(Uitgebreide versie van eerder geplaatste blog op 25 februari 2013)
Genesis 36:24 (vertaling A.S. Onderwijzer) 1
“En dit zijn de zonen van Tsib’on: Ajja en ‘Ana; dit is ‘Ana, die het voortbrengen van de muilezels ontdekte in de woestijn, toen hij weidde de ezels voor Tsib’on, zijn vader.”
De structuur van Genesis 36.
Hoofdstuk 36 kan verdeeld worden in acht onderdelen. 2
1-5 De vrouwen van Esau en hun zonen in Kanaän.
6-8 Vertrek uit Kanaän naar Seïr.
9-14 De in Seïr geboren zonen van Esau.
15-19 Stamhoofden van de zonen van Esau.
20-30 Zonen en stamhoofden van Seïr, de Chorieten met wie Esau zich verbond.
31-39 Koningen van Edom.
40-43a Stamhoofden van Esau.
43b-37:1 Esau woont in het land van zijn bezitting en Jakob in het land van de vreemdelingschap van zijn vader.
Wie was ‘Ana?
‘Ana lijkt op het eerste oog een onbetekenende figuur binnen de genealogie van Seïr, de Choriet. 3 Ondanks een speciaal detail in Genesis 36 over ‘Ana is er weinig exegese rond deze persoon gepubliceerd. Bovendien bestaat er onduidelijkheid rond de teksten waarin zijn naam voorkomt. In de genealogie lijkt sprake van twee personen met de naam ‘Ana: een zoon van Seïr en een zoon van Tsib’on. Volgens de Zohar echter is ‘Ana een bastaard, verwekt door Tsib’on bij zijn eigen moeder. 4 In de Joodse uitlegtraditie gaat men er dan ook van uit dat er in Genesis 36 sprake is van één persoon met de naam ‘Ana. Vs 24 richt heel speciaal de aandacht op ‘Ana met: “dit is ‘Ana, die…”. 5
Ook ontstaat verwarring met de benoeming van de afkomst van Oholibama 6, één van de vrouwen van Esau. Over haar wordt vermeld dat ze dochter van ‘Ana, dochter 7 van Tsib’on was (Gen 36:2, 14). In Gen 36:18 heet Oholibama zonder meer dochter van ‘Ana.8 Volgens Rashie heeft Tsib’on, de vader van ‘Ana, Oholibama verwekt bij zijn schoondochter, de vrouw van ‘Ana. 9
Vermenging van het geslacht van Esau met de Hettieten.
Het valt op dat tot twee maal toe Oholibama dochter van ‘Ana, dochter van Tsib’on wordt genoemd (Gen 36:2, 14). Een herhaling in een Israëlitische tekst is altijd een extra nadruk. Hier: Let wel: zij is dochter van ‘Ana, dochter van Tsib’on. De formulering heeft de bedoeling nadruk te leggen op de incestueuze cultuur die het geslacht van Seïr beheerste. Dat stemt overeen met de mededeling in Genesis over de losbandige levenswijze van de Hettitische vrouwen van Esau. Beide vrouwen worden om die reden een voortdurende kwelling des geestes (zielsverdriet volgens de vertaling van A.S. Onderwijzer) genoemd voor Isaäk en Rebekka. 10
De vertaling: ‘voortbrengen van de muilezels’
De klassieke Statenvertaling brengt de ontdekking van ‘Ana in verband met kruisen van soorten. De kanttekening ziet dan ook een verband tussen de ontdekking van ‘Ana en het kruisen van een paard met een ezel. Het is bekend dat de Statenvertalers gebruik hebben gemaakt van rabbijnse bronnen. In Joodse exegeses is de ontdekking door juist ‘Ana niet toevallig. Ana’s incestueuze afkomst wordt zelfs in verband gebracht met zijn ontdekking in de woestijn. Het kruisen van dieren van verschillende soort is volgens Joods gebruik verboden (Leviticus 19:19). Rashie spreekt in dit verband van ‘verworpelingen’. 11 Hij verbindt het woord ha’yemim met aimah = vrees. De oorzaak van die vrees is de klap van een witte muilezel. “Want Rabbi Chanina zegt: zolang ik leef, heeft mij niet iemand gevraagd over de klap van een witte muilezel en is in leven gebleven”.
De Targum Samaritanus en Onkelos vertalen yemim met ‘reuzen’ 12, waarmee een verband wordt gelegd met de Emim. (Gen 14:5; Deut 2:10-11) of met de nefilim van Genesis 6:4. Beresjit Rabba heeft ‘himjonas’ = èmionos = muilezels.
Opmerkelijk is dat de woongebieden die bestemd waren voor Ismaël en Edom behoren tot het domein van de wilde ezel. Bert Dicou wijst erop dat in de structuur van het boek Genesis zowel Edom als Ismaël fungeren als tegenhangers van Israël. Beide zijn de broeder van degene die door JHWH is uitgekozen als eerstgeborene. Beide, Ismaël en Esau worden tot een groot volk. In het boek Genesis worden de verwekkingen genoemd van Ismaël (25:12-18) en de verwekkingen van Edom (36:1 en 9). Ismaël zal ‘tegenover’ al zijn broeders wonen, wat inhoudt dat hij niet bij hen zal wonen. Hij bewoont het onbewoonde gebied, de woestijn: het domein van “de wilde ezel”. Zoals het in Gen 16:12 gezegd wordt van de nakomelingen van Ismaël: ‘hij zal een wilde ezel van een mens zijn, zijn hand tegen allen en ieders hand tegen hem.’ In Gen 25:18 wordt er aan toegevoegd dat hij tegenover zijn broeders ‘zich liet neervallen’. Dicou ziet een samenhang tussen het werkwoord נפל (neervallen) met de agressieve betekenis die het soms heeft (aanvallen, overvallen). Zo wordt van Esau gezegd: ‘weg van het vette der aarde en weg van de dauw van de hemel zal je woonplaats zijn. Van je zwaard zul je leven…’. 13
Mogelijk zegt dit ook iets over wat ‘Ana daadwerkelijk gezien heeft. Waarschijnlijk is hij geconfronteerd geworden met vreemde wezens; een vermenging van verschillende soorten. Hieronder een fragment uit het boek Jasher (Jasher 36:30-35) 14:
30 En op een dag leidde hij (‘Ana) ze (de ezels van zijn vader) naar een van de woeste plaatsen bij de zeekust, tegenover de volkeren die tot woestenij geworden zijn en toen hij ze weidde, ontstak een zeer zware storm van de overkant van de zee en viel op de ezels die daar een weideplaats gevonden hadden. En alle bleven staan. 31. Vervolgens verschenen ongeveer honderdtwintig grote en afschuwelijke dieren uit de woestijn aan de andere kant van de zee, en die kwamen alle naar de plaats waar de ezels waren. En zij namen die verblijfplaats in bezit. 32. En de gedaante van deze dieren vanaf hun middel naar beneden was als die van de mensenkinderen. En vanaf hun middel naar boven leken sommige op beren. En sommige hadden de gedaante van apen, met staarten vanaf hun schouders achterwaarts naar de aarde als de staarten van grote apen. En deze dieren kwamen en bestegen de ezels en reden erop en leidden ze weg tot op deze dag. 33. En één van deze dieren naderde Ana en sloeg hem met zijn staart, en vluchtte toen weg van die plaats. 34. En toen hij deze daad zag werd hij buitengewoon bevreesd om zijn leven, en vluchtte weg van die plaats. 35. En toen hij al deze gebeurtenissen vertelde tegen zijn zonen en broeders gingen vele mensen zoeken naar de ezels maar konden ze niet vinden en Ana en zijn zonen kwamen in de dagen die volgden niet meer op die plaats, want zij vreesden voor hun leven.
De vertaling ‘hete bronnen’. Een reden waarom de meeste bijbelvertalers voor ‘hete bronnen’ of een variant daarvan kiezen is de onbekendheid van het Hebreeuwse woord ha’yemim. De Septuagint laat het woord onvertaald. Eveneens zagen Aquila, Symmachus en Theodotion geen mogelijkheid dit woord in het Grieks te vertalen. 15 De vertaling ‘hete bronnen’ is afkomstig van de kerkvader Hieronymus, die de betekenis van yemim meende gevonden te hebben in de taal van Carthago. 16 Later heeft men de betekenis van dit woord gezocht in het gebied waar Ana de ezels van zijn vader hoedde in de regio van de verwoeste steden Sodom en Gomorra. 17 De vertaling ‘hete bronnen’ lijkt bovendien steun te vinden in het hebreeuwse woord voor water. Ha’yemim heeft inderdaad enige verwantschap met het hebreeuwse ‘majiem’.
- Nederlandsche vertaling van den Pentateuch, benevens eene Nederlandsche verklarende vertaling van Rashie’s Pentateuch Commentaar, door A.S. Onderwijzer, Rabbijn der Ned. Israël. Hoofdsynagoge alhier. Amsterdam, 1895. Berashith 36:24, p462-463. ↩︎
- Deze indeling is gebaseerd op de gedetailleerde indeling van Bert Dicou in: Jakob en Esau, Israël en Edom. Israël tegenover de volken in de verhalen over Jakob en Esau in Genesis en in de grote profetieën over Edom. Dissertatie Amsterdam 1990. ↩︎
- Esau verbond zich met de Chorieten. Een Hettitische stam. Choriet betekent: ‘holbewoner’. ↩︎
- Zohar, Vayishlah, 178b. The Zohar, Part II, The Sconcino Press, 1984, p183. ↩︎
- De zinsnede “hua ‘Ana” = dit is Ana heeft niet als doel de zoon van Tsib’on te onderscheiden van een andere persoon met dezelfde naam. Dit wordt namelijk ten onrechte verondersteld in onder meer de NBV en de Naardense Bijbel: “de Ana die …”. In Gen 36:1 komt namelijk dezelfde vorm voor: “hua edom”, hij, Edom! (vgl: Gen 36:9, 43). Er is in het verband van de tekst geen tweede persoon naast Esau, die de naam Edom meekrijgt. In Gen 36 wordt uitdrukkelijk de aandacht gevestigd op twee personen: Esau (Edom), èn Ana, de zoon van Tsib’on. ↩︎
- De naam Oholiba voor Jeruzalem in Ezech 23:4 kan een zinspeling zijn op Oholibama, de vrouw van Esau. Zie Rabbi dr. S. Fisch, M.A., Ezekiel. The Soncino Books of the Bible. Hebrew tekst and English Translation, p150. ↩︎
- De LXX vertaalt in vs 2 en 14: dochter van Ana, zoon van Tsib’on en interpreteert de tekst dus zodanig dat Ana hier vermeld wordt als de zoon van Tsib’on terwijl de Hebreeuwse (Masoretische) tekst twee keer ‘dochter van’ heeft. ↩︎
- In Gen 36:18 heet Oholibama alleen ‘dochter van Ana terwijl in vers 25 die mededeling nog eens gedaan wordt maar dan volgt op de opsomming van de zonen van Ana – de zoon van Seïr. In 1 Kron 1:41 wordt Oholibama niet genoemd. ↩︎
- Rashie’s Pentateuch Commentaar, door A.S. Onderwijzer, Rabbijn der Ned. Israël. Hoofdsynagoge alhier. Amsterdam, 1895. Berashith 36:2, p456. ↩︎
- Zie Gen 26:35. De in Gen 36:5 genoemde zoon van Oholibama, Korach, wordt later (v16) genoemd bij de vorsten van Elifaz. Dit omdat Elifaz de werkelijke vader was van Korach, die hij verwekte bij de vrouw van zijn vader. Rashie’s Pentateuch Commentaar, door A.S. Onderwijzer, Rabbijn der Ned. Israël. Hoofdsynagoge alhier. Amsterdam, 1895. Berashith 36:5, p456-7. ↩︎
- Vgl I Henoch 10:9 > Gr: ‘kibdèlous’ = ‘vervalste wezens’. ↩︎
- De boeken van het Oude Testament, deel I / boek I Genesis, uit de grondtekst vertaald en uitgelegd door Dr. J. de Fraines, J., J.J. Romen & zonen, 1963, p257; Dr. A. van Selms, Genesis deel II, Callenbach 1973 (POT) p175-176. ↩︎
- Vgl: Bert Dicou, Bert Dicou in: Jakob en Esau, Israël en Edom. Israël tegenover de volken in de verhalen over Jakob en Esau in Genesis en in de grote profetieën over Edom. Dissertatie Amsterdam 1990. ↩︎
- Het boek Jasher wordt wel in verband gebracht met ‘het boek des oprechten’ dat genoemd wordt in Jozua 10:13 en 2 Sam 1:18. ↩︎
- Martinus Koning, Lexicon Hieroglyphicum Sacro-prophanum (Woordenboek van Gewyde en Ongewyde Voor- en zinnebeelden), p64. ↩︎
- Zie het artikel van L.M.P. Scholten op ‘bijbelkrabbels’. Scholten is bovendien van mening dat de keuze voor hete bronnen in moderne vertalingen niet gebaseerd is op een betere kennis van het Hebreeuws, hetgeen ten onrechte wel eens wordt verondersteld: “De opvatting van de Statenvertalers, dat die heidense schoonvader van Ezau, die voor zijn vader kudden ezels hoedde in de woestijn en daarbij (wellicht bij toeval) ontdekte hoe je ezels met paarden kon kruisen, is zeker zo waarschijnlijk, als de gissing van Hieronymus.” Inderdaad zijn moderne bijbelvertalingen niet zelden minder conform de grondtekst in vergelijking met de klassieke Statenvertaling. ↩︎
- “… deze zijn daar vrij talrijk in de nabijheid van de Dode Zee (Gen 16:14, 21:19, 26:19-32, Jozua 15:11)”. De boeken van het Oude Testament, deel I / boek I Genesis, uit de grondtekst vertaald en uitgelegd door Dr. J. de Fraines – J. , J.J. Romen & zonen, 1963, p257. ↩︎