaardigen en uitverkorenen.
5. Dan zullen de koningen en de machthebbers ten ondergaan,
en zij zullen worden gegeven in de handen van de rechtvaardigen en heiligen,
6. en vanaf die tijd zal niemand de Heer der geesten zoeken om hen genadig te zijn,
Want hun leven had een einde.
39
De woningen van de rechtvaardige
1. En in die dagen zal het geschieden dat de uitverkoren en heilige kinderen zullen neerdalen uit de hoge hemel en hun zaad zal zich vermengen met de mensenkinderen. 2. En in die dagen ontving Henoch boeken van ijver en toorn en boeken van verontrusting en wervelwind. De Heer der geesten heeft gesproken: “genade zal hen niet ten deel vallen”.
3. In die dagen hief een wervelwind mij van de aarde omhoog
en verplaatste mij naar het einde van de hemel.
4. Daar zag ik een ander visioen, de woonplaats van de heiligen
en de rustplaatsen van de rechtvaardigen.
5. Hier zagen mijn ogen hun woningen bij zijn rechtvaardige engelen
en hun rustplaatsen bij de heiligen.
en zij smeekten en bemiddelden en deden voorbede voor de kinderen van de mensen
en rechtvaardigheid stroomde voor hen uit als water.
en genade als dauw op de aarde;
zo zal het in hun midden zijn tot in de eeuwen der eeuwen.
De woning van de Uitverkorene
6. En in die dagen zagen mijn ogen de Uitverkorene van gerechtigheid en trouw.
En er zal in Zijn dagen zal rechtvaardigheid de overhand hebben.
En de rechtvaardigen en uitverkorenen zullen niet te tellen zijn.
Voor Zijn aangezicht tot in de eeuwen der eeuwen.
7. En ik zag hun woningen onder de vleugels van de Heer der geesten.
En voor Hem zullen alle rechtvaardigen en uitverkorenen helder stralen
als vurige lichten.
En hun mond zal vervuld zijn met lofprijzing
en hun lippen prijzen de naam van de Heer der geesten,
En gerechtigheid is zonder ophouden voor Zijn aangezicht
8. Daar wenste ik te wonen,
En mijn ziel verlangde naar die woning.
Vanouds is mijn deel daar;
zo is door de Heer der geesten voor mij beschikt.
Lofprijzing van Henoch
9. In die dagen prees en verheerlijkte ik de naam van de Heer der geesten met zegeningen en lofprijzingen, omdat hij mij bestemd had tot zegen en heerlijkheid naar het welbehagen van de Heer der geesten. 10. Lange tijd aanschouwden mijn ogen die plaats en ik zegende Hem zeggende: “Gezegend is Hij en moge Hij gezegend zijn vanaf het begin en tot in alle eeuwigheden. 11. En voor Zijn aangezicht is er geen einde. Hij wist voordat de wereld geschapen was, wat er tot in eeuwigheid zal zijn en wat er zal zijn van geslacht tot geslacht.”
Lofprijzing van de Wachters
12. Degenen die geen sluimering kennen zegenen u, en zij staan in uw glorierijke aanwezigheid; en zij zegenen, prijzen en loven en zeggen: “Heilig, heilig, heilig, Heer der geesten; Hij vult de aarde met geesten.” 13. Daar zagen mijn ogen wezens die zonder te rusten voor Zijn aangezicht staan, terwijl zij uitroepen: 14. “Gezegend U en gezegend zij de naam van de Heer der geesten tot in de eeuwen der eeuwen.” En mijn aangezicht veranderde omdat ik de aanblik niet kon verdragen.
40
De vier aartsengelen
1. En daarna zeg ik duizenden duizendtallen en tienduizend tienduizendtallen. Ontelbaar; een buitengewoon grote menigte, staande voor het aanschijn van de heerlijkheid van de Heer der geesten.
2. Ik keek toe en aan de vier zijden van de Heer der geesten zag ik vier gestalten die verschilden van degenen die niet slapen en ik leerde hun namen, omdat de engel die met mij mee ging en mij alle verborgen dingen toonde mij de namen bekend maakte. 3. En ik hoorde de stemmen van deze vier gestalten, terwijl zij lofprijzingen uitspraken voor het aangezicht van de Heer der heerlijkheid. 4. De eerste stem prees de Heer der geesten tot in de eeuwen der eeuwen. 5. En de tweede stem hoorde ik de Uitverkorene zegenen en de uitverkorenen die hun vertrouwen op de Heer der geesten hebben gevestigd.
6. En de derde stem hoorde ik bidden en pleiten voor degenen die de aarde bewonen en voorbeden doen in de naam van de Heer der geesten. 7. En ik hoorde de vierde stem de demonen verdrijven, en hij deed hen niet komen voor het aangezicht van de Heer der geesten om degenen die op aarde wonen aan te klagen. 8. Daarna vroeg ik de vredesengel die met mij meeging en die mij alle geheimenissen liet zien: “Wie zijn deze vier gestalten die ik gezien heb en wier woorden ik hoorde en schreef?”
9. En hij zei tot mij: “De eerste is de genadige en lankmoedige Michaël; de tweede, die gesteld is over alle ziekten en alle wonden van de mensenkinderen is Rafaël; en de derde, die gesteld is over alle machten is Gabriël; en de vierde, die gesteld is over het berouw en de verwachting van hen die het eeuwige leven beërven heet Fanuël”. 10. Dit zijn de vier engelen van de Heer der geesten en de vier stemmen die ik in die dagen hoorde.